CONCLUSIES VAN HET VOORZITTERSCHAP

 

EUROPESE RAAD VAN SANTA MARIA DA FEIRA

19 EN 20 JUNI 2000

 

1. De Europese Raad is op 19 en 20 juni in Santa Maria da Feira bijeengekomen. Aan het begin van de besprekingen wisselden de Europese Raad en de voorzitter van het Europees Parlement, mevrouw Nicole Fontaine, van gedachten over de belangrijkste te bespreken punten.

I. VOORBEREIDING OP DE TOEKOMST

2. Tegen de achtergrond van de hernieuwde maatschappelijke discussie over en belangstelling voor de toekomst van de Europese Unie, heeft de Europese Raad een aantal belangrijke maatregelen genomen om de uitdagingen waarmee de Unie in de onmiddellijke toekomst geconfronteerd wordt het hoofd te bieden.

A. Intergouvernementele Conferentie over de hervorming van de instellingen

3. De Europese Raad neemt nota van en is ingenomen met het verslag van het voorzitterschap over de Intergouvernementele Conferentie. Uit het verslag van het voorzitterschap blijken de aanmerkelijke vorderingen die de Conferentie heeft gemaakt bij de bespreking van de verdragswijzigingen die ervoor zullen zorgen dat de Unie ook na de uitbreiding beschikt over goed functionerende, doeltreffende en legitieme instellingen. De Europese Raad is met name van oordeel dat de in het Verdrag van Amsterdam opgenomen bepalingen inzake nauwere samenwerking deel van de toekomstige werkzaamheden van de Conferentie moeten uitmaken, met inachtneming van de noodzaak van samenhang en solidariteit in een uitgebreide Unie. De Conferentie kan op een hechte basis verder werken zodat in december, in overeenstemming met het door de Europese Raden van Keulen en Helsinki vastgestelde tijdschema, een algemeen akkoord kan worden bereikt.

B. Handvest van grondrechten

4. De Europese Raad sprak zijn oprechte medeleven uit met de heer Roman Herzog en uitte zijn waardering voor diens onschatbare persoonlijke bijdrage aan de werkzaamheden van de Conventie. De heer Ignacio Mendez de Vigo, vice-voorzitter van de Conventie waaraan de opstelling van een ontwerp-Handvest van grondrechten van de Europese Unie is toevertrouwd, heeft de Europese Raad over de lopende werkzaamheden geïnformeerd.

5. De Conventie wordt aangespoord om haar werkzaamheden in overeenstemming met het in het mandaat van de Europese Raad van Keulen neergelegde tijdschema voort te zetten, zodat voorafgaand aan de Europese Raad in oktober 2000 een ontwerp-document wordt voorgelegd.

C. Gemeenschappelijk Europees veiligheids- en defensiebeleid

6. De Europese Raad bevestigt zijn engagement voor het opbouwen van een gemeenschappelijk Europees veiligheids- en defensiebeleid waarmee het externe optreden van de Unie kan worden versterkt door de ontwikkeling van een vermogen voor militaire crisisbeheersing en een vermogen voor civiele crisisbeheersing, met volledige eerbiediging van de beginselen van het Handvest van de Verenigde Naties.

7. De Europese Raad is ingenomen met het door de Raad goedgekeurde verslag van het voorzitterschap over versterking van het gemeenschappelijk Europees veiligheids- en defensiebeleid en bijbehorende documenten (zie bijlage I). Er is bevredigende vooruitgang geboekt bij de uitvoering van het mandaat van Helsinki inzake zowel de militaire als de civiele aspecten van crisisbeheersing. In dit verband neemt de Europese Raad nota van de voortschrijdende ontwikkeling van het Interimcomité voor politieke en veiligheidsvraagstukken en het militaire interimorgaan die in Helsinki zijn ingesteld.

 

8. Verbetering van de Europese militaire vermogens blijft van wezenlijk belang voor de geloofwaardigheid en doeltreffendheid van het gemeenschappelijk Europees veiligheids- en defensiebeleid. De Europese Raad is vastbesloten om de doelstellingen voor het hoofddoel in 2003 te verwezenlijken, als in Helsinki overeengekomen. In dit verband kijkt hij uit naar de Conferentie over de toezegging van vermogens later dit jaar, waar de lidstaten eerste nationale verbintenissen zullen aangaan, en naar de instelling van een evaluatiemechanisme om de vorderingen naar deze doelstellingen te meten. Er zal zorg gedragen worden voor de noodzakelijke transparantie en dialoog tussen de Unie en de NAVO en wat betreft de vereisten in verband met vermogensdoelstellingen zal een beroep worden gedaan op NAVO-expertise.

9. Er zijn beginselen en nadere regelingen bepaald om Europese NAVO-leden die niet tot de EU behoren en andere kandidaten voor toetreding tot de EU in staat te stellen tot de militaire crisisbeheersing van de EU bij te dragen. Ook zijn beginselen voor overleg met de NAVO over militaire kwesties en nadere regels voor de ontwikkeling van de betrekkingen EU/NAVO bepaald op vier gebieden, namelijk veiligheidskwesties, doelstellingen inzake vermogens, de modaliteiten voor toegang van de EU tot NAVO-middelen en het uitwerken van permanente overlegregelingen.

10. De Europese Raad verzoekt om bijdragen van alle derde partnerlanden tot de verbetering van de Europese vermogens. De Europese Raad verheugt zich over de aanbiedingen van Turkije, Noorwegen, Polen en Tsjechië, waardoor het gamma van vermogens dat voor door de EU geleide operaties beschikbaar is, zal worden uitgebreid.

11. De Europese Raad verwelkomt de oprichting en eerste vergadering van het comité voor de civiele aspecten van crisisbeheersing, alsook de bepaling van de prioritaire gebieden voor doelstellingen ten aanzien van de civiele aspecten van crisisbeheersing en van specifieke doelen voor civiele politievermogens. In dit verband hebben de lidstaten, die op vrijwillige basis samenwerken, zich ertoe verbonden dat zij in 2003 tot 5000 politiefunctionarissen beschikbaar zullen kunnen stellen voor internationale missies die de gehele scala van conflictpreventie- en crisisbeheersingsoperaties bestrijken. De lidstaten hebben zich er tevens toe verbonden om binnen 30 dagen tot 1000 politiefunctionarissen te kunnen aanwijzen en inzetten. De Europese Raad is ook ingenomen met de bereidheid van de Commissie om binnen haar werkterreinen tot de civiele crisisbeheersing bij te dragen.

12. De Europese Raad benadrukt dat de Unie in haar aanpak van conflictpreventie en crisisbeheersing vastbesloten is om haar verantwoordelijkheid voor de Petersbergtaken, als bedoeld in Helsinki, volledig op zich te nemen. Hij verzoekt het komend voorzitterschap samen met de secretaris-generaal/hoge vertegenwoordiger het werk binnen de Raad Algemene Zaken in overeenstemming met de in het verslag van het voorzitterschap genoemde mandaten voort te zetten en aan de Europese Raad in Nice een algemeen verslag van het voorzitterschap voor te leggen. De permanente politieke en militaire structuren moeten zo spoedig mogelijk na Nice worden opgezet.

D. Uitbreiding

13. De Europese Raad bevestigt de prioriteit van het uitbreidingsproces voor de Unie en neemt met voldoening nota van de wezenlijke vooruitgang die sedert de Europese Raad van Helsinki bij de onderhandelingen is geboekt (zie bijlage II). Hij is met name ingenomen met de start van de toetredingsonderhandelingen met Malta, Roemenië, Slowakije, Letland, Litouwen en Bulgarije en met de eerste concrete resultaten die daarbij reeds bereikt zijn. De Europese Raad is van mening dat het haalbaar moet zijn om zo spoedig mogelijk in 2001 met de meest gevorderde van deze kandidaten onderhandelingen op alle gebieden van het acquis te openen.

14. De Europese Raad is voorts verheugd over het feit dat alle gebieden van het acquis, met uitzondering van "instellingen", thans zijn opengesteld voor onderhandelingen met Cyprus, Hongarije, Polen, Estland, Tsjechië en Slovenië. Ook neemt hij er nota van dat op verscheidene gebieden waarover reeds onderhandeld wordt, aanmerkelijke vooruitgang is geboekt.

15. De Europese Raad herhaalt dat de Unie ernaar streeft om de dynamiek van het toetredingsproces in stand te houden. Alle kandidaat-lidstaten zullen ook in de toekomst op eigen merites worden beoordeeld. In overeenstemming met het beginsel van differentiatie is het voor de kandidaten mogelijk om de landen waarmee de onderhandelingen eerder zijn begonnen, in te halen.

16. De Europese Raad memoreert dat naast het vinden van oplossingen voor de vraagstukken waarover onderhandeld wordt, vooruitgang bij de onderhandelingen afhankelijk is van de opneming door de kandidaat-lidstaten van het acquis in hun nationale wetgeving en vooral van hun vermogen om het daadwerkelijk toe te passen en te handhaven. Hoewel er reeds vooruitgang is geboekt, vergt dit aanzienlijke inspanningen van de kandidaat-lidstaten bij het voortzetten van hun interne hervormingen, met name de versterking van hun administratieve en justitiële structuren. De Unie zal nauwlettend op de vorderingen van de kandidaat-lidstaten toezien. Hiertoe wordt de Commissie verzocht verslag over haar bevindingen uit te brengen aan de Raad. De Europese Raad van Nice zal de vorderingen inzake de uitbreiding evalueren en onderzoeken hoe het toetredingsproces moet worden voortgezet.

17. Wat Turkije betreft, neemt de Europese Raad nota van de initiatieven van deze kandidaat-lidstaat om aan de toetredingscriteria te voldoen. Overeenkomstig de conclusies van Helsinki kijkt de Europese Raad uit naar concrete vooruitgang, met name op het gebied van mensenrechten, de rechtsstaat en justitie. De Commissie dient verslag aan de Raad uit te brengen over de vorderingen bij de voorbereiding van de analytische bestudering van het acquis met Turkije. De Commissie wordt tevens verzocht om in het licht van het bovenstaande zo spoedig mogelijk voorstellen in te dienen betreffende het ene financiële kader voor bijstand aan Turkije enerzijds en het toetredingspartnerschap anderzijds.

18. De Europese Raad beklemtoont dat het van belang is te zorgen voor blijvende steun voor de uitbreiding, en dat daartoe het grote publiek in zowel de lidstaten als de kandidaat-lidstaten goed moet worden voorgelicht.

II. WERKGELEGENHEID, ECONOMISCHE HERVORMINGEN EN SOCIALE COHESIE - FOLLOW-UP VAN DE EUROPESE RAAD VAN LISSABON

19. De strategie van Lissabon, die thans volop wordt uitgevoerd, schraagt alle communautaire maatregelen die gericht zijn op banen, innovatie, economische hervorming en sociale cohesie. In alle sectoren waarop de strategie betrekking heeft, worden al wezenlijke resultaten geboekt.

20. Het Forum op hoog niveau waarin de sociale partners, de instellingen van de Unie, de Europese Centrale Bank en de Europese Investeringsbank samenkomen, heeft op 15 juni in Brussel vergaderd. Het Forum bevestigde dat er een hoge mate van overeenstemming bestaat over de strategie van Lissabon, maakte de balans op van de bijdragen die de verschillende actoren, elk binnen hun eigen werkterrein, zouden kunnen leveren, en toonde het belang aan van een breed politiek debat, sociaal overleg en een sociale dialoog. Meer in het bijzonder is de Europese Raad verheugd over de door de sociale partners voorgelegde gezamenlijke verklaring, waarin constructieve standpunten worden verwoord ten aanzien van tijdelijk werk, telewerken, levenslang leren en een regeling voor gezamenlijk toezicht op industriële veranderingen.

21. De dynamiek in de uitvoering van de strategie moet gehandhaafd worden door vaststelling van de volgende, hieronder beschreven prioritaire stappen.

A. Voorbereiding van de overgang naar een concurrerende en dynamische kenniseconomie

Actieplan e-Europa

22. De Europese Raad onderschrijft het alomvattende actieplan e-Europa 2002 en verzoekt de instellingen, de lidstaten en alle andere actoren ervoor te zorgen dat dit actieplan volledig en tijdig, uiterlijk 2002, wordt uitgevoerd, alsmede langetermijnperspectieven op te stellen voor een kenniseconomie die integratie door informatietechnologie en het dichten van de digitale kloof bevordert. Als kortetermijnprioriteit moeten de nodige stappen worden genomen om de kosten van internettoegang te verlagen door het opsplitsen van het aansluitnet. De Commissie dient aan de Europese Raad in Nice, en vervolgens met regelmatige tussenpozen, verslag uit te brengen over de vorderingen bij de verwezenlijking van de doelstellingen van het actieplan. De Europese Raad wijst op het strategische belang van het project Galileo en van het nemen van een besluit daarover voor eind 2000.

Totstandbrenging van een Europese onderzoeksruimte

23. De Europese Raad is verheugd over de resolutie van de Raad (Onderzoek) en het vaste voornemen om snel een "Europese onderzoeksruimte" tot stand te brengen, met name door criteria op te stellen voor het benchmarken van onderzoeksbeleid; door fases en termijnen te bepalen voor het tegen 2001 in kaart brengen van wetenschappelijke en technologische excellentie in Europa; door de nationale en Europese onderzoeksprogramma's in een netwerk samen te brengen; door initatieven te nemen om zeer snelle verbindingen tussen de nationale elektronische onderzoeksnetwerken tot stand te brengen. Naar aanleiding van de conclusies van de laatste VS/EU-top wordt de Commissie verzocht de dialoog met de Amerikaanse autoriteiten actief voort te zetten teneinde een permanente en evenwichtige trans-Atlantische breedbandverbinding tussen de Europese en Amerikaanse onderzoeks- en onderwijscentra tot stand te brengen.

Het Europees Handvest voor kleine ondernemingen en het nieuwe kader voor het ondernemingsbeleid

24. De Europese Raad is verheugd over het onlangs aangenomen Europees Handvest voor kleine ondernemingen (zie bijlage III), en onderstreept het belang van kleine bedrijven en ondernemers voor groei, concurrentievermogen en werkgelegenheid in de Unie. Hij verzoekt om volledige uitvoering van het handvest als onderdeel van het in voorbereiding zijnde alomvattende kader voor het ondernemingsbeleid. Met dit alomvattende kader worden vorderingen gemaakt op basis van het door de Commissie voorgestelde werkprogramma voor ondernemingsbeleid 2000-2005, haar voorstellen voor het benchmarken van ondernemingsbeleid alsmede het voorgestelde meerjarenprogramma voor ondernemingen en ondernemerschap 2001-2005. Deze initiatieven moeten voor eind 2000 hun eerste vruchten afwerpen.

Voltooiing van de interne markt

25. De Europese Raad hecht zijn goedkeuring aan de algemene beleidslijn in de mededeling van de Commissie betreffende de evaluatie van de strategie voor de interne markt als een nuttig uitgangspunt voor de planning van werkzaamheden. Voor de ontwikkeling van de interne markt moet een samenhangend kader worden gecreëerd door afstemming van toekomstige evaluaties van de strategie van de Commissie op het economische hervormingsproces van Cardiff zodat de Europese Raad in zijn voorjaarsbijeenkomsten de gemaakte vorderingen volledig kan beoordelen.

26. Er zijn al belangrijke stappen genomen in de richting van voltooiing van de interne markt. Zo

- is de richtlijn inzake elektronische handel aangenomen en is overeenstemming bereikt over de harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en naburige rechten;

- is in het kader van het actieplan voor financiële diensten politieke overeenstemming bereikt over gemeenschappelijke standpunten inzake het overnamebod, de liquidatie en sanering van kredietinstellingen en verzekeringsondernemingen; verder is de richtlijn inzake e-geld onlangs aangenomen;

- heeft de Commissie voorstellen ingediend voor nieuwe regels voor overheidsopdrachten en voor de volgende fase van de liberalisering van de postdiensten; zij zal binnenkort nieuwe voorstellen indienen voor hervorming van de telecommunicatiesector en voor een Gemeenschapsoctrooi, alsmede voor het gebruiksmodel.

27. Thans moet aan andere aspecten verder worden gewerkt. De Commissie wordt derhalve verzocht:

- tegen maart 2001 een verslag voor te leggen over de ontwikkeling van de energiemarkten overeenkomstig de strategie van Lissabon;

- de werkzaamheden van de Groep op hoog niveau inzake één enkel Europees luchtruim voort te zetten teneinde in de eerste helft van 2001 een eindverslag voor te leggen en passende voorstellen in te dienen.

28. De Europese Raad beklemtoonde dat in een dynamische interne markt rekening moet worden gehouden met de belangen en de betekenis van openbare diensten van algemeen belang. In dit verband herhaalde hij zijn verzoek aan de Commissie om haar mededeling van 1996 over openbare diensten van algemeen belang te actualiseren. Hij verwacht dat de bijgewerkte mededeling uiterlijk op de volgende bijeenkomst in Biarritz zal worden voorgelegd.

29. De Raad en het Europees Parlement wordt verzocht vaart te zetten achter de werkzaamheden in verband met de richtlijn inzake het witwassen van geld en de richtlijn betreffende icbe's. De Commissie wordt aangespoord voorstellen in te dienen voor één enkele vergunning voor uitgevende instellingen (richtlijn toelatingsprospectus), een nieuwe strategie voor de verslaglegging om de vergelijkbaarheid van jaarrekeningen van beursgenoteerde ondernemingen te verbeteren, en maatregelen ter bevordering van het vertrouwen van de consument in financiële diensten, waaronder verkoop op afstand en elektronische handel.

30. De Europese Raad is ingenomen met de snelle uitvoering van het "Initiatief Innovatie 2000" door de Europese Investeringsbank en de bijdrage die hiermee wordt geleverd aan de ontwikkeling van een kenniseconomie en aan sociale samenhang. Hij doet een beroep op de bank om haar inspanningen voort te zetten in samenwerking met de nationale en regionale autoriteiten, de financiële wereld en de Commissie.

31. De Europese Raad beklemtoont de rol van overheden, administratieve maatregelen en betere regelgeving bij het verbeteren van het concurrentievermogen van de Unie en de lidstaten, waardoor wordt bijgedragen tot economische groei en werkgelegenheid. De Europese Raad moedigt de lidstaten aan de kwaliteit en de prestaties van het openbaar bestuur te beoordelen met het oog op de totstandbrenging van een Europees stelsel voor benchmarking en beste praktijken.

B. Modernisering van het Europese sociale model door investering in mensen en de opbouw van een actieve welvaartstaat

Onderwijs en opleiding voor wonen en werken in de kennismaatschappij

32. De Europese Raad is verheugd over de mededeling van de Commissie betreffende e-learning en onderschrijft de richtsnoeren van de Raad betreffende toekomstige taken en doelstellingen van onderwijsstelsels in de cognitieve samenleving. Deze bieden een kader voor de opstelling van het breder opgezette verslag over onderwijs dat in het voorjaar van 2001 aan de Europese Raad moet worden voorgelegd, alsmede een methode voor de verbetering van de bijdrage van onderwijsbeleidsmaatregelen aan het proces van Luxemburg.

33. Levenslang leren is als beleidsdoelstelling van essentieel belang voor de ontwikkeling van burgerschap, sociale cohesie en werkgelegenheid. De lidstaten, de Raad en de Commissie wordt verzocht binnen het bestek van hun bevoegdheden coherente strategieën en praktische maatregelen ter stimulering van levenslang leren voor iedereen te bepalen, de betrokkenheid van de sociale partners te bevorderen, het volledige potentieel aan publieke en private financiering te mobiliseren en hoger onderwijs voor meer mensen toegankelijker te maken als onderdeel van een strategie inzake levenslang leren.

Ontwikkeling van het actieve werkgelegenheidsbeleid

34. De EU heeft thans wezenlijk verbeterde werkgelegenheidsvooruitzichten. Inspanningen om de Europese werkgelegenheidsstrategie verder te versterken door de evaluatie halverwege van het proces van Luxemburg moeten bijdragen tot de herziening van de werkgelegenheidsrichtsnoeren voor 2001. In dit verband wordt de sociale partners verzocht een meer toonaangevende rol te spelen bij de bepaling, de uitvoering en de evaluatie van de werkgelegenheidsrichtsnoeren die van hen afhangen, en zich met name te richten op modernisering van de werkorganisatie, levenslang leren en verhoging van de participatiegraad, met name van vrouwen.

Modernisering sociale bescherming, bevordering sociale insluiting

35. Een aantal prioriteiten is in dit verband al bepaald:

- wat de toekomstige ontwikkeling van de sociale bescherming betreft, dient bijzondere aandacht te worden besteed aan de houdbaarheid van pensioenstelsels door de bepaling van twee actielijnen die gericht zijn op betere voorspelling van toekomstige tendensen en op het verkrijgen van een grondig inzicht in recente, huidige of verwachte nationale strategieën voor pensioenhervorming;

- wat de bevordering van sociale insluiting betreft, dient een kader met passende doelstellingen te worden bepaald om de effecten van het in de lidstaten toegepaste sociale beleid te evalueren, en dienen indicatoren te worden bepaald als gemeenschappelijke ijkpunten in de bestrijding van sociale uitsluiting en de uitroeiing van armoede.

 

36. De ontwikkeling en het systematische volgen van de communautaire werkzaamheden terzake zullen worden verbeterd door de recente instelling van het Comité voor sociale bescherming en regelmatige besprekingen, alsmede door stimulering van de samenwerking tussen de lidstaten via een open coördinatiemethode waarbij nationale actieplannen worden gecombineerd met een communautair programma ter bestrijding van sociale uitsluiting. Wat dit laatste betreft, wordt de Raad verzocht het recente Commissievoorstel voor dit programma snel aan te nemen. Tevens dienen de sociale partners op passende wijze bij de lopende werkzaamheden te worden betrokken. In de conclusies van de top van Lissabon deed de Europese Raad een bijzonder beroep op de collectieve zin voor sociale verantwoordelijkheid van het bedrijfsleven. De Europese Raad neemt met voldoening nota van de actie die naar aanleiding daarvan wordt ondernomen, en is verheugd over de aanvang die is gemaakt met het opzetten van een netwerk voor een Europese dialoog over de bevordering van de collectieve zin voor sociale verantwoordelijkheid van het bedrijfsleven. De Europese Raad neemt met voldoening nota van de politieke overeenstemming die onlangs in de Raad is bereikt over een richtlijn tot instelling van een juridisch kader voor de bestrijding van discriminatie op grond van ras of etnische oorsprong.

Europese sociale agenda

37. Het door de Commissie voorgestelde ontwerp voor een Europese sociale agenda zal voorzien in een meerjarenkader voor maatregelen op sociaal gebied. De Raad wordt verzocht de agenda met voorrang te bespreken zodat hij door de Europese Raad van Nice kan worden goedgekeurd.

C. Verbetering van de werkmethoden

38. De uitvoering, het volgen van de vorderingen en de follow-up van de strategie van Lissabon zullen plaatsvinden binnen het bestaande institutionele kader en zullen worden geconsolideerd door:

- het verbeteren van de coördinatie tussen de verschillende formaties van de Raad en het waarborgen van nauwe samenwerking tussen het voorzitterschap van de Raad en de Commissie, onder algemene leiding van de Europese Raad, in overeenstemming met de door de Europese Raad in Helsinki goedgekeurde aanbevelingen;

- het ontwikkelen en verbeteren vanuit methodologisch oogpunt van de open coördinatiemethode, waar passend binnen het kader van de Raad, als een van de mogelijke instrumenten op beleidsgebieden als informatiemaatschappij, onderzoek, innovatie, ondernemingsbeleid, economische hervormingen, onderwijs, werkgelegenheid en sociale insluiting;

- de indiening door de Commissie, vóór eind september, van een verslag over de voorgestelde aanpak voor indicatoren en benchmarks, zowel in afzonderlijke beleidssectoren als voor gebruik in het syntheseverslag aan de Europese Raad in het voorjaar, om te zorgen voor de nodige samenhang en standaardpresentatie.

D. Voorjaarsbijeenkomst van de Europese Raad

39. De Europese Raad ziet uit naar zijn eerste periodieke voorjaarsbijeenkomst over het economisch en sociaal beleid in Stockholm in 2001, waarbij zal worden uitgegaan van het door de Commissie in te dienen jaarlijks syntheseverslag en rekening zal worden gehouden met de bijdragen van de verschillende formaties van de Raad. De sociale partners dienen ook de gelegenheid te krijgen zich vóór de bijeenkomst van de Europese Raad met deze materie bezig te houden.

III. ECONOMISCHE, FINANCIËLE EN MONETAIRE ZAKEN

A. Globale richtsnoeren voor het economisch beleid

40. De Europese Raad is ingenomen met de voor 2000 vastgestelde globale richtsnoeren voor het economisch beleid voor de Gemeenschap en de lidstaten. Zoals gememoreerd door de Europese Raad van Lissabon beogen deze richtsnoeren de handhaving van op groei en stabiliteit gericht macro-economische beleid, toename van het groeipotentieel van de Unie, verbetering van de kwaliteit en de houdbaarheid van de overheidsfinanciën en voortzetting van vèrstrekkende en alomvattende hervormingen van de markten voor producten, kapitaal en arbeid. De globale richtsnoeren bouwen voort op de strategie van Lissabon en dragen er daardoor toe bij dat mettertijd het hoofd kan worden geboden aan de uitdagingen in verband met het herstel van de volledige werkgelegenheid, de bevordering van de overgang naar een kenniseconomie, de voorbereiding op de gevolgen van de vergrijzing en de bevordering van de sociale cohesie. Tevens zijn zij bevorderlijk voor de synergie tussen de processen van Keulen, Cardiff en Luxemburg.

41. De Europese Raad verzoekt de Raad ECOFIN uitvoering te geven aan zijn conclusies betreffende de praktische maatregelen die moeten worden genomen om de coördinerende rol van de globale richtsnoeren voor het economisch beleid te versterken, zulks in nauwe samenwerking met de andere relevante Raadsformaties en door aandacht te besteden aan de relatie tussen structurele en macro-economische beleidsmaatregelen. De macro-economische dialoog dient eveneens te worden verbeterd.

B. Belastingpakket

42. De Europese Raad hecht zijn goedkeuring aan het verslag van de Raad ECOFIN over het belastingpakket (zie bijlage IV), de verklaringen voor de Raadsnotulen en het akkoord over de beginselen en richtsnoeren van dat pakket. Hij onderschrijft het tijdschema, dat voorziet in een geleidelijke ontwikkeling van de uitwisseling van informatie als de grondslag voor de belasting op inkomsten uit spaargelden van niet-ingezetenen. De Europese Raad verzoekt de Raad ECOFIN vastberaden verder te werken aan alle onderdelen van het belastingpakket teneinde zo spoedig mogelijk en uiterlijk eind 2002 een volledig akkoord te bereiken over de aanneming van de richtlijnen en de uitvoering van het belastingpakket als geheel.

C. Toetreding van Griekenland tot de euro

43. De Europese Raad feliciteert Griekenland met de in de afgelopen jaren gerealiseerde convergentie, die gebaseerd is op een goed economisch en financieel beleid, en is verheugd over het besluit dat Griekenland zich op 1 januari 2001 zal toetreden tot de eurozone, waarmee nog een positieve stap in de monetaire integratie van de Unie wordt gezet.

IV. EUROPA EN DE BURGER

A. Volksgezondheid en voedselveiligheid

44. De Europese Raad bevestigt de noodzaak om een hoog niveau van bescherming van de menselijke gezondheid te verzekeren bij de vaststelling en uitvoering van het beleid van de Unie op alle terreinen.

45. De Europese Raad neemt nota van het verslag van het voorzitterschap over de werkzaamheden in verband met het Witboek van de Commissie over voedselveiligheid. Het voedselveiligheidsbeleid moet van toepassing zijn op de gehele voedselketen van mens en dier en steunen op een onafhankelijke Europese voedselautoriteit die het preventief toezicht van de nationale autoriteiten aanvult. De Raad zal onverwijld de Commissievoorstellen betreffende de uitvoering van het Witboek onderzoeken zodat uiterlijk in 2002 een voedselwetgeving van kracht is die voldoet aan de hoogste eisen op het vlak van de volksgezondheid en voortbouwt op de resultaten die in de lidstaten reeds zijn bereikt. Het eerste van deze voorstellen, dat betrekking heeft op de instelling van een Europese voedselautoriteit, wordt uiterlijk september 2000 verwacht. De Europese Raad verzoekt de Commissie in de tussentijd voorstellen in te dienen voor de harmonisatie van maximumwaarden voor contaminanten. De Europese Raad neemt tevens akte van het verslag van het voorzitterschap over de geboekte vooruitgang betreffende de mededeling van de Commissie over de toepassing van het voorzorgsbeginsel met het oog op de bespreking daarvan tijdens de Europese Raad van Nice.

B. Milieu en duurzame ontwikkeling

46. De Europese Raad is verheugd over het in Montreal bereikte akkoord en over de ondertekening in Nairobi van het Protocol inzake bioveiligheid. Hij onderstreept het belang van het initiatief van de Gemeenschap om duurzaamheid op lokaal niveau te bevorderen en Agenda 21, aangenomen door de VN-conferentie over milieu en ontwikkeling in 1992 in Rio, toe te passen; hiermee wordt een kader gecreëerd voor de samenwerking tussen de Commissie en op Europees niveau georganiseerde netwerken van steden.

47. De Europese Raad beklemtoont het belang van een hernieuwde discussie over het stedelijk milieu en verzoekt de Commissie dit thema te behandelen in de voorstellen die zullen worden ingediend in het kader van het eind 2000 voor te leggen zesde milieu-actieprogramma.

48. Ingevolge de conclusies van Helsinki zal de Europese Raad tijdens zijn bijeenkomst in juni 2001 een alomvattende evaluatie wijden aan het proces van de integratie van milieubeschermingseisen en duurzame ontwikkeling in prioritair sectoraal beleid. Hij is ook voornemens tijdens die bijeenkomst aan de hand van een voorstel van de Commissie een strategie voor duurzame ontwikkeling aan te nemen.

C. Veiligheid op zee

49. De Europese Raad is verheugd over het voornemen van de Commissie om aan de Europese Raad in Biarritz verslag uit te brengen over de door haar voorgestelde algemene strategie inzake de veiligheid op zee opdat eind van dit jaar een besluit kan worden genomen.

D. Sport

50. De Europese Raad verzoekt de Commissie en de Raad om bij het beheer van gemeenschappelijke beleidsmaatregelen rekening te houden met de specifieke kenmerken van de sport in Europa en de maatschappelijke functie daarvan.

E. Vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid

51. De Europese Raad bevestigt opnieuw zijn gehechtheid aan het scheppen van een ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid, als omschreven tijdens de bijeenkomst in Tampere. Bijgevolg:

- onderschrijft hij het Actieplan van de EU inzake drugsbestrijding als een essentieel instrument voor de omzetting van de EU-drugsstrategie voor 2000-2004 in concrete maatregelen die een daadwerkelijk, geïntegreerd en multidisciplinair antwoord op het drugsprobleem vormen. De lidstaten worden opgeroepen, in samenwerking met het Europees Waarnemingscentrum voor drugs en drugsverslaving, hun inspanningen op te voeren om betrouwbare en vergelijkbare informatie over de belangrijkste epidemiologische indicatoren te verstrekken teneinde de gevolgen van drugsproblemen beter te evalueren;

- keurt hij het verslag goed over de externe prioriteiten van de Europese Unie op het gebied van justitie en binnenlandse zaken die moeten worden geïntegreerd in de algemene externe strategie van de Unie om bij te dragen tot de totstandbrenging van de ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid. Hij verzoekt om in het verslag dat hem ingevolge de conclusies van Tampere in december 2001 zal worden voorgelegd, een hoofdstuk te wijden aan de implementatie van deze externe dimensie;

- spreekt hij zijn afschuw uit over de noodlottige gevallen van terrorisme in Europa, spreekt hij zijn diepe medeleven uit met de families van de slachtoffers en herhaalt hij met klem voornemens te zijn de bestrijding van terrorisme op nationaal en Europees niveau voort te zetten. Daartoe is de Europese Raad vastbesloten alle mogelijkheden van de verdragen ten volle te benutten teneinde de samenwerking tussen de lidstaten op dit gebied in een geest van solidariteit te versterken en te intensiveren.

52. De Europese Raad heeft zijn ontzetting uitgesproken over de tragische dood van 58 onderdanen van derde landen die het Verenigd Koninkrijk zijn binnengekomen. Hij veroordeelde de criminele handelingen van degenen die van een dergelijke mensensmokkel profiteren en zegde toe dat de Europese Unie zich zal inzetten voor versterkte samenwerking om deze vorm van grensoverschrijdende criminaliteit, die in heel Europa reeds zoveel andere personen het leven heeft gekost, uit te roeien. Hij riep het komende Franse voorzitterschap en de Commissie op om spoedig uitvoering te geven aan de conclusies van Tampere op dit gebied, met name door nauwe samenwerking tussen de lidstaten en Europol bij het opsporen en ontmantelen van de bij deze smokkel betrokken criminele netwerken en het opleggen van strenge straffen aan degenen die bij deze ernstige en verachtelijke criminaliteit betrokken zijn.

F. De ultraperifere gebieden

53. De Europese Raad heeft nota genomen van het werkprogramma van de Commissie met het oog op de uitvoering van de maatregelen waarmee wordt beoogd artikel 299, lid 2, van het Verdrag betreffende de ultraperifere gebieden uit te voeren. Hij verzoekt de Commissie de door de lidstaten verstrekte of nog te verstrekken inlichtingen te bestuderen teneinde de maatregelen te treffen die onder haar bevoegdheid vallen en aan de Raad ten spoedigste passende voorstellen voor te leggen, die zo spoedig mogelijk moeten worden aangenomen. De Europese Raad zal tijdens de bijeenkomst in Nice in december 2000 de geboekte vooruitgang bespreken.

G. Statuut van de leden van het Europees Parlement

54. De Europese Raad is ingenomen met de resultaten die onlangs zijn geboekt met het oog op de opstelling van een statuut voor de Europese afgevaardigden dat hen in hun rol bevestigt en hun ambtsuitoefening transparanter maakt. De Europese Raad verzoekt het komende voorzitterschap de besprekingen hierover voort te zetten op basis van de reeds geboekte vooruitgang teneinde zo snel mogelijk tot een eindresultaat te komen.

V. EXTERNE BETREKKINGEN

A. Rusland

55. Een sterk en gezond partnerschap tussen de Unie en Rusland moet worden gehandhaafd en moet gebaseerd zijn op gemeenschappelijke waarden, met name eerbiediging van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden. De Europese Raad is ingenomen met het positieve resultaat van de top EU-Rusland van 29 mei 2000 en biedt president Poetin en de nieuwe Russische regering zijn steun aan in hun streven om hun land te moderniseren en te hervormen. Democratische instellingen, de rechtsstaat, een marktgerichte economie met een doeltreffend regelgevend kader en efficiënte belastingstructuren, en toetreding tot de WTO vormen de beste weg om het voor de succesvolle ontwikkeling van de Russische economie noodzakelijke vertrouwen van de investeerders op te bouwen en te behouden. In dit verband zijn de door de lidstaten en de Commissie gedane voorstellen welkom. Onafhankelijke media moeten gelegenheid krijgen om een belangrijke rol in een open en democratische samenleving te spelen.

56. De Unie is bereid om Rusland bij te staan bij het nastreven van deze ambities, doelstellingen en verbintenissen, en om de samenwerking met Rusland uit te breiden op basis van haar gemeenschappelijke strategie en van de partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst. Hiertoe verzoekt de Europese Raad de Raad en de Commissie de toestand in juli opnieuw te bekijken en de nodige besluiten te nemen over TACIS en andere instrumenten. De Europese Raad neemt met voldoening nota van de samenwerking inzake internationale problemen die met Rusland is bereikt, in het bijzonder wat betreft de Westelijke Balkan.

57. De Europese Unie herinnert eraan dat de wil van de Unie om met Rusland een sterk partnerschap te bouwen inhoudt dat er een open, op vertrouwen gebaseerde dialoog wordt gevoerd. In dit verband roept de Europese Raad Rusland op om zijn toezeggingen en verplichtingen met betrekking tot het aanhoudende conflict in Tsjetsjenië na te komen. Deze omvatten het vermijden van buitensporig gebruik van geweld en van eventuele uitbreiding van het conflict, het nastreven van een politiek proces met deelname van verkozen Tsjetsjeense vertegenwoordigers, een daadwerkelijk onafhankelijk onderzoek naar schendingen van de mensenrechten, samenwerking met de Raad van Europa, steun voor de Assistance Group van de OVSE bij het uitvoeren van haar volledig mandaat en verzekering van de veilige verstrekking van humanitaire hulp. Alleen door een politieke oplossing kan aan deze crisis een einde komen.

B. Gemeenschappelijke strategie voor het Middellandse-Zeegebied

58. De Europese Raad heeft een besluit genomen betreffende een gemeenschappelijke strategie van de Europese Unie voor het Middellandse-Zeegebied (zie bijlage V). De gemeenschappelijke strategie zal het beleid en de activiteiten van de Unie sturen bij de ontwikkeling van het bij de Verklaring van Barcelona opgerichte Europees-mediterrane partnerschap en het daaropvolgende acquis, zowel in bilaterale als in regionale onderdelen, alsmede de consolidatie van vrede, stabiliteit en veiligheid in het Midden-Oosten na een alomvattende vredesregeling. Hij geeft op die wijze uiting aan de vastberadenheid van de Unie om een coherent beleid ten aanzien van deze regio op actieve wijze voort te zetten. De Unie zal het streven van de partijen om vredesakkoorden in het Midden-Oosten te sluiten en uit te voeren, blijven ondersteunen.

C. Vredesproces in het Midden-Oosten

59. De Europese Raad is van mening dat er een echte mogelijkheid bestaat om in het Midden-Oosten een rechtvaardige, duurzame en alomvattende vrede te bereiken, gebaseerd op de principes die zijn vastgesteld in het kader van de overeenkomsten van Madrid en Oslo en latere overeenkomsten en in overeenstemming met de betrokken VN-resoluties.

60. De Europese Raad roept premier Barak en president Arafat op hun streven op te voeren met het oog op het sluiten binnen het afgesproken tijdschema van een alomvattende overeenkomst die alle kwesties rond de definitieve status regelt en zo een einde maakt aan het conflict en de weg effent naar verzoening.

61. In dit streven is de persoonlijke inzet van de leiders van Israël en van de Palestijnse Autoriteit, alsook hun voortdurend wederzijds vertrouwen, van het allergrootste belang. De Europese Raad beklemtoont dan ook de noodzaak van een volledige uitvoering van de gemaakte afspraken, zoals de derde terugtrekking, en herinnert aan de verklaring van de Raad van 22 mei.

62. De Europese Raad memoreert eveneens zijn verklaring van 25 maart 1999 in Berlijn. Het is bij de lopende bespreking van de kwesties rond de definitieve status van bijzonder belang dat de levensvatbaarheid van een daaruit voortvloeiende Palestijnse staat volledig in aanmerking wordt genomen.

63. In Helsinki was de Europese Raad ingenomen met het moedige besluit van wijlen president Hafez al-Assad en premier Ehud Barak om de onderhandelingen tussen Israël en Syrië te hervatten. De Europese Raad roept het nieuwe Syrische leiderschap en de Israëlische regering op werk te maken van de strategische keuze voor vrede.

64. De Europese Raad is ingenomen met de recente terugtrekking van Israël uit Libanon in overeenstemming met Resolutie 425 en met het feit dat Israël voldaan heeft aan de door de secretaris-generaal van de VN in zijn verslag van 22 mei 2000 gestelde voorwaarden. Hij roept alle betrokken partijen op om met de VN en UNIFIL samen te werken en zich te onthouden van handelingen en verklaringen die hun inspanningen in gevaar kunnen brengen.

65. De Europese Raad verzoekt de Raad om aan de hand van voorstellen van de secretaris-generaal/hoge vertegenwoordiger, bijgestaan door de speciale gezant en de Commissie, te onderzoeken hoe de Europese Unie het streven van Libanon naar verzoening en rehabilitatie kan ondersteunen en daartoe kan bijdragen.

D. Westelijke Balkan

66. De Europese Unie is ingenomen met het verslag van de secretaris-generaal/hoge vertegenwoordiger, onder het gezag van het voorzitterschap en de Raad en in volledige samenwerking met de Commissie, betreffende de Westelijke Balkan en steunt hen krachtig in hun streven om te zorgen voor de doeltreffendheid, de samenhang en de zichtbaarheid van het beleid van de Unie op de Westelijke Balkan. Hij verzoekt hun actief werk te maken van de in hun verslag genoemde initiatieven en prioriteiten.

67. De Europese Raad bevestigt dat zijn doel een zo volledig mogelijke integratie van de landen van deze regio in de politieke en economische hoofdstroom van Europa blijft, via het stabilisatie- en associatieproces, politieke dialoog, liberalisering van de handel en samenwerking inzake justitie en binnenlandse zaken. Alle betrokken landen zijn potentiële kandidaten voor het lidmaatschap van de EU. De Unie zal het stabilisatie- en associatieproces steunen door het verlenen van technische en economische hulp. De Commissie heeft reeds voorstellen aan de Raad voorgelegd om de procedures voor het verlenen van bijstand en voor de spoedige toekenning van asymmetrische handelsvoordelen op het gebied van industrie en landbouw tot de Balkanstaten te stroomlijnen en te versnellen.

68. De Europese Raad moedigt de staten van de regio aan hun regionale samenwerking, onder meer door regionale handelsovereenkomsten, op te voeren. De EU is bereid haar samenwerking met deze landen te intensiveren, onder meer inzake economische en financiële bijstand, politieke dialoog, vrijhandel, afstemming op de EU-wetgeving en samenwerking op andere beleidsgebieden.

69. De Europese Raad verzoekt de secretaris-generaal/hoge vertegenwoordiger onder het gezag van het voorzitterschap en de Raad en in volledige samenwerking met de Commissie actie te ondernemen op basis van het mandaat van Lissabon, met name wat betreft nauwere samenwerking op het gebied van justitie en binnenlandse zaken en op andere gebieden.

70. De Europese Raad herhaalt zijn steun aan de democratische en economische hervormingen in Kroatië en ziet uit naar de spoedige opening van onderhandelingen over een stabilisatie- en associatieovereenkomst. Hij verwelkomt de vooruitgang die de FYROM heeft geboekt in de onderhandelingen voor een SAO en beklemtoont het belang dat hij hecht aan de onschendbaarheid van grenzen, in het bijzonder aan de territoriale integriteit van de FYROM. De Europese Raad roept de Albanese regering op haar inspanningen voort te zetten ten aanzien van de kwesties die in de haalbaarheidsstudie van de Commissie aan de orde worden gesteld, en neemt nota van de "wegenkaart" voor Bosnië-Herzegovina, die aangeeft waar verdere vooruitgang nodig is om volledig profijt te kunnen trekken van stabilisatie en associatie.

71. Een democratische, coöperatieve FRJ die met haar buren in vrede leeft, zal een welkom lid zijn van de Europese familie van democratische naties. De Europese Raad steunt de initiatieven van de civiele samenleving en de democratische krachten in Servië in hun strijd om dat doel te bereiken en roept hen op verenigd te blijven en hun samenwerking te intensiveren. De Unie kijkt uit naar het ogenblik waarop de FRJ in staat zal zijn ten volle deel te nemen aan het stabilisatie- en associatieproces.

72. Geconfronteerd met de zware economische en politieke druk die Belgrado uitoefent, zal de EU Montenegro's inspanningen voor democratische en economische hervormingen blijven steunen, en zij juicht het door de Montenegrijnse regering gevoerde beleid van etnische verdraagzaamheid en regionale samenwerking toe.

73. Eén jaar na de aanneming van Resolutie 1244 van de Veiligheidsraad herhaalt de Europese Raad zijn steun voor volledige uitvoering van de resolutie en voor vrije en eerlijke gemeenteraadsverkiezingen in Kosovo later dit jaar, die door de bevoegde internationale organen zorgvuldig moeten worden voorbereid en naar behoren gecontroleerd. Extremistisch geweld zal niet worden getolereerd. Hij roept plaatselijke leiders met kracht op hun verantwoordelijkheid te nemen door actief bij te dragen tot de vestiging van een multi-etnische, tolerante samenleving waar vluchtelingen en ontheemden kunnen terugkeren en waar alle mensen van Kosovo in veiligheid kunnen leven.

74. De Europese Raad benadrukt de noodzaak om de regionale samenwerking verder te versterken en bevestigt de vastberadenheid van de Unie om in het Stabiliteitspact een leidende rol te blijven spelen. Hij verwelkomt de aanneming van de "Agenda voor stabiliteit" in Thessaloniki als een kader voor het toekomstige optreden. Het Bureau voor Wederopbouw moet als een instantie die het toekomstige CARDS-programma uitvoert, van zijn volledige potentieel gebruik kunnen maken om de in Keulen gestelde doelen te bereiken.

75. De Europese Raad verwelkomt het voorstel van Frankrijk voor een topontmoeting tussen de Europese Unie en de landen van de Westelijke Balkan die, zij het niet allemaal in dezelfde mate, het verst zijn gevorderd in hun democratische ontwikkeling. Een dergelijke top zou de landen van de regio opnieuw kunnen overtuigen van de solidariteit van Europa en er zou met hen kunnen worden onderzocht met welke middelen het proces van democratische en economische hervormingen kan worden bespoedigd. De Europese Raad verzoekt de Raad, bijgestaan door de secretaris-generaal/hoge vertegenwoordiger en de Commissie, te beginnen met de voorbereiding van een dergelijke topontmoeting.

E. Noordelijke dimensie

76. De Europese Raad onderschrijft het actieplan voor de Noordelijke dimensie in het externe en grensoverschrijdende beleid van de Europese Unie 2000-2003 als een belangrijke stap voor de uitvoering van de in Keulen aangenomen richtsnoeren. Hij verzoekt de Commissie een leidende rol te spelen bij de uitvoering van het actieplan, en passende vervolgvoorstellen in te dienen, onder meer inzake milieu en nucleaire veiligheid, bestrijding van internationale criminaliteit en Kaliningrad. Hij verheugt zich over het voornemen van het toekomstige Zweedse voorzitterschap om samen met de Commissie een volledig verslag voor de Raad op te stellen over het beleid in verband met de noordelijke dimensie, ter voorbereiding van de Europese Raad van Göteborg in juni 2001.

F. Afrika

77. Herinnerend aan de aanwezigheid van president Mandela in Cardiff, heette de Europese Raad Thabo Mbeki, de president van de Republiek Zuid-Afrika, hartelijk welkom als teken van de warme en sterker wordende betrekkingen tussen de EU en Zuid-Afrika.

78. De Europese Raad bevestigt na gesprekken met de Zuid-Afrikaanse president de tijdens de eerste top Afrika-Europa op 3 en 4 april in Kaïro gedane toezeggingen om een algemene dialoog op te bouwen op basis van een strategisch biregionaal partnerschap tussen Afrika en Europa dat de vele dimensies van hun relatie bestrijkt. De beide partijen hebben eraan herinnerd dat de follow-up van de top Afrika-Europa deze dimensies zal omvatten, waaronder kwesties in verband met de verlichting van schuld, en dat de passende mechanismen voor de uitvoering van de in Kaïro genomen besluiten spoedig zullen worden ingesteld. De Europese Raad is verheugd over het aanbod van Portugal om de volgende top Europa-Afrika onder het Griekse voorzitterschap in 2003 in Lissabon te organiseren.

79. De Europese Raad is het erover eens dat de uitdagingen waarvoor het Afrikaanse continent staat, buitengewone en continue inspanningen vergen van de landen van Afrika, die daarbij geholpen moeten worden door een sterke internationale inzet en samenwerking, en bevestigt zijn bereidheid om maatregelen die gericht zijn op snelle economische groei en duurzame ontwikkeling, te blijven steunen. Dit zal slechts mogelijk zijn in een geschikt klimaat van vrede, democratie, eerbiediging van de mensenrechten en de beginselen van de rechtsstaat.

80. De Europese Raad heeft de verklaring over Ethiopië en Eritrea in bijlage VI aangenomen.

 

__________________

BIJLAGEN BIJ DE

CONCLUSIES VAN HET VOORZITTERSCHAP

 

EUROPESE RAAD VAN SANTA MARIA DA FEIRA

19 EN 20 JUNI 2000

 

 

BIJLAGEN

 

 

Bijlage I Verslag van het voorzitterschap over de versterking

van het gemeenschappelijk Europees veiligheids-

en defensiebeleid bladzijde 3

 

 

Bijlage II Rapport van het voorzitterschap betreffende het

uitbreidingsproces bladzijde 24

 

 

Bijlage III Europees Handvest voor kleine bedrijven bladzijde 26

 

 

Bijlage IV Belastingpakket bladzijde 30

 

 

Bijlage V Gemeenschappelijke strategie van de Europese

Unie voor het Middellandse-Zeegebied bladzijde 33

 

 

Bijlage VI Verklaring over Ethiopië en Eritrea bladzijde 45

 

 

Bijlage VII Documenten voorgelegd aan de Europese Raad

van Santa Maria da Feira bladzijde 46

BIJLAGE I

VERSLAG VAN HET VOORZITTERSCHAP

OVER DE VERSTERKING VAN HET

GEMEENSCHAPPELIJK EUROPEES VEILIGHEIDS- EN DEFENSIEBELEID

 

I. INLEIDING

1. In Keulen heeft de Europese Raad verklaard vastbesloten te zijn de EU ten volle haar rol op het internationale toneel te laten spelen en daartoe de EU toe te rusten met de nodige middelen en vermogens om haar verantwoordelijkheden voor een gemeenschappelijk Europees beleid op het gebied van defensie en veiligheid op zich te nemen. Sinds Keulen bevindt de Europese Unie zich midden in het proces dat bedoeld is om de nodige middelen en vermogens op te bouwen waarmee zij beslissingen kan nemen en alle conflictpreventie- en crisisbeheersingstaken kan uitvoeren die in het Verdrag betreffende de Europese Unie zijn gedefinieerd (de zg. Petersbergtaken). Deze ontwikkelingen vormen een integraal onderdeel van de versterking van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid en zijn gebaseerd op de beginselen van Helsinki. De Unie zal overeenkomstig de beginselen van het Handvest van de Verenigde Naties bijdragen aan de internationale vrede en veiligheid.

2. Na de twee voortgangsverslagen van het Finse voorzitterschap over de militaire en niet-militaire aspecten van crisisbeheersing, inclusief het gemeenschappelijk Europees hoofddoel en de collectieve vermogensdoelstellingen te hebben goedgekeurd, heeft de Europese Raad van Helsinki het Portugese voorzitterschap gevraagd om samen met de secretaris-generaal/hoge vertegenwoordiger in de Raad Algemene Zaken prioritair verder te werken aan alle aspecten. Het Portugese voorzitterschap is gevraagd een eerste voortgangsverslag voor de Europese Raad van Lissabon op te stellen en een algemeen verslag voor de Europese Raad van Feira met daarin passende aanbevelingen en voorstellen, alsmede aan te geven of het Verdrag al dan niet moet worden gewijzigd.

3. Een eerste voortgangsverslag, dat een weergave bevat van de werkzaamheden van het voorzitterschap en de secretaris-generaal/hoge vertegenwoordiger in de Raad Algemene Zaken, is inmiddels voorgelegd aan de Europese Raad van Lissabon. Deze heeft de reeds geboekte vooruitgang verwelkomd en in het bijzonder het feit dat de interim-organen zijn opgericht en al daadwerkelijk functioneren, alsmede het feit dat de Raad een procedure heeft vastgesteld voor de uitwerking van het hoofddoel en het vaststellen van de nationale bijdragen zodat beantwoord kan worden aan het beoogde militaire vermogen.

4. De Europese Raad van Lissabon zag uit naar de verdere werkzaamheden van het voorzitterschap met de secretaris-generaal/hoge vertegenwoordiger in de Raad en eveneens naar het algemeen verslag van het voorzitterschap aan de Europese Raad van Feira, met daarin voorstellen voor de inschakeling van derde landen bij de militaire crisisbeheersing van de EU en de verdere ontwikkeling van de betrekkingen van de EU en de NAVO.

5. De Europese Raad van Lissabon sprak voorts zijn waardering uit voor wat er tot dusver bij de niet-militaire crisisbeheersing is bereikt en verzocht de Raad om vóór of tijdens de Europese Raad van Feira een comité voor civiele crisisbeheersing op te richten.

6. Sindsdien is verder gewerkt aan alle aspecten van militaire en niet-militaire crisisbeheersing en zijn er aanzienlijke vorderingen gemaakt, vooral met het vaststellen van de passende regelingen voor de deelname van derde landen aan de militaire crisisbeheersing van de EU en van de beginselen en modaliteiten voor de ontwikkeling van de betrekkingen tussen de EU en de NAVO. Het hoofddoel is verder uitgewerkt, er is een Comité voor de civiele aspecten van crisisbeheersing opgezet; er is binnen het secretariaat van de Raad een coördinatiemechanisme ingesteld dat volledig samenwerkt met de Commissiediensten; de studie ter omschrijving van de concrete doelstellingen qua civiele aspecten van crisisbeheersing is afgerond en er zijn concrete doelstellingen voor de civiele politie vastgesteld.

7. Het voorzitterschap legt hierbij zijn algemeen verslag voor aan de Europese Raad van Feira met in hoofdstuk II de militaire aspecten en in hoofdstuk III de niet-militaire aspecten van crisisbeheersing. Er is ook gewerkt aan de conflictpreventie. Men heeft erkend dat het nuttig zou zijn om te onderzoeken hoe de coherentie en efficiëntie van het EU-optreden inzake conflictpreventie kan worden verbeterd.

8. Tijdens de onder dit voorzitterschap verrichte werkzaamheden over de versterking van de militaire en niet-militaire crisisbeheersing en conflictpreventie is onderstreept hoe belangrijk het is dat er in het kader van de crisisbeheersing van de Unie uitgebreide contacten bestaan tussen de militaire en civiele componenten en dat er wordt samengewerkt tussen het zich snel ontwikkelende crisisbeheersingsvermogen van de EU en de VN, de OVSE en de Raad van Europa.

9. Bij de indiening van dit verslag heeft het voorzitterschap er rekening mee gehouden dat Denemarken het protocol bij het Verdrag van Amsterdam betreffende de positie van Denemarken heeft ingetrokken.

II. MILITAIRE ASPECTEN VAN CRISISBEHEERSING

A) Opstelling van het hoofddoel en de collectieve vermogensdoelstellingen

1. Wat de ontwikkeling van het hoofddoel en de collectieve vermogensdoelstellingen betreft is de Raad Algemene Zaken, versterkt met de ministers van Defensie, op 20 maart tot de conclusie gekomen dat de discussienota over de uitwerking van het hoofddoel, met inbegrip van het daarin opgenomen tijdschema voor een eind 2000 bijeen te roepen conferentie over de beschikbaarstelling van vermogens, een basis vormt voor de toekomstige werkzaamheden van de bevoegde instanties.

2. De Raad Algemene Zaken heeft op 13 juni, met de deelneming van de ministers van Defensie, de werkzaamheden van het Militair Interim-orgaan goedgekeurd en deze via het Interim-comité voor politieke en veiligheidsvraagstukken (ICPV) voorgelegd aan het eerste seminar van nationale deskundigen inzake defensieplanning dat van 22 tot en met 24 mei 2000 in Brussel is gehouden. De Raad heeft de bevoegde organen verzocht op deze grondslag verder te werken en heeft de volgende richtsnoeren voor de verdere activiteiten goedgekeurd:

- het hoofddoel en de collectieve vermogensdoelstellingen, die door de Europese Raad van Helsinki zijn overeengekomen, moeten door de 15 worden ontwikkeld conform de besluitvormingsautonomie van de EU en de vereisten qua militaire efficiëntie;

 

- het Militair Interim-orgaan zal onder de politieke leiding van het ICPV de elementen voorstellen die in het hoofddoel moeten worden verwerkt;

- hiertoe zal het Militair Interim-orgaan de vermogens in kaart brengen die de EU nodig heeft om alle Petersbergtaken te kunnen uitvoeren;

- bij de uitwerking van het hoofddoel en de collectieve vermogensdoelstellingen op basis van de bijdragen van de lidstaten zal het Militair Interim-orgaan, met inbegrip van vertegenwoordigers uit de hoofdsteden, ook vergaderingen beleggen met de DSACEUR en NAVO-deskundigen om voort te bouwen op de militaire know-how van de NAVO inzake de vereisten van het hoofddoel en de collectieve vermogensdoelstellingen;

- in dit verband zal daarnaast de ad-hoc groep vermogensdoelstellingen zorgen voor de nodige transparantie en de dialoog tussen de EU en de NAVO (bijlage 2);

- de door het Militair Interim-orgaan op het niveau van de CHOD goedgekeurde vereisten voor het hoofddoel zullen, na goedkeuring door de Raad, voor de lidstaten de grondslag vormen voor het overwegen van hun eerste aanbod voor de nationale bijdragen aan het hoofddoel. Deze bijdragen zullen door het Militair Interim-orgaan worden bestudeerd. Dit proces moet worden afgesloten vóór de bijeenroeping van de conferentie over de beschikbaarstelling van vermogens;

- voor de betrokken lidstaten zal het belangrijk zijn te zorgen voor coherentie met het defensieplanningsproces van de NAVO en het plannings- en toetsingsproces (PARP);

- conform de vaste wil die in Helsinki en Lissabon is uitgesproken, zullen de lidstaten, zodra de behoeften en de beschikbare middelen zijn vastgesteld, tijdens de conferentie over de beschikbaarstelling van vermogens aankondigen waartoe zij zich willen verbinden om de EU in staat te stellen het hoofddoel en de collectieve vermogensdoelstellingen te bereiken. Het zal ook van belang zijn een herzieningsmechanisme in te stellen om de vorderingen te meten naarmate die doelstellingen worden bereikt;

- de Europese Unie zal derde landen aanmoedigen om bij te dragen via bijkomende toezeggingen. Om deze landen in staat te stellen bij te dragen aan de verbetering van de Europese militaire vermogens, zullen er door het komende voorzitterschap passende regelingen worden getroffen met de betrekking tot de conferentie over de beschikbaarstelling van vermogens. Bij deze regelingen zal rekening worden gehouden met de vermogens van de zes NAVO-leden die geen lidstaat van de Europese Unie zijn. Het vermogensaanbod dat Turkije, Polen, Tsjechië en Noorwegen al hebben gedaan, wordt verwelkomd.

B) Aanbevelingen voor de institutionele ontwikkeling van de nieuwe permanente politieke en militaire organen die verband houden met het GEVDB binnen de EU

De tijdelijke politieke en militaire organen zijn op 1 maart 2000 ingesteld. In het licht van de sindsdien opgedane ervaring is er, overeenkomstig de conclusies van Helsinki, verder gewerkt aan de institutionele ontwikkeling van de nieuwe permanente politieke en militaire organen. Meer werkzaamheden zijn nog aan de gang, om ervoor te zorgen dat het operationele crisisbeheersingsvermogen van de EU zo spoedig mogelijk de permanente fase kan ingaan.

 

C) Voorstellen voor passende regelingen die de Raad moet treffen inzake de wijze van raadpleging en/of deelneming waardoor de betrokken derde staten kunnen bijdragen aan de militaire crisisbeheersing van de EU

Er zijn werkzaamheden verricht met betrekking tot de wijze van raadpleging en/of deelneming van de Europese NAVO-leden die geen lidstaat van de Europese Unie zijn en van andere landen die kandidaat-lidstaat van de EU zijn.

In dit verband was het de bedoeling om overeenkomstig de conclusies van Helsinki, regelingen vast te stellen voor dialoog, overleg en samenwerking inzake met crisisbeheersing verband houdende vraagstukken, met volledige inachtneming van de beslissingsautonomie van de EU. Deze regelingen zijn bedoeld voor de bijeenkomsten met bovengenoemde landen tijdens de overgangsperiode. Die bijeenkomsten zullen in één alomvattende structuur plaatsvinden en een aanvulling vormen op de bijeenkomsten in het kader van de versterkte politieke dialoog over GBVB-aangelegenheden. Binnen die structuur zal, als de behandelde materie zulks vereist, van gedachten worden gewisseld met Europese NAVO-leden die geen lidstaat van de EU zijn. Bij de regelingen voor de definitieve fase zal rekening worden gehouden met de diverse behoeften die tijdens de routinefase en in de operationele fase naar voren zijn gekomen. Het resultaat van de besprekingen in de Raad staat in bijlage 1 bij dit verslag.

Op 11 mei 2000 is van gedachten gewisseld tussen de directeuren politieke zaken van de EU-lidstaten en hun ambtgenoten van de Europese NAVO-leden buiten de EU en andere kandidaat-lidstaten, alsook tussen de directeuren politieke zaken van de EU-lidstaten en hun ambtgenoten van de Europese NAVO-leden buiten de EU.

Rusland, Oekraïne en andere Europese landen die met de Unie een politieke dialoog zijn aangegaan, alsook andere geïnteresseerde landen kunnen worden verzocht deel te nemen aan door de EU geleide operaties. In dit verband is de EU verheugd over de door Canada getoonde belangstelling.

Het Franse voorzitterschap wordt verzocht om samen met de secretaris-generaal/hoge vertegenwoordiger de werkzaamheden in de Raad Algemene Zaken voort te zetten teneinde aan de Europese Raad te Nice de eerste voorstellen te kunnen doen voor passende regelingen voor de raadplegings- en participatiemodaliteiten waardoor deze andere potentiële partners kunnen bijdragen aan door de EU geleide crisisbeheersing.

D) Voorstellen inzake de beginselen voor overleg met de NAVO over militaire aangelegenheden en aanbevelingen voor de ontwikkeling van modaliteiten voor de betrekkingen tussen de EU en de NAVO, om samenwerking inzake de adequate militaire respons op een crisis mogelijk te maken

De Raad heeft de beginselen vastgesteld op grond waarvan overleg en samenwerking met de NAVO moeten worden ontwikkeld. Wat de modaliteiten betreft, heeft de Raad aanbevolen dat de EU de NAVO zou voorstellen om vier "ad hoc groepen EU/NAVO" op te richten voor de in dit verband vastgestelde aangelegenheden: veiligheid, vermogensdoelstellingen, modaliteiten voor toegang van de EU tot NAVO-middelen en -vermogens en vaststelling van definitieve regelingen voor het overleg tussen EU en NAVO.

De bevindingen van de Raad dienaangaande staan in bijlage 2 bij dit verslag.

E) De vraag of er al dan niet een verdragswijziging nodig is

Luidens de bestaande bepalingen van het VEU maken de veiligheidsvraagstukken van de Unie, met inbegrip van de geleidelijke bepaling van een gemeenschappelijk defensiebeleid, deel uit van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid, dat onder titel V van het Verdrag valt. Op grond daarvan heeft de Raad besloten het Interim-comité voor politieke en veiligheidsvraagstukken en het Militair Interim-orgaan op te richten, alsook het Raadssecretariaat te versterken met door de lidstaten gedetacheerde militaire deskundigen. Artikel 17 VEU bepaalt uitdrukkelijk dat de Petersbergtaken tot het GBVB behoren. Het voorzitterschap heeft nota genomen van het advies van de juridische dienst van de Raad, waarvan de conclusie als volgt luidt:

"De juridische dienst van de Raad is van mening dat de conclusies van de Europese Raad van Keulen en Helsinki betreffende het Europees veiligheids- en defensiebeleid ten uitvoer kunnen worden gebracht zonder dat het juridisch noodzakelijk is het Verdrag betreffende de Europese Unie te wijzigen. Zulke wijzigingen zijn echter wel noodzakelijk indien het de bedoeling is om de beslissingsbevoegdheid van de Raad over te dragen aan een orgaan van ambtenaren, of om de verdragsbepalingen betreffende de WEU te wijzigen. Verder dienen de lidstaten zelf uit te maken of wijzigingen van het verdrag politiek wenselijk of uit operationeel oogpunt opportuun zijn."

Het voorzitterschap stelt voor om de kwestie van een herziening van het Verdrag te blijven bestuderen in de periode tussen de Europese Raad van Feira en die van Nice.

III. CIVIELE ASPECTEN VAN CRISISBEHEERSING

1. Het voorzitterschap heeft samen met de secretaris-generaal/hoge vertegenwoordiger prioriteit gegeven aan het verzoek van de Europese Raad van Helsinki om voort te werken aan alle aspecten van civiele crisisbeheersing (zie bijlage 2 bij BIJLAGE IV van de Conclusies van Helsinki).

2. Deze werkzaamheden waren erop gericht de niet-militaire crisisbestrijdingsinstrumenten van de Unie en de lidstaten te versterken en de coördinatie van die instrumenten te verbeteren, waarbij de nadruk vooral lag op snel reactievermogen. Een en ander zal tevens de bijdrage van de EU aan crisisbeheersingsoperaties onder leiding van internationale of regionale organisaties verbeteren.

3. Als concreet resultaat van dit intensieve werk zijn de volgende maatregelen genomen:

a) oprichting van een Comité voor de civiele aspecten van crisisbeheersing bij besluit van de Raad van 22 mei 2000. Het comité heeft voor het eerst vergaderd op 16 juni 2000 .

b) instelling bij het Raadssecretariaat van een coördinatiemechanisme dat ten volle samenwerkt met de Commissiediensten. Bij de verdere inventarisatie van de voor niet-militaire crisisbeheersing relevante middelen van de lidstaten en de Unie, heeft dit mechanisme topprioriteit gegeven aan de oprichting van een gegevensbank over burgerpolitievermogens om informatie op te slaan en uit te wisselen, initiatieven met betrekking tot deze vermogens te formuleren en beter de concrete doelstellingen voor collectieve niet-militaire reactie van de EU-lidstaten te bepalen. Het coördinatiemechanisme heeft de nauwe samenwerking met de door de secretaris-generaal/hoge vertegenwoordiger ingestelde interim-situatiecentrum/crisiscel verder ontwikkeld.

c) uitvoering van een studie (bijlage 3) om, rekening houdend met de tijdens recente en huidige crisissituaties opgedane ervaring, de expertise van de lidstaten en de resultaten van de studiebijeenkomst over civiele crisisbeheersing van 3-4 april 2000 in Lissabon, concrete doelstellingen voor de civiele aspecten van crisisbeheersing te bepalen. Deze studie brengt de prioriteiten in kaart waarop de EU haar gecoördineerde inspanningen in een eerste fase moet richten, zonder daarbij het gebruik uit te sluiten van alle andere instrumenten waarover de Unie en de lidstaten beschikken.

d) bepaling van concrete doelstellingen inzake burgerpolitievermogens (zie bijlage 4). Het is met name de bedoeling dat de lidstaten, in het kader van vrijwillige samenwerking, uiterlijk in 2003 in staat zijn om tot 5000 politiefunctionarissen in te zetten voor internationale missies in het kader van het hele scala van conflictpreventie- of crisisbeheersingsoperaties, waarbij wordt ingespeeld op de specifieke behoeften in de diverse stadia van deze operaties. Binnen het bestek van het algehele EU-vermogen stellen de lidstaten alles in het werk om binnen 30 dagen tot 1000 politiefunctionarissen te kunnen aanwijzen en inzetten. Ook zullen verder richtsnoeren en regels van de EU met betrekking tot internationaal politiewerk worden ontwikkeld.

4. Ter aanvulling van deze maatregelen heeft de Raad van de Commissie een voorstel ontvangen voor een verordening van de Raad tot instelling van de Snelle-reactiefaciliteit dat de EU-activiteiten moet ondersteunen, zoals dat in het verslag aan de Europese Raad van Helsinki was gesteld. Dat voorstel wordt momenteel besproken.

IV. FOLLOW-UP

1. Het Franse voorzitterschap wordt verzocht om samen met de secretaris-generaal/hoge vertegenwoordiger de werkzaamheden in de Raad Algemene Zaken over de versterking van het gemeenschappelijk Europees veiligheids- en defensiebeleid voort te zetten. Het Franse voorzitterschap wordt verzocht aan de Europese Raad van Nice verslag uit te brengen over met name:

a) de bepaling van het hoofddoel en de collectieve vermogensdoelstellingen, zoals in Helsinki is overeengekomen, waarbij ook rekening wordt gehouden met het resultaat van de conferentie over de beschikbaarstelling van vermogens die vóór de Europese Raad in Nice moet worden gehouden;

b) de oprichting van de permanente politieke en militaire structuren die zo spoedig mogelijk na de Europese Raad van Nice in het leven moeten worden geroepen;

c) de overname door de EU van de voor de uitvoering van de Petersbergtaken relevante taken van de WEU;

d) de uitvoering van de in Feira genomen besluiten over

- de regelingen voor overleg met en deelneming van derde landen aan door de EU geleide militaire crisisbeheersingsoperaties;

- de ontwikkeling van regelingen voor overleg en samenwerking met de NAVO inzake militair crisisbeheer op grond van de werkzaamheden van de relevante EU/NAVO ad hoc groepen;

e) de ontwikkeling en het gebruik van EU-vermogens inzake de civiele aspecten van crisisbeheersing, met inbegrip van de bepaling van concrete doelstellingen.

2. De kwestie van een verdragsherziening moet in de periode tussen de Europese Raad van Feira en die van Nice verder worden besproken.

3. De secretaris-generaal/hoge vertegenwoordiger en de Commissie worden verzocht om, als basis voor de verdere werkzaamheden, aan de Europese Raad van Nice concrete aanbevelingen te doen over de manier waarop de samenhang en de doeltreffendheid van het EU-optreden inzake conflictpreventie kan worden verbeterd, met volledige inachtneming en op basis van de bestaande instrumenten, vermogens en beleidslijnen.

 

 

_______________

AANHANGSEL 1

 

REGELINGEN DIE DE RAAD MOET AFSLUITEN OVER DE RAADPLEGINGS- EN/OF PARTICIPATIEMODALITEITEN WAARDOOR DE NIET TOT DE EU BEHORENDE EUROPESE NAVO-LEDEN EN DE ANDERE LANDEN

DIE KANDIDAAT ZIJN VOOR TOETREDING TOT DE EU KUNNEN BIJDRAGEN TOT

DE MILITAIRE CRISISBEHEERSING VAN DE EU

 

MANDAAT

1. In de conclusies van de Europese Raad van Helsinki wordt "het Portugese voorzitterschap verzocht aan de Europese Raad in Feira een voortgangsverslag voor te leggen, met onder meer () voorstellen voor passende regelingen die de Raad moet afsluiten over de raadplegings- en/of participatiemodaliteiten waardoor de betrokken derde landen kunnen bijdragen tot de militaire crisisbeheersing van de EU".

RICHTSNOEREN

2. De Unie zorgt in verband met door de EU geleide crisisbeheersing voor dialoog, overleg en samenwerking met de niet tot de EU behorende Europese NAVO-leden en de kandidaat-EU-lidstaten.

3. Er worden passende regelingen getroffen voor dialoog en informatie over met veiligheids- en defensiebeleid en crisisbeheersing verband houdende vraagstukken.

4. De beslissingsautonomie van de EU en haar eengemaakte institutionele kader worden ten volle geëerbiedigd.

5. Binnen één integrerende structuur kunnen de 15 betrokken landen (de niet tot de EU behorende NAVO-leden en de kandidaat-EU-lidstaten) met de EU dialogeren, overleggen en samenwerken.

6. Binnen deze structuur wordt er met de niet tot de EU behorende NAVO-leden van gedachten gewisseld wanneer het onderwerp zulks vereist, bijvoorbeeld over aangelegenheden betreffende de aard en de werking van door de EU geleide operaties met gebruikmaking van NAVO-middelen en -vermogen.

MODALITEITEN

7. Wat de modaliteiten betreft die voor de permanente fase vastgesteld moeten worden voor de participatie van de niet tot de EU behorende NAVO-leden en de kandidaat-lidstaten, moet er rekening gehouden worden met verschillende behoeften naar gelang van de situatie:

- routinefase, buiten enige crisissfeer: mechanisme voor regelmatige dialoog;

- operationele fase, bestaande uit twee stadia:

a) pre-operationele fase, waarin de opties voor een optreden overwogen worden en de dialoog en het overleg versterkt worden;

b) operationele fase in engere zin, die ingaat wanneer de Raad besluit een operatie te starten en er een ad hoc comité van contribuanten opgericht wordt.

Er moet ten volle rekening gehouden worden met de rol van de SG/HV in het GBVB en het GEVDB van de EU.

A. Voor de interimperiode

8. Zolang de modaliteiten voor de permanente fase niet zijn uitgevoerd, vinden er bijeenkomsten plaats met de 15 betrokken landen (de niet tot de EU behorende Europese NAVO-leden en de andere kandidaat-EU-lidstaten) binnen de ene integrerende structuur, genoemd in punt 5. De keuze van de passende vorm en modaliteiten wordt ingegeven door overwegingen van pragmatisme en efficiency, afhankelijk van de omstandigheden, het onderwerp en de behoeften.

9. Onder elk voorzitterschap worden er ten minste twee bijeenkomsten in EU+15-samenstelling over EVDB-aangelegenheden gehouden. Deze dienen ter aanvulling van de bijeenkomsten die gehouden worden als onderdeel van de versterkte politieke dialoog over GBVB-vraagstukken.

10. Binnen dit kader worden er onder elk voorzitterschap ten minste twee bijeenkomsten gehouden met de zes niet tot de EU behorende Europese NAVO-leden (in EU+6-samenstelling). Indien nodig, worden er bij besluit van de Raad of het interim-CPVV extra ontmoetingen georganiseerd.

11 Onder elk voorzitterschap vindt er met de 15 en met de 6 een ministeriële bijeenkomst binnen het in punt 8 genoemde kader plaats.

12. De in de punten 9 en 10 bedoelde ontmoetingen strekken tot de uitwerking van de hoofddoelstelling en de vermogensdoelstellingen en zijn tevens bedoeld om de niet-EU-lidstaten volledig te informeren over de aan de gang zijnde werkzaamheden in verband met de lijst van noodzakelijke middelen. Om die landen in staat te stellen bij te dragen aan de verbetering van de Europese militaire vermogens, treft het komende voorzitterschap passende regelingen in verband met de Capabilities Pledging Conference (conferentie over de beschikbaarstelling van vermogens). Deze regelingen hebben betrekking op de vermogens van de zes niet tot de EU behorende Europese NAVO-leden.

B. Voor de permanente fase

- Routinefase

13. In de routinefase wordt er van gedachten gewisseld over met het veiligheids- en defensiebeleid verband houdende vraagstukken en meer bepaald over de vorderingen die de EU gemaakt heeft met de vaststelling van haar crisisbeheersingsvermogens.

14. In de routinefase worden er halfjaarlijks georganiseerd:

- regelmatige bijeenkomsten in EU+15-samenstelling, op het passende niveau;

- ten minste twee bijeenkomsten met de niet tot de EU behorende Europese NAVO-leden in EU+6-samenstelling;

- indien nodig, extra ontmoetingen bij besluit van de Raad of het CPVV.

Het CPVV vervult een leidende rol bij de uitvoering van deze regelingen, die ook ontmoetingen op militair niveau omvatten.

15. De regelingen voor ministeriële bijeenkomsten in de permanente fase worden gebaseerd op de in de interimperiode opgedane ervaring.

16. De ontmoetingen vergemakkelijken de participatie van de betrokken landen in door de EU geleide operaties.

- Operationele fase

a) Pre-operationele fase

17. In geval van een crisis worden de dialoog en het overleg versterkt.

18. Wordt een door de EU geleide militaire crisisbeheersingsoperatie overwogen, dan vormt dit overleg het kader voor gedachtewisseling en debat over met de veiligheid verband houdende punten van zorg die door de betrokken landen aan de orde gesteld worden. Indien het gebruik van NAVO-middelen door de EU effectief overwogen wordt, gaat er bijzondere aandacht uit naar het overleg met de zes niet tot de EU behorende Europese NAVO-leden.

b) Operationele fase in engere zin

19. Wanneer de EU een besluit moet nemen over de militaire optie, gaat zij overeenkomstig de conclusies van Helsinki de eventuele participatie na van de niet tot de EU behorende Europese NAVO-leden en de kandidaat-EU-lidstaten:

"Indien de Raad besluit een operatie te starten, zullen de Europese NAVO-leden die geen EU-lidstaten zijn, zo zij dat wensen, deelnemen aan een operatie waarvoor NAVO-middelen en -vermogens moeten worden ingezet. Zij worden door een besluit van de Raad verzocht deel te nemen aan operaties waarbij de EU geen gebruik maakt van NAVO-middelen.

Andere landen die kandidaat zijn voor toetreding tot de EU kunnen eveneens door de Raad worden verzocht om deel te nemen aan door de EU geleide operaties zodra de Raad besloten heeft een dergelijke operatie te starten."

20. De operationele fase gaat in wanneer de Raad besluit een militaire crisisbeheersingsoperatie te starten. De niet tot de EU behorende Europese NAVO-leden en de kandidaat-EU-lidstaten die hebben bevestigd dat zij met inzet van significante militaire middelen aan een door de EU geleide operatie deelnemen, hebben dezelfde rechten en verplichtingen als de deelnemende EU-lidstaten bij de dagelijkse leiding en uitvoering van een dergelijke operatie.

21. Er wordt een ad hoc comité van contribuanten, samengesteld uit alle EU-lidstaten en de andere deelnemende landen, opgericht voor de dagelijkse leiding en uitvoering van die operatie. De Raad/het CPVV is verantwoordelijk voor de politieke controle en de strategische leiding van de operatie. Voor de militaire dagelijkse leiding en uitvoering van de operatie worden de functies en de rol van het EMC en de operatie-commandant omschreven in desbetreffende regelingen.

22. Het besluit om een operatie te beëindigen wordt genomen door de Raad na overleg tussen de deelnemende staten in het comité van contribuanten.

 

*

* *

23. De Raad formaliseert tijdig de vereiste regelingen en beraadt zich over de opties hiervoor.

 

__________

AANHANGSEL 2

 

BEGINSELEN VOOR OVERLEG MET DE NAVO OVER MILITAIRE AANGELEGENHEDEN EN AANBEVELINGEN INZAKE DE ONTWIKKELING VAN MODALITEITEN VOOR DE EU/NAVO-BETREKKINGEN

MANDAAT

De Europese Raad van Helsinki heeft het Portugese voorzitterschap verzocht aan de Europese Raad in Feira een voortgangsverslag voor te leggen, met onder meer "voorstellen over beginselen voor overleg met de NAVO over militaire aangelegenheden en aanbevelingen inzake de ontwikkeling van modaliteiten voor de EU/NAVO-betrekkingen, om samenwerking inzake de adequate militaire respons op een crisis, zoals vastgesteld in Washington en Keulen, mogelijk te maken".

BEGINSELEN

1. Het overleg en de samenwerking tussen de EU en de NAVO moeten met inachtneming van de autonomie van de communautaire besluitvorming worden ontwikkeld.

2. De EU en de NAVO hebben zich ertoe verbonden hun samenwerking bij militaire crisisbeheersing verder te versterken en te ontwikkelen op basis van gedeelde waarden, gelijkheid en in een geest van partnerschap. Doel is, te komen tot volledig en effectief overleg en volledige en effectieve samenwerking en transparantie, om snel besluiten te kunnen bepalen en nemen over de meest adequate militaire respons op een crisis en om een efficiënte crisisbeheersing te garanderen. In deze context zullen de EU-doelstellingen op het stuk van militaire vermogens en de doelstellingen die, voor de betrokken landen, voortvloeien uit het NAVO-Initiatief betreffende de Defensievermogens, elkaar wederzijds versterken.

3. De EU en de NAVO versterken elkaar wederzijds bij crisisbeheersing, maar zijn qua aard verschillende organisaties. Daar wordt rekening mee gehouden wanneer zij hun betrekkingen regelen en wanneer de EU de huidige procedures voor de WEU/NAVO-betrekkingen op hun mogelijke aanpassing aan een EU/NAVO-kader beoordeelt.

4. De regelingen en modaliteiten voor de EU/NAVO-betrekkingen weerspiegelen het feit dat beide organisaties elkaar op voet van gelijkheid behandelen.

5. In de betrekkingen tussen de EU en de NAVO als instellingen wordt geen enkele lidstaat gediscrimineerd.

AANGELEGENHEDEN EN MODALITEITEN VOOR DE INTERIMPERIODE

Tijdens de beginfase, toen de aandacht van de EU-interimorganen uitging naar hun eigen oprichting, vonden de contacten met de NAVO (informele contacten van SG's, briefings van het Portugese voorzitterschap tijdens de Noord-Atlantische Raad) in overeenstemming met de definitie van de Europese Raad van Helsinki plaats. Nu moeten de EU/NAVO-betrekkingen verder worden ontwikkeld.

A. Aangelegenheden

1. Veiligheid: het EU-streven om haar eigen veiligheidsregelingen (materiële en personele veiligheid, en het werk aan een EU-veiligheidsakkoord) te voltooien, hebben absolute voorrang. Tegen die achtergrond dient de Unie een dialoog op gang te brengen met de NAVO om de veiligheidsregelingen tussen beide organisaties te bepalen. Deze besprekingen moeten uitmonden in een akkoord, dat onder meer betrekking heeft op informatie-uitwisseling en toegang voor bepaalde functionarissen van de EU en haar lidstaten tot de planningstructuren van de NAVO.

2. Bepalen van vermogensdoelstellingen: om ervoor te zorgen dat "deze doelstellingen en de doelstellingen die, voor de betrokken landen, voortvloeien uit het Initiatief betreffende de Defensievermogens van de NAVO, elkaar wederzijds versterken", moeten modaliteiten voor overleg over deze aangelegenheden worden uitgewerkt. Deze modaliteiten moeten de EU in staat stellen waar nodig een beroep te doen op de militaire expertise van de NAVO, terwijl de EU haar hoofddoel bepaalt op basis van bijdragen van de lidstaten. Nadat de hoofd- en de vermogensdoelstellingen zijn opgesteld, zal de EU, zoals overeengekomen in Helsinki, een consultatiemethode uitwerken waarmee deze doeleinden blijvend kunnen worden bereikt en waarmee door elke lidstaat nationale bijdragen kunnen worden bepaald waaruit de politieke wil en het engagement voor deze doelstellingen blijken; er zal regelmatig worden bekeken welke vooruitgang er is geboekt. Voorts zullen de lidstaten gebruik maken van bestaande defensieplanningsprocedures, voorzover van toepassing met inbegrip van die welke beschikbaar zijn binnen de NAVO en in het plannings- en toetsingsproces van het Partnerschap voor de vrede.

3. Regelingen met het oog op de toegang van de EU tot de middelen en vermogens van de NAVO (akkoorden van Berlijn en Washington): in Helsinki en Keulen zijn twee benaderingen uitgewerkt voor de uitvoering van EU-operaties: met of zonder NAVO-middelen. Om NAVO-middelen te gebruiken, moet eerst verder samen worden bekeken hoe dit in de praktijk zal gebeuren, teneinde tot een akkoord te komen. Dit akkoord moet rond zijn vóór de EU gereed is. Met dit doel voor ogen, verheugt de EU zich op aanzienlijke vorderingen in de NAVO.

4. Bepalen van permanente regelingen: na de Europese Raad van Feira zal moeten worden besproken hoe de permanente regelingen inzake de EU/NAVO-betrekkingen eruit zullen zien. Deze regelingen moeten op de hierboven beschreven beginselen stoelen.

Het werk dat tot dusver is verricht in verband met deze vier aangelegenheden, vormt de grondslag voor permanente regelingen tussen de NAVO en de EU. Het is de bedoeling dat deze regelingen gereed zijn wanneer de permanente EU-structuren worden ingesteld, na de Europese Raad van Nice.

B. Modaliteiten

1. De Europese Raad van Feira zal de NAVO moeten voorstellen om voor elk van de hierboven genoemde aangelegenheden ad hoc EU/NAVO-werkgroepen op te richten.

2. De ad hoc werkgroepen zouden de volgende taken hebben:

a) wat veiligheidsaangelegenheden betreft: voorbereiding van een EU/NAVO-veiligheidsakkoord;

b) wat vermogensdoelstellingen betreft: de uitvoering van informatie-uitwisseling en overleg met NAVO over de bepaling van die doelstellingen. In voorkomend geval zou de DSACEUR hieraan kunnen deelnemen;

c) wat betreft modaliteiten om de EU toegang te geven tot NAVO-middelen (akkoorden van Berlijn en Washington): voorbereiding van een akkoord betreffende de modaliteiten van toegang van de EU tot NAVO-middelen en -vermogens zoals overeengekomen in Washington (ontwerp-kaderakkoord betreffende de uitvoering van de "Berlijn plus"-regeling). De DSACEUR dient hieraan deel te nemen.

d) wat het bepalen van permanente regelingen betreft: vaststelling van de belangrijkste parameters van een EU/NAVO-akkoord ter formalisering van de structuren en procedures voor overleg tussen beide organisaties in en buiten crisistijd.

3. Mochten zich in het licht van voornoemde beginselen nieuwe situaties voordoen waarvoor overleg tussen de EU en de NAVO vereist is, dan zouden andere ad hoc werkgroepen kunnen worden overwogen.

4. Wat de EU betreft, zal het Interim-comité voor politieke en veiligheidsvraagstukken het werk van de ad hoc groepen coördineren en als centraal dialoogpunt fungeren.

 

______________________

AANHANGSEL 3

STUDIE INZAKE CONCRETE DOELSTELLINGEN

BETREFFENDE CIVIELE ASPECTEN VAN CRISISBEHEERSING

A. Inleiding

De Europese Raad is vastbesloten de doeltreffendheid te versterken en te verbeteren van het vermogen van de Unie om op crises te reageren, onder meer door acties op civiele gebieden. Die versterkte doeltreffendheid kan worden aangewend als respons op een verzoek van een leidende instantie als de VN of de OVSE, of, in voorkomend geval, bij zelfstandige acties van de EU.

De Unie moet ernaar streven haar vermogen inzake de civiele aspecten van crisisbeheersing op alle relevante gebieden te versterken, teneinde haar vermogen tot het redden van mensenlevens in crisissituaties te verbeteren, een minimum aan openbare orde te handhaven, verdere escalatie te voorkomen, de terugkeer naar een vreedzame, stabiele en zichzelf bestendigende situatie te vergemakkelijken, nadelige gevolgen voor EU-lidstaten te beheersen en de daarmee samenhangende coördinatieproblemen aan te pakken. Bijzondere aandacht kan worden besteed aan gebieden waarop de internationale gemeenschap tot dusver zwak is gebleken. Dit alles zou een meerwaarde betekenen, want het reactievermogen van de Unie zou toenemen en zij zou ook beter kunnen voldoen aan verzoeken van andere leidende organisaties, die meer systematisch zouden kunnen rekenen op een in kwantitatief en kwalitatief opzicht belangrijke bijdrage als kern van een aantal missies. Dit zou bovendien de zichtbaarheid van de Unie versterken.

De versterking van de vermogens van de Unie inzake de civiele aspecten van crisisbeheersing moet de Unie in de eerste plaats adequate middelen verschaffen voor het aanpakken van complexe politieke crises door:

- het uitbreken of escaleren van conflicten te voorkomen;

- de vrede en de interne stabiliteit tijdens overgangsperiodes te consolideren;

- de complementariteit te garanderen tussen de militaire en de civiele aspecten van crisisbeheersing waarbij het volledige gamma van de Petersbergtaken wordt bestreken.

Er werd overeengekomen dat het bepalen van concrete doelstellingen gebaseerd moet zijn op een pragmatische bottom-up aanpak, die toegespitst is op operationele vereisten en die een weerspiegeling is van de politieke preoccupaties van de Europese Raad.

De opgestelde inventarissen tonen duidelijk aan dat de lidstaten, de Unie of beide aanzienlijke ervaring hebben opgedaan of op een groot aantal gebieden over aanzienlijke middelen beschikken; een aantal van die middelen wordt reeds gebruikt bij de ontwikkelingssamenwerking. De Unie moet haar inspanningen prioritair toespitsen op de gebieden waarop een snelle reactie het meest nodig is, en waarop de meerwaarde van een versterkte en gecoördineerde inspanning van de Unie en de lidstaten het duidelijkst merkbaar is; daarbij moet de Unie de opgedane ervaring en de bestaande instrumenten en middelen ten volle in aanmerking nemen en zich daarop baseren. Dit proces kan stap voor stap verder worden uitgebreid tot een breed gamma van beperkte, maar ook complexe operaties inzake civiele crisisbeheersing. Het in kaart brengen van de prioriteiten waarop de EU haar gecoördineerde inspanningen in een eerste fase zal toespitsen sluit geenszins het gebruik uit van alle andere instrumenten waarover de Unie en de lidstaten beschikken.

B. Prioriteiten

Het eerste prioritaire gebied dat is bepaald in het kader van de crises waarmee Europa de jongste tijd te kampen heeft gehad en nog steeds te kampen heeft, is politie.

I. POLITIE

De lidstaten hebben in het kader van de vrijwillige samenwerking ex artikel 12, vijfde streepje, van het VEU, concrete doelstellingen betreffende de politievermogens vastgesteld die voor 2003 moeten worden gehaald. Deze concrete doelstellingen zijn gedetailleerd uitgewerkt in bijlage 4 bij het verslag van het voorzitterschap.

II. VERSTERKING VAN DE RECHTSSTAAT

Intensievere werkzaamheden op het gebied van politie moeten noodzakelijkerwijs gepaard gaan met werk op andere gebieden dat nodig wordt geacht om te garanderen dat een politieopdracht tot een positief resultaat leidt. Meer specifiek gaat het om de bijstand met het oog op herstel van het gerechtelijk en penitentiair apparaat. Daarbij kan aan de volgende maatregelen worden gedacht:

i) de lidstaten kunnen nationale regelingen instellen voor de selectie van rechters, procureurs, strafrechtdeskundigen en andere relevante beroepsgroepen binnen het gerechtelijk en penitentiair apparaat, die op korte termijn kunnen worden ingezet ter ondersteuning van vredeshandhavingsoperaties; de lidstaten kunnen tevens bedenken hoe deze mensen goed kunnen worden opgeleid;

ii) de EU kan streven naar de bevordering van richtsnoeren voor de selectie en opleiding van internationale rechters en penitentiair deskundigen in verbinding met de Verenigde Naties en regionale organisaties (meer bepaald de Raad van Europa en de OVSE);

iii) de EU kan onderzoeken op welke manier de bouw/vernieuwing van de infrastructuur van plaatselijke rechtbanken en gevangenissen, alsmede de aanwerving van plaatselijk personeel voor rechtbanken en gevangenissen in de context van vredeshandhavingsoperaties kan worden ondersteund.

III. VERSTERKING VAN HET CIVIEL BESTUUR

Een ander gebied waarop versterking nodig is met het oog op de steunverlening aan samenlevingen in een overgangsfase, is het civiel bestuur.

i) De lidstaten kunnen denken aan de verbetering van de selectie, de opleiding en de inzet van deskundigen inzake civiel bestuur die worden belast met het herstel van ineengestorte bestuurssystemen;

ii) de lidstaten kunnen er tevens aan denken om plaatselijke ambtenaren van het civiel bestuur van samenlevingen in een overgangsfase te gaan opleiden.

IV. CIVIELE BESCHERMING

Naast de hierboven genoemde prioritaire gebieden hebben de lidstaten ook de civiele bescherming, met inbegrip van zoek- en reddingsacties bij rampenbestrijding als prioriteit gesteld. Hierbij moet een onderscheid worden gemaakt tussen civiele bescherming in het kader van crisisbeheersingsoperaties, en andere soorten hulpoperaties bij rampen. Laatstgenoemde operaties zijn van specifieke aard.

Bij crisisbeheersingsoperaties in het kader van het GBVB moet het evenwel mogelijk zijn een beroep te doen op de instrumenten en vermogens inzake civiele bescherming van de EU-lidstaten.

Hoewel er reeds specifieke coördinatiemechanismen op het gebied van civiele bescherming bestaan, heeft de ervaring bij recente grote natuurrampen uitgewezen dat verbetering nodig en mogelijk is.

Er zijn ideeën geopperd voor een betere organisatie van de respons van de Unie, zoals het concept van een leidende natie en specialisatie. De werkzaamheden die thans bij de Raad aan de gang zijn en waarbij praktijkdeskundigen betrokken zijn, zullen het mogelijk maken ook op dit gebied concrete doelstellingen uit te werken.

Die concrete doelstellingen kunnen worden gedefinieerd in de zin van de menselijke en materiële middelen die elke lidstaat ter beschikking moet kunnen stellen, het type mandaat en de status van de operatie voor de deelnemende landen en de bevordering van de compatibiliteit van materieel tussen de lidstaten.

C. Middelen

Een betere coördinatie op EU-niveau kan leiden tot meer efficiëntie en synergie van de reactie van de EU. Samen met de definitie van de concrete doelstellingen door de Europese Raad zal zulks zorgen voor een tastbare verbetering van de bijdrage van de Unie aan crisisbeheersingsoperaties.

D. Verdere werkzaamheden inzake concrete doelstellingen na Feira

Het Comité voor de civiele aspecten van crisisbeheersing kan zich toeleggen op de ontwikkeling en de verdere uitwerking van de concrete doelstellingen die door de Europese Raad van Feira zijn vastgesteld, alsmede op de gebieden die verder gaan dan de reeds afgebakende prioritaire gebieden. Daartoe moeten in het comité deskundigen van de relevante nationale overheidsdiensten worden opgenomen, die onder meer gespecialiseerd advies verstrekken over politiële, justitiële en penitentiaire aspecten, civiel bestuur en humanitaire hulp, en tevens de schakel vormen tussen crisisbeheersing en ontwikkelingssamenwerking.

De verdere werkzaamheden kunnen tevens gericht worden op het in kaart brengen van de nationale vermogens met het oog op het bereiken van de collectieve doelstellingen, met inachtneming van de nationale gebieden van expertise/specialisatie.

De Commissie zal binnenkort een operationele inventaris indienen van de acties die de Unie reeds heeft geleid, alsmede voorstellen op het gebied van civiele bescherming.

 

_______________

AANHANGSEL 4

 

CONCRETE DOELSTELLINGEN INZAKE POLITIE

 

A. CONCRETE DOELSTELLINGEN

Om de politievermogens te ontwikkelen hebben de lidstaten in het kader van de vrijwillige samenwerking ex artikel 12, vijfde streepje, van het Verdrag betreffende de Europese Unie, zich de volgende concrete doelstellingen gesteld, die voor 2003 bereikt moeten worden.


De doelstellingen houden onderling verband, maar benadrukken de diverse aspecten van de politievermogens in de EU. In dit verband is de doelstelling snelle-inzetbaarheidsvermogen (2) omschreven als een onderdeel van de doelstelling algeheel EU-vermogen (1).

1. ALGEHEEL EU-VERMOGEN

De lidstaten van de EU, die de centrale rol van de politie bij internationale crisisbeheersingsoperaties erkennen en zich bewust zijn van de toenemende behoefte aan politiefunctionarissen voor dergelijke operaties, hebben zich ertoe verbonden hun vermogen om politiefunctionarissen toe te wijzen aan internationale politieoperaties waaraan zij vrijwillig deelnemen, te versterken. Met betrekking tot de bijdragen van de lidstaten zal rekening worden gehouden met hun eigen specifieke regelingen voor nationale politieopdrachten en met de aard van de politie-ervaring die zij kunnen leveren.

Als einddoel zouden de lidstaten door een gefaseerde versterking van hun vermogens in staat moeten zijn om 5000 politiefunctionarissen te leveren voor internationale opdrachten in het kader van de conflictpreventie- en crisisbeheersingsoperaties en als respons op de specifieke behoeften in de verschillende stadia van deze operaties. Op dit ogenblik zetten de EU-staten ongeveer 3300 personen in.

Daartoe dient vooraf een voldoende grote pool van politiefunctionarissen te worden geselecteerd en opgeleid voor alle gebieden van politiewerk die internationaal vereist zijn, met inachtneming van zowel de relatieve voordelen als de specifieke beperkingen van de nationale politie. Dit vergt wellicht versterking van de toerbeurtregelingen en voldoende financiële en logistieke middelen.

De lidstaten zullen nationale ervaring uitwisselen om tot specifieke aanbevelingen te komen over verhoging van het aantal voor internationale opdrachten beschikbare functionarissen (onder meer onderzoeken of meer gebruik kan worden gemaakt van bijna of pas gepensioneerde functionarissen en politievermogen vrijmaken door in grotere mate deskundigen uit aanverwante sectoren in te zetten). In dit verband zal de nodige aandacht uitgaan naar de mogelijkheid om meer de nadruk te leggen op de opleiding van plaatselijke politie, aangezien dit ertoe kan bijdragen de omvang en de duur van internationale politieacties te reduceren.

De doelstelling inzake algehele EU-politievermogens kan worden uitgebreid tot het verlenen van internationale bijstand aan het lokale gerechtelijk en penitentiair apparaat, waarvan een gebrekkig functioneren in bepaalde crisissituaties ernstig afbreuk kan doen aan de geloofwaardigheid en doeltreffendheid van een internationale politie.

2. SNELLE INZETBAARHEID

De EU kan politie inzetten als antwoord op een verzoek van een internationale leidinggevende organisatie, in het bijzonder de Verenigde Naties of de OVSE, dan wel bij wijze van een autonome politieactie, eventueel als onderdeel van een ruimere, door de EU geleide crisisbeheersingsoperatie, wanneer het noodzakelijke EU-kader voor planning en logistiek gedefinieerd is.

In het kader van de doelstelling van de algehele EU-vermogens verbinden de lidstaten zich ertoe dat zij binnen 30 dagen politie kunnen selecteren en inzetten voor de uitvoering van politieoperaties en -taken op het gebied van voorlichting, opleiding, toezicht en uitvoering:

- om interne crises en conflicten te voorkomen of in te dammen (bv. MINUGUA in Guatemala);

- in niet-gestabiliseerde omstandigheden, bijvoorbeeld onmiddellijk na een conflict, waarvoor de inzet van een solide eenheid is vereist die de orde en het gezag kan herstellen (bv. UNMIK/KFOR in Kosovo en UNTAET in Oost-Timor);

- ter ondersteuning van de plaatselijke politie, om de fundamentele normen op het gebied van de mensenrechten te handhaven (bv. WEU/MAPE in Albanië, WEUPOL in Mostar en ONUSAL in El Salvador) en, op plaatsen waar de internationale politie een uitvoerende rol vervult, ervoor te zorgen dat de verantwoordelijkheid voor de ordehandhaving spoedig aan de plaatselijke politie kan worden overgedragen (bv. OVSE/KPSS in Kosovo).

Blijkens de ervaring kunnen de zwaarste crisisbeheersingstaken vereisen dat binnen 30 dagen tot 1000 politieambtenaren uit de EU-lidstaten worden ingezet. Op al deze algemene doeltaken zullen de bevoegde Raadsinstanties nader moeten ingaan.

Gezien de specifieke eisen waaraan internationale politiemachten moeten voldoen bij het verrichten van uitvoerende taken in niet-gestabiliseerde omstandigheden, met name gedurende de overgang van een oorspronkelijk militair gezag naar een civiel gezag, moet er bijzondere aandacht worden besteed aan het voorstel om solide, snel inzetbare, flexibele en interoperabele geïntegreerde politie-eenheden van de Europese Unie op te zetten en aan de mogelijkheid van samenwerking van een kleiner aantal lidstaten om op dit specifieke gebied vermogens op te bouwen.

Om de doelstelling van de inzettermijn te bereiken zullen de lidstaten en de EU waar nodig zorgen voor verdere versterking van hun vermogen om de vereiste expertise ten dienste te stellen van een verkenningsteam onder leiding van de internationale leidinggevende organisatie en zullen zij te gelegener tijd EU-verkenningsteams van ervaren politiedeskundigen inzetten, die belast zijn met de risicobeoordeling, de omschrijving, de planning en de vaststelling van een door de EU geleide politieopdracht. In deze context zou de EU een bijdrage moeten kunnen leveren met de inschakeling van juridische deskundigen ter voorbereiding van de ondersteuning van het plaatselijke justitieel en penitentiair apparaat, alsmede deskundigen voor technische, logistieke en administratieve steun.

De lidstaten zullen informatie en ervaring uitwisselen over de wijze waarop snel inzetbare politie-eenheden kunnen worden gevormd, onder meer door gebruikmaking van vooraf bepaalde politie-eenheden die actief deelnemen aan het nationale politiewerk, en toch op korte termijn beschikbaar zijn voor politieopdrachten.

3. VERHOGEN VAN DE NORMEN VOOR INTERNATIONALE POLITIEOPDRACHTEN

De lidstaten en de EU kunnen als katalysator fungeren voor het verhogen van de normen voor internationale politieoperaties, ook in het kader van en via de Verenigde Naties en de OVSE. Daarom zullen de EU en de lidstaten beginnen met de omschrijving van een EU-concept voor internationale politieoperaties. Dit werk zal worden verricht in nauwe samenwerking met de VN/DKPO, op de grondslag van bestaande VN-richtlijnen en zonder doublures met de VN-werkzaamheden op basis van de politie-ervaring van de lidstaten en de EU. Uit de eerste besprekingen over dit onderwerp is gebleken dat het nodig is onder andere:

1) de categorieën politieambtenaren en deskundigen te bepalen die het meest geschikt zijn voor de diverse politietaken, waaronder de inzetprioriteiten, op basis van scenario's of illustratieve profielen van de rol van de politie in het gehele kader in de diverse fasen van crisispreventie èn crisisbeheersingsoperaties, met inachtneming van de noodzaak van interventieflexibiliteit;

2) bij te dragen aan de ontwikkeling van een algemeen concept van uitvoerend politieoptreden, met name ten aanzien van de interactie tussen militaire strijdkrachten en politie-eenheden in post-conflictsituaties, wanneer beide parallel worden ingezet;

3) bij te dragen aan de verduidelijking van de kaderregelgeving waarin internationale politieopdrachten plaatsvinden;

4) bij te dragen aan de vaststelling van duidelijke internationale mandaten voor politieopdrachten.

De ontwikkeling van een EU-concept zou de opstelling van EU-richtsnoeren en normen voor internationaal politieoptreden, waaronder operationele instructies, vergemakkelijken en zou ook bijdragen tot een verdere verfijning van de categorieën politieambtenaren en deskundigen in de databanken van de lidstaten en van de Unie.

Tevens zullen de lidstaten en de EU in het kader van de samenwerking in justitiële en binnenlandse aangelegenheden, met inachtneming van de vereisten van de verschillende types politieopdrachten, zich verder inspannen om te komen tot genormaliseerde selectiecriteria en programma's voor basisopleiding die berusten op en compatibel zijn met de normen van de VN, de OVSE en de Raad van Europa, zodat politiefunctionarissen die door EU-lidstaten voor internationale opdrachten worden uitgezonden, aan die hoge normen voldoen en de pool van vooraf bepaalde en opgeleide politiefunctionarissen ruim genoeg is om de voornoemde doelstellingen inzake vermogen en inzetbaarheid te halen. Bij die werkzaamheden zal rekening worden gehouden met het seminar dat hierover op 29-31 mei 2000 in Lissabon gehouden is, alsmede met eerdere werkzaamheden op het gebied van politieopleiding voor vredeshandhavingsoperaties in het kader van de Europese Unie; voorts zal daarin tot uiting komen welke centrale rol de Unie en de lidstaten vervullen om de regels voor internationaal politieoptreden te helpen verbeteren.

B. UITVOERING

De specifieke concrete doelstellingen weerspiegelen de politieke wil en het engagement van de lidstaten. De doelstellingen zullen in de bevoegde Raadsinstanties verder worden uitgewerkt. Er zal een methode worden ontwikkeld om deze gefaseerde doelstellingen via vrijwillige bijdragen te bereiken. Het relatieve voordeel dat de nationale politie bijvoorbeeld rekening houdt met de nationale shiftregeling en de mogelijke inzet van gepensioneerden, kunnen door elke lidstaat worden bepaald, met een regelmatige voortgangsevaluatie. Dit werk zal worden uitgevoerd in nauwe samenwerking met politiedeskundigen.

Algemene informatie over vooraf bepaalde politievermogens, paraatheid, en specifieke nationale expertise, in het bijzonder inzake verkenningsteams, zal worden ingebracht in de politiegegevensbank die bij het Raadssecretariaat nu een onderdeel vormt van het coördinatiemechanisme dat is ingesteld ter uitvoering van de conclusies van de Europese Raad van Helsinki. Er zal verder worden gewerkt aan de nationale regelingen, waaronder specifieke informatie met betrekking tot de vooraf bepaalde politievermogens en de afzonderlijke nationale contactpunten.

De Europese Raad van Helsinki heeft bepaald dat de Unie haar bijdrage aan internationale organisaties, in het bijzonder aan de VN en de OVSE, moet trachten te vergroten en haar vermogen voor autonome acties moet bevorderen. Daartoe zal de EU nauw samenwerken met het VN-Department of Peace Keeping Operations (VN/DPKO), met de OVSE, met name de REACT Task Force, alsmede met de Raad van Europa en met de contactpunten van de lidstaten, om ervoor te zorgen dat de inspanningen van de EU en die van deze organisaties met elkaar in overeenstemming zijn en elkaar versterken, doublures worden vermeden en de informatie-uitwisseling inzake nieuwe politieopdrachten wordt vergemakkelijkt.

Bovendien zal een gedetailleerde studie worden verricht naar de haalbaarheid en de implicaties van de planning, de start en het leiden van autonome EU-opdrachten.

_______________

BIJLAGE II

RAPPORT VAN HET VOORZITTERSCHAP BETREFFENDE HET UITBREIDINGSPROCES

Het was één van de belangrijkste prioriteiten van het Portugese voorzitterschap een impuls te geven aan het thans lopende proces van de uitbreiding met de dertien landen die kandidaat zijn voor de toetreding.

Ten aanzien van de kandidaat-lidstaten waarmee de toetredingsonderhandelingen zijn aangeknoopt in maart 1997, te weten Cyprus, Hongarije, Polen, Estland, Tsjechië en Slovenië, heeft het Portugese voorzitterschap, overeenkomstig de conclusies van de Europese Raad van Keulen, een aanvang gemaakt met de onderhandelingen over de hoofdstukken die nog niet besproken waren, waaronder een aantal buitengewoon complexe hoofdstukken behoren: regionaal beleid, financiële controle, financiële en begrotingsbepalingen, justitie en binnenlandse zaken, vrij verkeer van personen en landbouw. Met de onderhandelingen over het hoofdstuk betreffende de instellingen zal uiteraard en zoals voorzien worden gewacht tot de Intergouvernementele Conferentie over de hervorming van de instellingen is afgerond.

Voorts heeft het Portugese voorzitterschap zich ingespannen om vooruitgang te boeken in de onderhandelingen over alle overige hoofdstukken waarover reeds eerder besprekingen waren geopend. Aldus kon met al die kandidaat-lidstaten het hoofdstuk gemeenschappelijk buitenlands- en veiligheidsbeleid voorlopig worden afgesloten, evenals in het geval van Cyprus, Estland en Slovenië het hoofdstuk over het vennootschapsrecht en, in het geval van Cyprus het hoofdstuk over het sociaal beleid, alsmede visserijbeleid, met Cyprus en Estland, de externe betrekkingen met Estland en Tsjechië, de Douane-unie met Tsjechië, het vrije kapitaalverkeer met Estland en de financiële controle met Hongarije, Slovenië, Cyprus en Polen. Met Hongarije konden voorts de hoofdstukken telecommunicatie en informatietechnologieën en industriebeleid voorlopig officieel worden afgesloten.

De bovengenoemde resultaten zijn in april en mei bereikt tijdens twee bilaterale onderhandelingsrondes op het niveau van de plaatsvervangers en werden in juni bevestigd in een onderhandelingsronde op het niveau van de ministers.


Tegelijkertijd heeft het Portugese voorzitterschap overeenkomstig het mandaat van de Europese Raad van Helsinki in februari officieel de toetredingsonderhandelingen geopend met Roemenië, Slowakije, Letland, Litouwen, Bulgarije en Malta. Aldus heeft de Unie onder het Portugese voorzitterschap voor het eerst gelijktijdig bilaterale onderhandelingsconferenties gehouden met twaalf kandidaat-lidstaten.

In het licht van de te Helsinki naar voren gebrachte opvatting dat geen nieuwe zware procedures in het leven moeten worden geroepen, en op basis van het overeengekomen beginsel dat de kandidaat-lidstaten ieder afzonderlijk op hun merites moeten worden beoordeeld, heeft het Portugese voorzitterschap op basis van een Commissievoorstel en na de opvattingen van de lidstaten beluisterd te hebben, een gedifferentieerd programma opgesteld voor de onderhandelingen met de kandidaat-lidstaten. Zo konden met die zes kandidaat-lidstaten concrete onderhandelingen worden geopend over de hoofdstukken onderwijs en opleiding, wetenschap en onderzoek, kleine en middelgrote ondernemingen, externe betrekkingen en gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid. Aan dit geheel van hoofdstukken waarover met al die kandidaat-lidstaten is onderhandeld kan nog worden toegevoegd de opening van onderhandelingen over statistieken en mededingingsbeleid met Letland, Litouwen en Slowakije, over cultuur en audiovisueel beleid met Bulgarije, Malta, Letland, Litouwen en Slowakije en over industriebeleid en telecommunicatie en informatietechnologieën met Malta.

Met die kandidaat-lidstaten zijn de volgende onderhandelingsresultaten bereikt: met Roemenië zijn voorshands alle 5 hoofdstukken afgesloten waarover onder het Portugese voorzitterschap onderhandelingen waren geopend; van de 8 hoofdstukken waarover met Slowakije onderhandelingen geopend zijn, zijn 6 hoofdstukken voorlopig afgesloten, zodat alleen de hoofdstukken mededingingsbeleid en cultuur en audiovisueel beleid resteren; van de 8 hoofdstukken waarover onderhandelingen zijn geopend met Letland en Litouwen zijn alleen de hoofdstukken cultuur en audiovisueel beleid, externe betrekkingen en mededinging nog niet voorlopig afgesloten; van de 6 hoofdstukken waarover onderhandelingen geopend waren met Bulgarije zijn er 4 waarover de onderhandelingen voorlopig zijn afgesloten, zodat alleen cultuur en audiovisueel beleid en externe betrekkingen resteren; van de 8 hoofdstukken tenslotte waarover met Malta onderhandelingen zijn geopend konden alleen de onderhandeling over het hoofdstuk cultuur en audiovisueel beleid nog niet voorlopig worden afgerond. Het Portugese voorzitterschap heeft de bovengenoemde resultaten met deze kandidaat-lidstaten bereikt in de loop van twee conferentierondes op het niveau van de plaatsvervangers en nog twee rondes op ministerieel niveau.

Met name om zijn symbolisch belang dient hierbij het feit te worden vermeld dat tijdens de onderhandelingsrondes op ministerieel niveau van 13 en 14 juni, waarop de resultaten van het Portugese voorzitterschap bevestigd werden, voor het eerst alle twaalf kandidaat-lidstaten bijeen waren, waarmee aan de scheiding van de kandidaat-lidstaten in twee groepen een einde kwam.

Parallel aan de eigenlijke onderhandelingen, waarin het programma van het Portugese voorzitterschap geheel werd afgewerkt, is getracht ook vorderingen te maken met betrekking tot andere onderdelen van het uitbreidingsproces.

Voor het eerst sedert lange tijd heeft een associatieraad met Turkije plaatsgevonden, die ertoe zal bijdragen dat Turkije daadwerkelijk in het pretoetredingsproces kan worden geïntegreerd, overeenkomstig de besluiten van de Europese Raad van Helsinki.

Ook heeft de Unie een akkoord kunnen bereiken over een financieel reglement voor Cyprus en Malta, waardoor de voorwaarden geschapen werden voor een doelmatige voortzetting van de pretoetredingsinspanningen van deze beide kandidaat-lidstaten en de respectieve toetredingspartnerschappen officieel konden worden goedgekeurd.

 

_______________

 

 

BIJLAGE III

EUROPEES HANDVEST VOOR KLEINE BEDRIJVEN

 

Kleine ondernemingen vormen de ruggengraat van de Europese economie. Zij zijn een belangrijke bron van werkgelegenheid en een kweekvijver voor nieuwe bedrijfsconcepten. Alleen als kleine ondernemingen bovenaan de politieke agenda worden geplaatst, zal Europa in de nieuwe economie het voortouw kunnen nemen.

Kleine ondernemingen zijn het gevoeligst voor veranderingen in het ondernemingsklimaat. Niet alleen zijn zij de eersten die lijden onder een te zware bureaucratische last, zij plukken ook het eerst de vruchten van initiatieven om de papierwinkel te vereenvoudigen en succes te belonen.

In Lissabon hebben wij ons ten doel gesteld van de Europese Unie de meest concurrerende en dynamische kenniseconomie van de wereld te maken, die in staat is tot duurzame economische groei met meer en betere banen en een hechtere sociale samenhang.

Kleine bedrijven moeten beschouwd worden als de drijvende kracht achter de innovatie, de werkgelegenheid en de sociale en lokale integratie in Europa.

Daarom dient voor het kleinbedrijf en voor het ondernemerschap een optimaal klimaat te worden gecreëerd.

Principes

Wij vragen om zo'n optimaal klimaat, omdat wij

● het dynamisch vermogen van de kleine bedrijven erkennen om in te spelen op nieuwe marktbehoeften en op het scheppen van banen;

● benadrukken hoe belangrijk kleine bedrijven zijn bij het bevorderen van de sociale en regionale ontwikkeling, terwijl ze zelf een toonbeeld van initiatief en engagement zijn;

● het ondernemerschap erkennen als een waardevolle en productieve vaardigheid voor het verdere leven, op alle verantwoordelijkheidsniveaus;

● geslaagde ondernemingen toejuichen, die eerlijk voor hun succes moeten worden beloond;

● ervan uitgaan dat aan het nemen van een verantwoord initiatief en risico een mate van mislukken kleeft, die hoofdzakelijk als een leermogelijkheid moet worden beschouwd;

● de waarde van kennis, engagement en flexibiliteit in de nieuwe economie erkennen.

De situatie van de kleine ondernemingen in de Europese Unie kan worden verbeterd met een actie om het ondernemerschap aan te moedigen, bestaande maatregelen te evalueren en zo nodig "kleinbedrijf-vriendelijk" te maken, en door beleidsmakers voldoende rekening te laten houden met de behoeften van het kleinbedrijf. Daarom verbinden wij ons ertoe:

● de innovatie- en ondernemersgeest die het Europees bedrijfsleven in staat stelt de uitdagingen aan te gaan die in het verschiet liggen, te bevorderen;

● te komen tot een voor de ondernemersactiviteit gunstig fiscaal en administratief regelgevend kader, en de status van de ondernemer te bevorderen;

● de markttoegang te waarborgen op basis van de lichtst mogelijke eisen, voorzover die niet botst met de doorslaggevende doelstellingen van het openbaar belang;

● de toegang tot het beste onderzoek en de beste technologie te vergemakkelijken;

● de toegang tot financiering te vergemakkelijken gedurende de gehele levenscyclus van het bedrijf;

● permanent onze prestaties te verbeteren, zodat de EU voor kleine bedrijven het beste klimaat ter wereld biedt;

● te luisteren naar de stem van de kleine bedrijven;

● eersteklas steun voor het kleinbedrijf te promoten.

Actielijnen

Door dit Handvest goed te keuren verbinden wij ons ertoe om onderstaande actielijnen te volgen en naar behoren rekening te houden met de behoeften van kleine bedrijven.

1. Onderwijs en opleiding in ondernemerschap

Europa zal vanaf een eerder tijdstip de ondernemingsgeest en nieuwe vaardigheden bij jongeren bevorderen. Op alle onderwijsniveaus moet algemene kennis over de zakenwereld en het ondernemerschap worden overgedragen. Specifieke modules over het bedrijfsleven moeten een essentieel onderdeel worden van de leerplannen van het secundair onderwijs en van hogescholen en universiteiten.

We zullen de inspanning van jongeren op weg naar het ondernemerschap aanmoedigen en bevorderen en passende opleidingsprogramma's opstellen voor managers in kleine bedrijven.

2. Goedkopere en snellere start

De kosten voor het starten van een onderneming moeten zich ontwikkelen tot de meest competitieve ter wereld. De landen met de langste termijnen en de meest omslachtige procedures voor de erkenning van nieuwe ondernemingen moeten worden aangemoedigd om hun achterstand ten opzichte van de snelste landen in te lopen. On-line toegang voor registratie dient te worden bevorderd.

3. Betere wet- en regelgeving

De nationale faillissementswetgeving moet worden beoordeeld in het licht van de goede praktijken. De lessen van benchmarking dienen te resulteren in een verbetering van de huidige praktijk in de EU.

Nieuwe nationale en communautaire regelgeving moet worden doorgelicht op haar gevolgen voor kleine bedrijven en ondernemers. Waar mogelijk moeten de nationale en EG-voorschriften worden vereenvoudigd. De regeringen dienen te kiezen voor gebruikersvriendelijke administratieve documenten.

Kleine ondernemingen zouden van een aantal wettelijke verplichtingen vrijgesteld kunnen worden. In dit verband zou de Commissie de concurrentiewetgeving kunnen vereenvoudigen om de lasten van de naleving voor kleine ondernemingen te verlichten.

4. Beschikbaarheid van vaardigheden

Wij zullen trachten te waarborgen dat de opleidingsinstellingen - en aansluitend de programma's voor opleiding op de werkplek - een adequaat pakket bieden van vaardigheden die zijn toegesneden op behoeften van kleine ondernemingen en opleiding en consultancy plaatsen in het kader van "levenslang leren".

5. Betere on-linetoegang

De overheid moet worden gestimuleerd om meer elektronisch te communiceren met kleine ondernemingen. Zo kunnen ondernemingen immers sneller en goedkoper advies krijgen, aanvragen doen, belastingaangiften indienen of eenvoudige informatie on line ontvangen. De Commissie moet op dit gebied het voorbeeld geven.

6. Meer profijt trekken van de interne markt

Kleine ondernemingen ondervinden de voordelen van de huidige hervormingen in de Europese economie. De Commissie en de lidstaten moeten de lijn van de lopende hervormingen, die gericht zijn op de voltooiing van de echte kleinbedrijfsvriendelijke interne markt, doortrekken naar gebieden die voor kleine bedrijven van doorslaggevend belang zijn, zoals elektronische handel, telecommunicatie, nutsbedrijven, overheidsopdrachten en grensoverschrijdende betaalsystemen.

Terzelfder tijd moeten de Europese en de nationale mededingingsregels streng worden toegepast, zodat kleine ondernemingen alle kansen krijgen om zich op nieuwe markten te begeven en een eerlijke concurrentiestrijd te voeren.

7. Belastingen en financiën

De belastingstelsels moeten worden aangepast om succes te belonen, starters aan te moedigen, de uitbreiding van kleine bedrijven en het scheppen van banen te begunstigen, alsmede de opvolging in kleine bedrijven te vergemakkelijken. De lidstaten zouden de beste praktijken moeten toepassen op het gebied van belastingheffing en de persoonlijke prestatiestimulans.

Ondernemers hebben financiële middelen nodig om hun ambities te realiseren. Om de toegang tot de financiële diensten voor kleine ondernemingen te verbeteren zullen wij :

de belemmeringen die een pan-Europese kapitaalmarkt en de uitvoering van de actieplannen inzake financiële diensten en risicokapitaal in de weg staan, vaststellen en wegwerken;

de relatie tussen het bankwezen en het kleinbedrijf verbeteren door passende voorwaarden voor de toegang tot krediet en risicokapitaal te scheppen ;

de toegang tot de structuurfondsen verbeteren en initiatieven toejuichen van de Europese Investeringsbank om de voor starters en high-techbedrijven beschikbare fondsen, waaronder eigendomstitels, te verhogen.

8. De technologische capaciteit van kleine ondernemingen versterken

Bestaande programma's die erop gericht zijn de verspreiding van technologie naar kleine bedrijven te promoten, zullen worden versterkt, alsook de capaciteit van kleine ondernemingen om technologieën te onderkennen, te selecteren en aan te passen.

De technologische samenwerking en de uitwisseling tussen bedrijven van diverse omvang, met name Europese kleine bedrijven, zal worden aangemoedigd, er zullen doeltreffender onderzoeksprogramma's worden ontwikkeld die gericht zijn op de commerciële toepassing van kennis en technologie, en speciale kwaliteits- en certificeringssystemen voor het kleinbedrijf zullen worden ontwikkeld en aangepast. Het is van belang over een Gemeenschapsoctrooi te beschikken dat gemakkelijk toegankelijk is voor kleine bedrijven.

De betrokkenheid van kleine ondernemingen bij de samenwerking tussen bedrijven zal worden bevorderd op plaatselijk, nationaal, Europees en internationaal niveau; hetzelfde geldt voor de samenwerking tussen het kleinbedrijf en de instellingen voor hoger onderwijs en onderzoek.

Derhalve dienen op nationaal en regionaal niveau acties die gericht zijn op de ontwikkeling van interfirmabedrijfsclusters en -netwerken te worden ondersteund, dient de pan-Europese samenwerking tussen kleine ondernemingen die informatietechnologieën gebruiken te worden aangemoedigd, dienen beste praktijken in samenwerkingsovereenkomsten te worden neergelegd en moet de samenwerking van kleine ondernemingen worden ondersteund, zodat zij beter in staat zijn toegang te krijgen tot de pan-Europese markten en hun activiteiten tot derdewereldmarkten uit te breiden.

9. Succesvolle modellen voor elektronische handel en eersteklasondersteuning van kleine topondernemingen

De Commissie en de lidstaten dienen kleine ondernemingen ertoe aan te zetten de beste praktijken en succesvolle ondernemingsmodellen toe te passen om in de nieuwe economie echt te kunnen floreren.

De activiteiten van de lidstaten en van de EU zullen worden gecoördineerd om informatie- en bedrijfsondersteunende systemen, netwerken en diensten te scheppen die gemakkelijk toegankelijk en te begrijpen zijn en inspelen op de behoeften van het bedrijfsleven; de toegang in de gehele EU tot begeleiding en steun van mentoren en bedrijfsengelen zal worden gewaarborgd, door onder meer websites; de Europese Waarnemingspost voor het MKB zal worden benut.

10. Sterkere en doeltreffender behartiging van de belangen van het kleinbedrijf op het niveau van de Unie en op nationaal niveau

Het overzicht van de wijze waarop de belangen van het kleinbedrijf op EU- en nationaal niveau worden behartigd, eindigt onder meer met de sociale dialoog.

Wij verbinden ons ertoe op deze doelstellingen af te gaan via de open coördinatie methode van het nationale ondernemingsbeleid. Het meerjarenprogramma voor Onderneming en Ondernemerschap, het proces van Cardiff betreffende economische hervormingen, het proces van Luxemburg betreffende het werkgelegenheidsbeleid en andere communautaire programma's en initiatieven zullen hier van nut zijn. Jaarlijks zal tijdens de topontmoetingen in het voorjaar de voortgang worden bezien en beoordeeld op basis van een verslag van de Commissie over de relevante kwesties.

Wij zullen gebruik maken van doelmatigheidsindicatoren om de voortgang te evalueren in de tijd en ten opzichte van de mondiale nummer één om aldus, op zoek naar betere praktijken op alle terreinen die verband houden met het kleinbedrijf, ons leerproces te versterken en onze prestaties voortdurend te verbeteren.

_____________

 

BIJLAGE IV

 

VERSLAG VAN DE RAAD ECOFIN AAN DE EUROPESE RAAD

OVER HET BELASTINGPAKKET

1. De Europese Raad van Helsinki is op 10-11 december 1999 overeengekomen dat een Groep op hoog niveau een verslag aan de Raad zou voorleggen met mogelijke oplossingen voor de over inkomsten uit spaargelden verschuldigde belasting, alsmede voor de gedragscode en de richtlijn inzake betalingen van interest en royalty's als één pakket, en dat de Raad uiterlijk in juni 2000 verslag zou uitbrengen aan de Europese Raad.

Met dit verslag wordt uitvoering gegeven aan deze opdracht.

2. De Raad komt overeen dat de richtlijn inzake belasting op inkomsten uit spaargelden, die slechts op niet-ingezetenen van toepassing zal zijn, wordt gebaseerd op de volgende hoofdelementen:

a) Met het oog op de toepassing van het in de conclusies van de Europese Raad van Helsinki genoemde beginsel dat alle in een lidstaat van de Europese Unie verblijvende burgers de verschuldigde belasting over al hun inkomsten uit spaargelden moeten betalen, is uitwisseling van informatie op een zo breed mogelijke basis het einddoel van de EU, overeenkomstig de internationale ontwikkelingen.

b) Tot dat ogenblik wisselen de lidstaten met de andere lidstaten gegevens uit over inkomsten uit spaargelden of heffen zij een bronbelasting, onverminderd punt d). De lidstaten die een bronbelasting heffen, komen overeen een passend gedeelte van hun inkomsten over te hevelen naar de staat van verblijf van de investeerder.

c) Om het concurrentievermogen van de Europese financiële markten in stand te houden, beginnen het voorzitterschap en de Commissie, zodra de Raad overeenstemming heeft bereikt over de wezenlijke inhoud van de richtlijn en vóór aanneming daarvan, onmiddellijk besprekingen met de VS en belangrijke derde landen (Zwitserland, Liechtenstein, Monaco, Andorra, San Marino) om de aanneming van gelijkwaardige maatregelen in die landen te bevorderen; terzelfder tijd verbinden de lidstaten zich ertoe de aanneming van dezelfde maatregelen in alle betrokken afhankelijke of geassocieerde gebieden (de Kanaaleilanden, het eiland Man en de afhankelijke of geassocieerde gebieden in het Caribisch gebied) te bevorderen. De Raad wordt periodiek op de hoogte gehouden van het verloop van deze besprekingen. Wanneer voldoende zekerheid is verkregen over de toepassing van dezelfde maatregelen in de afhankelijke of geassocieerde gebieden en van gelijkwaardige maatregelen in de genoemde landen, neemt de Raad aan de hand van een verslag uiterlijk op 31 december 2002 met eenparigheid van stemmen een besluit over de aanneming en uitvoering van de richtlijn.

d) De Commissie brengt periodiek verslag uit over de ervaringen van de lidstaten met de toepassing van de onder b) bedoelde stelsels, alsook over de internationale ontwikkelingen betreffende de toegang tot bancaire informatie voor belastingdoeleinden. Wanneer de Raad op grond van punt c) een besluit neemt over de aanneming en uitvoering van de richtlijn, met de daaruit voortvloeiende gevolgen voor de afhankelijke of geassocieerde gebieden, stemt elke lidstaat die een bronbelasting heft ermee in informatie uit te wisselen, zodra de omstandigheden dit toelaten, en in elk geval uiterlijk zeven jaar na de inwerkingtreding van de richtlijn.

3. De besprekingen worden op deze basis voortgezet teneinde overeenstemming over het gehele belastingpakket te bereiken, volgens een parallel tijdschema voor de kerngedeelten van het pakket (belasting op spaargeld, gedragscode (belastingregeling ondernemingen) en interesten en royalty's).

4. Voorts nam de Raad nota van de verklaringen voor de Raadsnotulen in de bijlage.

_____________________

 

BIJLAGE

Verklaringen voor de Raadsnotulen

Ad belasting op inkomsten uit spaargelden

1. Alle lidstaten verwachten een oplossing voor de hierna genoemde openstaande vraagstukken voordat de Raad de richtlijn aanneemt.

2. De vertegenwoordigers van de regeringen der lidstaten, in het kader van de Raad bijeen, komen overeen dat in de onderhandelingen met de kandidaat-lidstaten over de uitbreiding geen afwijking van de eis inzake informatie-uitwisseling wordt toegestaan.

3. De Raad en de Commissie verbinden zich ertoe te streven naar overeenstemming tegen het einde van 2000 over de wezenlijke inhoud van de richtlijn, met inbegrip van het percentage van de bronbelasting.

4. De Raad verklaart dat de verwijzing naar de eenparigheid van stemmen in punt 2, onder c), niet vooruitloopt op het resultaat van de IGC.

5. De Raad neemt er nota van dat Oostenrijk en Luxemburg tijdens de overgangsperiode de bronbelasting kunnen heffen. België, Griekenland, Portugal en Spanje zullen de Raad vóór het einde van 2000 van hun standpunt op de hoogte brengen.

6. Luxemburg gaat ervan uit dat de "gelijkwaardige maatregelen" en "dezelfde maatregelen", bedoeld in punt 2, onder c), tevens de informatie-uitwisseling bedoeld in de laatste zin van punt 2, onder d), omvatten.

7. Denemarken, Frankrijk, Finland, Duitsland, Ierland, Italië, Nederland, Spanje, Zweden en het Verenigd Koninkrijk verwachten dat het percentage van de bronbelasting 20-25 procent zal bedragen, en zijn van mening dat de informatie-uitwisseling binnen de 5 jaar na aanneming van de richtlijn moet worden ingevoerd.

8. De Oostenrijkse regering aanvaardt het OESO-verslag "Verbetering van de toegang tot bancaire informatie voor belastingdoeleinden", maar kan in dit stadium om constitutionele redenen geen afstand van het bankgeheim voor niet-ingezetenen aanvaarden.

Aangezien de richtlijn uitsluitend op niet-ingezetenen van toepassing zal zijn, kan Oostenrijk zijn definitieve bronbelasting voor ingezetenen en zijn huidige bancaire wetgeving wat zijn eigen ingezetenen betreft handhaven.

_______________

BIJLAGE V

 

GEMEENSCHAPPELIJKE STRATEGIE VAN DE EUROPESE UNIE VOOR

HET MIDDELLANDSE-ZEEGEBIED

 

DE EUROPESE RAAD,

gelet op het Verdrag betreffende de Europese Unie, met name op artikel 13,

HEEFT DE VOLGENDE GEMEENSCHAPPELIJKE STRATEGIE AANGENOMEN:

DEEL I

VISIE VAN DE EU OP HET MIDDELLANDSE-ZEEGEBIED

1. Het Middellandse-Zeegebied is van strategisch belang voor de EU. Een welvarende, democratische, stabiele en veilige regio, met een open attitude jegens Europa, is voor de EU en Europa als geheel van het grootste belang.

2. Het Middellandse-Zeegebied kampt nog altijd met politieke, economische, justitiële, ecologische en sociale problemen. Om deze ingewikkelde en uiteenlopende problemen te overwinnen, moeten de EU en de Middellandse-Zeepartners vanuit een gemeenschappelijke visie samenwerken en daarbij inlevingsvermogen en wederzijds respect tonen.

3. Het Middellandse-Zeebeleid van de EU staat in het teken van het partnerschap. Dit partnerschap behoeft de actieve steun van beide partijen. De EU zal met haar Middellandse-Zeepartners samenwerken aan: het ontwikkelen van betrekkingen van goed nabuurschap; het verhogen van de welvaart; het wegnemen van armoede; het bevorderen en beschermen van alle mensenrechten en fundamentele vrijheden, de democratie, behoorlijk bestuur en de rechtsstaat; het bevorderen van culturele en religieuze verdraagzaamheid; en het opzetten van samenwerking met de civiele samenleving, met inbegrip van de NGO's. Daartoe zal zij haar mediterrane partners steunen bij de verwezenlijking van de doelstellingen van het Europees-mediterrane partnerschap, haar bilaterale betrekkingen gebruiken om die doelstellingen dichterbij te brengen en meewerken aan de totstandbrenging van een vreedzaam klimaat in het Midden-Oosten.

4. Deze gemeenschappelijke strategie bouwt voort op de bij de verklaring van Barcelona ingestelde Europees-mediterrane partnerschap en het bijbehorend acquis, de verklaring van Berlijn, alsmede op het beleid dat de Europese Unie van oudsher voert ten aanzien van het Middellandse-Zeegebied, met alle bilaterale en regionale onderdelen daarvan.

5. De EU is ervan overtuigd dat de succesvolle voltooiing van het vredesproces in het Midden-Oosten op alle sporen, en het bijleggen van andere conflicten in de regio belangrijke primaire voorwaarden zijn om vrede en stabiliteit in het Middellandse-Zeegebied te brengen. Gezien haar belangen in de regio en haar aloude en nauwe betrekkingen met de landen aldaar, streeft de Unie ernaar ten volle haar rol te spelen bij de opbouw van stabiliteit en ontwikkeling in het Midden-Oosten. De huidige samenwerking in het kader van het proces van Barcelona is een beslissende factor die de grondslag zal vormen voor de periode die na de vrede aanbreekt. De Unie zal de inspanningen van de partijen om de vredesakkoorden uit te voeren dan ook ondersteunen. In dit verband dient de aanneming van het Europees-mediterrane handvest voor vrede en stabiliteit, die aan de aanneming van deze strategie voorafgaat, een van de hoekstenen te zijn van de "post-vredesproces"-periode in het Middellandse-Zeegebied.

6. Gezien het vitale belang van het Middellandse-Zeegebied voor de EU en met het oog op de verdere versterking van de mediterrane dimensie neemt de Europese Raad deze gemeenschappelijke strategie aan. Deze bestrijkt alle betrekkingen van de EU met alle partners in het proces van Barcelona, alsook die met Libië. De bilaterale betrekkingen van de EU met de Middellandse-Zeelanden die kandidaat zijn voor het EU-lidmaatschap vallen er echter buiten, omdat die onder het toetredingsproces vallen. Daar waar de Europese Unie zich ten volle zal blijven inzetten voor het vredesproces in het Midden-Oosten overeenkomstig het acquis, met inbegrip van de verklaring van Berlijn, omvat deze gemeenschappelijke strategie de bijdrage van de EU tot de consolidatie van het vredesproces na de totstandkoming van een alomvattend vredesakkoord.

DEEL II

DOELSTELLINGEN

7. Met haar beleid ten aanzien van het Middellandse-Zeegebied heeft de Europese Unie de volgende doeleinden voor ogen:

het maken van aanzienlijke en meetbare vooruitgang bij de verwezenlijking van de doelstellingen van de verklaring van Barcelona en het bijbehorend acquis, d.w.z.

- totstandbrenging van een gemeenschappelijke ruimte van vrede en stabiliteit via een politiek en veiligheidspartnerschap,

- totstandbrenging van een ruimte van gedeelde welvaart via een economisch en financieel partnerschap,

- totstandbrenging van een partnerschap op sociaal, cultureel en humanitair gebied, ontwikkeling van menselijk potentieel, bevordering van intercultureel begrip en uitwisselingen tussen civiele samenlevingen;

bevordering van de fundamentele waarden die de EU en haar lidstaten huldigen, waaronder de mensenrechten, de democratie, behoorlijk bestuur, transparantie en de rechtsstaat;

het stimuleren en bijstaan van de mediterrane partners bij de volledige totstandbrenging van de vrijhandel met de EU en met elkaar - overeenkomstig de Verklaring van Barcelona - economische hervorming en het aantrekken van meer investeringen naar de regio;

betere samenwerking op het gebied van justitie en binnenlandse zaken volgens de richtsnoeren van de Europese Raad van Tampere;

het nastreven van de dialoog tussen culturen en beschavingen teneinde onverdraagzaamheid, racisme en vreemdelingenhaat te bestrijden.

8. Voor wat veiligheidsaangelegenheden betreft, is de EU voornemens in het kader van het gemeenschappelijk Europees beleid inzake veiligheid en defensie dat thans gestalte krijgt, te bekijken hoe de veiligheidssamenwerking in het gebied samen met de mediterrane partners kan worden versterkt.

9. Al in het verleden heeft de Unie actief meegewerkt aan een rechtvaardige; alomvattende en duurzame vrede in het Midden-Oosten en aan de opbouw van stabiliteit en ontwikkeling in het Midden-Oosten. De Unie is van oordeel dat de huidige samenwerking in het kader van het proces van Barcelona een van de hoofdpijlers is voor de periode van vrede die gaat aanbreken. In het kader van deze gemeenschappelijke strategie, en rekening houdend met punt 6 daarvan stelt de Europese Unie zichzelf de volgende doelen:

bevordering van omstandigheden die de partijen helpen hun onderlinge akkoorden uit te voeren;

de grondslag leggen voor betrekkingen van goede nabuurschap en de partijen stimuleren mee te doen met regionale samenwerking;

bijdragen aan de consolidatie van de vrede in de regio, met inbegrip van economische integratie en wederzijds begrip tussen civiele samenlevingen.

10. Om de effectiviteit, de gevolgen en de herkenbaarheid van de EU-acties en -initiatieven in de regio te vergroten worden de volgende algemene doeleinden nagestreefd:

meer coördinatie, samenhang, complementariteit en synergie tussen de verschillende bestaande regionale en subregionale activiteiten, instrumenten en interventies van de EU en haar lidstaten;

ervoor zorgen dat het Middellandse-Zeebeleid van de EU aansluit bij het EU-beleid ten aanzien van andere partners.

DEEL III

ACTIEGEBIEDEN EN SPECIFIEKE INITIATIEVEN

11. De EU zal samen met haar mediterrane partners een alomvattende toetsing van het proces van Barcelona ondernemen om het nieuw leven in te blazen en meer actie- en resultaatgericht te maken.

12. De Europese Unie zal trachten de hiernavolgende specifieke initiatieven tot een goed einde te brengen, zonder daarom de mogelijkheid van nieuwe initiatieven uit te sluiten; in deze initiatieven kan, in voorkomend geval, rekening worden gehouden met specifieke situaties en behoeften van de betrokken landen, regio's en subregio's.

Politiek en veiligheid

13. De EU zal de dialoog inzake politieke en veiligheidsvraagstukken met de mediterrane partners op alle niveaus versterken: bilateraal, met de afzonderlijke mediterrane partners; in het kader van het proces van Barcelona, met inbegrip van het Europees-mediterrane handvest voor vrede en stabiliteit zodra dit in werking is getreden; alsmede in andere multilaterale verbanden met het oog op de volgende doelstellingen:

gemeenschappelijke terreinen inzake veiligheidsvraagstukken in kaart brengen teneinde een gemeenschappelijke ruimte van vrede en stabiliteit tot stand te brengen;

partnerschap stimulerende maatregelen uitwerken, met name door regelmatig overleg en regelmatige informatie-uitwisseling met de mediterrane partners te bevorderen;

tijdig passende informatie verstrekken over initiatieven die de belangen van andere mediterrane partners zouden kunnen raken;

versterking van de samenwerking bij de aanpak van mondiale veiligheidsproblemen zoals terrorisme, georganiseerde misdaad en drugssmokkel;

samenwerking over mogelijke regelingen voor conflictpreventie, crisisbeheer en wederopbouw na conflicten, met inbegrip van het stimuleren van vreedzame beslechting van conflicten en geschillen, onder meer met gerechtelijke middelen;

mogelijkheden verkennen voor het aanpakken van de problemen die veroorzaakt worden door antipersoneelmijnen in het Middellandse-Zeegebied, door gecoördineerde mijnactiviteiten, onder meer op het vlak van ontmijning, gevaarherkenning en slachtofferhulp, teneinde de doelstellingen van de overeenkomst van Ottawa dichterbij te brengen;

bevordering van de ondertekening en bekrachtiging door de mediterrane partners van alle non-proliferatie-instrumenten, zoals het NPV, het CWC, het BTWC en het CTBT;

streven naar een wederzijds en effectief controleerbaar Midden-Oosten zonder nucleaire, chemische of biologische massavernietigingswapens en bijbehorende afvuursystemen.

In dit verband zal de EU rekening houden met nieuwe ontwikkelingen in het gemeenschappelijk Europees beleid inzake veiligheid en defensie.

Democratie, mensenrechten en de rechtsstaat

14. In het kader van het proces van Barcelona en haar bilaterale betrekkingen met de mediterrane partners zal de EU:

actief toewerken naar de versterking van de democratische instellingen en de rechtsstaat, met name via de politieke dialoog en steun voor hervorming van het rechtsapparaat, het opbouwen van instellingen, en vrijheid van meningsuiting, vooral door de versterking van de onafhankelijke media;

inspanningen ter bevordering van behoorlijk bestuur ondersteunen en aanmoedigen;

het belang onderstrepen van de bevordering en bescherming van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden voor iedereen, onder meer gouvernementele en niet-gouvernementele actoren in de regio te ondersteunen bij opleidings-, toezicht-, promotie- en bewustmakingsmaatregelen op het gebied van mensenrechten;

in het kader van het VN-handvest en de Universele verklaring van de rechten van de mens aandringen op toetreding tot internationale mensenrechteninstrumenten, met inbegrip van de volledige toepassing van burger-, culturele, economische, politieke en sociale rechten zonder onderscheid naar ras, geslacht, taal of religie;

maatregelen nemen om alle mediterrane partners ervan te overtuigen de doodstraf af te schaffen overeenkomstig de overeengekomen EU-richtsnoeren.

Vrede in het Midden-Oosten

15. De Europese Unie zal, rekening houdend met punt 6 van de gemeenschappelijke strategie,

haar deskundigheid beschikbaar stellen, ideeën aandragen en haar diensten en hulp aanbieden aan de hoofdrolspelers in het vredesproces, teneinde de totstandkoming van vredesakkoorden te bevorderen en te helpen de "post-vrede"-periode in het Midden-Oosten voor te bereiden;

actief de vooruitgang van het vredesproces op alle fronten bevorderen, waarbij mogelijke synergie met het proces van Barcelona eveneens zal worden benut. Ten aanzien van kernvraagstukken als water en vluchtelingen zal de EU desgevraagd steeds haar deskundigheid beschikbaar stellen;

in het kader van een alomvattende regeling en op verzoek van de hoofdrolspelers overwegen of de lidstaten zullen deelnemen aan de uitvoering van veiligheidsafspraken ter plaatse;

bijdragen tot de internationale verbintenis die noodzakelijk is om het vredesproces in het Midden-Oosten uit te voeren en te versterken, met name via steun voor regionale economische samenwerking en integratie en vergroting van de handelsstromen;

werken aan de versterking van de stabiliteit in het Midden-Oosten via veiligheidssamenwerking, door bij te dragen aan de uitvoering van het Europees-mediterrane handvest voor vrede en stabiliteit, zodra dit aangenomen en in werking getreden is.

Economie en financiën

16. De Europese Unie zal:

actief werken aan de uitvoering van de Europees-mediterrane associatieovereenkomsten, met name door de geleidelijke liberalisering van de handel op alle voor de partners belangrijke gebieden in de zin van de verklaring van Barcelona, verder te bevorderen;

alles in het werk stellen om de sluiting en uitvoering van de resterende associatieovereenkomsten te bespoedigen;

maatregelen ondersteunen om de regio aantrekkelijker te maken voor investeerders, vooral door het scheppen van een grotere markt, het stimuleren van gelijkschakeling van beleidsinitiatieven die verband houden met de interne markt van de EU, verbetering van het regelgevingskader, het waarborgen van een eerlijke en billijke behandeling van investeerders en voorlichting in de EU over investeringsmogelijkheden in de regio;

samenwerking op subregionaal niveau zoals b.v. binnen de Arabische Maghreb-Unie stimuleren en steunen, binnen een kader dat in bredere regionale samenwerking zal resulteren;

maatregelen van de mediterrane partners ondersteunen om de zuid-zuidhandel te vergroten, met name via zuid-zuid-handelsovereenkomsten en een geleidelijke harmonisatie van de oorsprongsregels;

mediterrane partners helpen hun capaciteit tot het formuleren van een passend handelsbeleid en tot het actief deelnemen aan handelsbesprekingen te vergroten, met name met betrekking tot de ontwikkeling van de Europees-mediterrane vrijhandelszone en de toekomstige WTO-onderhandelingen;

de liberalisering van lopenderekeningbetalingen stimuleren met het oog op volledige en zo spoedig mogelijke liberalisering van het kapitaalverkeer. Zij zal tevens de euro promoten als contract- en betalingsvaluta voor de mediterrane handel;

de interconnectie van infrastructuur tussen de mediterrane partners onderling en tussen laatstgenoemden en de EU steunen, voortbouwend op de ervaring van de Trans-Europese Netwerken (TEN's) op het gebied van transport, energie en telecommunicatie;

beleidsinitiatieven aanmoedigen die de rol van de particuliere sector vergroten, en het midden- en kleinbedrijf in de mediterrane partnerlanden stimuleren, met name exportgeoriënteerde MKB-bedrijven, als een van de doeltreffendste middelen voor het scheppen van meer werkgelegenheid;

ervoor zorgen dat passende aandacht wordt besteed aan het creëren van een markteconomie met een sociale dimensie, met inbegrip van fundamentele arbeidsnormen en de bevordering van gelijkheid van mannen en vrouwen.

17. De EU zal alle partners stimuleren op passende voorwaarden toe te treden tot de WTO.

18. De EU zal de impact van de financiële samenwerking optimaal versterken via de EU-begroting, met name MEDA, en via de EIB, door middel van de volgende maatregelen:

de Europese Gemeenschap en de lidstaten zullen hun strategieën, programma's en acties op het stuk van financiële en ontwikkelingssamenwerking ten gunste van de mediterrane partners onderling coördineren, en tevens samenwerken met andere donoren, teneinde te zorgen voor de samenhang, de complementariteit en, in voorkomend geval, de cofinanciering;

de Europese Unie zal de economische dialoog met de mediterrane partners opwaarderen, met name wat betreft programmering en financiële bijstand, zulks ter bevordering van een snellere overgang van de economie, deugdelijk fiscaal en monetair beleid en structurele hervorming;

de Commissie zal ervoor zorgen dat andere middelen uit de communautaire begroting die voor de mediterrane partners beschikbaar zijn, op coherente wijze worden gebruikt. Er zal worden gestreefd naar een betere coördinatie met andere relevante EU-programma's (vijfde O&O-kaderprogramma betreffende de bevestiging van de internationale rol van het Europese onderzoek met partners, SYNERGY, LIFE, INTERREG III).

19. De EU zal een lans breken voor beter geïntegreerde waterstrategieën en beleidsmaatregelen op het gebied van watermanagement in het Middellandse-Zeegebied.

Milieu

20. De EU zal ervoor zorgen dat rekening wordt gehouden met de noodzaak om een betere integratie van milieuoverwegingen te bevorderen, met het oog op de duurzaamheid van de economische ontwikkeling.

Sociale en culturele aangelegenheden

21. Naast de samenwerking binnen het Europees-mediterrane partnerschap, zal de EU:

alle nodige maatregelen treffen om de betrokkenheid van de civiele samenleving en de

verdere ontwikkeling van de uitwisseling van personen tussen de EU en de mediterrane partners te vergemakkelijken en aan te moedigen. De NGO's zullen gestimuleerd worden om deel te nemen aan de samenwerking op bilateraal en regionaal niveau. Bijzondere aandacht zal worden geschonken aan de media en de universiteiten;

steun geven aan de inspanningen die erop gericht zijn de samenwerking op sociaal gebied te bevorderen, met inbegrip van de bevordering van gelijke kansen voor mannen en vrouwen en ter versterking van de sociale dialoog;

inspanningen ter verbetering van onderwijs en beroepsopleiding aanmoedigen, met name voor jongeren en vrouwen, teneinde hun integratie op de arbeidsmarkt te verbeteren. In dit verband zal de regionale samenwerking worden verbeterd door middel van de uitwisseling van beste praktijken, overdracht van kennis en vergroting van capaciteit.

Justitie en Binnenlandse Zaken

22. Voortbouwend op het acquis van het proces van Barcelona en in aansluiting op de conclusies van de Europese Raad van Tampere, zal de EU:

handelen in overeenstemming met het Verdrag van Genève betreffende vluchtelingen en andere relevante instrumenten, en de volledige naleving daarvan door de mediterrane partners bepleiten;

de vereenvoudiging en de bespoediging van procedures voor de afgifte van visa bestuderen;

de vaststelling van overeenkomsten tussen rechtssystemen van verschillende oorsprong bevorderen, teneinde civielrechtelijke problemen met betrekking tot personen op te lossen: erfrecht en familierecht, met inbegrip van echtscheiding;

de doorzichtigheid en een betere voorspelbaarheid van de rechtssystemen van de partners bevorderen, teneinde buitenlandse investeringen te stimuleren en legale migranten aan te moedigen om activiteiten te ondernemen, die ten goede komen aan de gezamenlijke ontwikkeling, met hun landen van oorsprong;

ervoor zorgen dat de voorschriften voor het overbrengen van winsten worden geliberaliseerd, en oplossingen worden gevonden om dubbele belastingheffing te vermijden, met name voor legale migranten en personen met een dubbele nationaliteit;

doeltreffende samenwerkingsmechanismen ontwikkelen om netwerken op het gebied van illegale immigratie te bestrijden, met inbegrip van de mensenhandel, onder meer door de invoering van overnameregelingen met betrekking tot onderdanen uit het eigen land en uit derde landen, alsmede personen zonder nationaliteit;

overleg beginnen om te komen tot moderne en doeltreffende grenscontrolesystemen, waarbij onder meer toegang wordt geboden tot opleidingsprogramma's en uitwisseling van ambtenaren;

met de mediterrane partners samenwerken om het migratievraagstuk aan te pakken, met volledige inachtneming van de economische, sociale en culturele realiteit waarmee de partnerlanden worden geconfronteerd. Een dergelijke benadering vereist dat de armoede wordt bestreden, de levensomstandigheden en de werkgelegenheid worden verbeterd, dat conflicten worden voorkomen, democratische staten worden versterkt en de mensenrechten worden nageleefd;

een gemeenschappelijke aanpak ontwikkelen voor de integratie in de maatschappij van onderdanen van de mediterrane partners die gedurende een bepaalde periode op legale wijze in een lidstaat verblijven en die een verblijfsvergunning voor de lange termijn bezitten, teneinde hun rechtspositie in die lidstaat en de rechtspositie van de EU-burgers nader tot elkaar te brengen;

met de mediterrane partners informatie en statistische gegevens uitwisselen over de migratiestromen.

23. De EU zal haar samenwerking met de mediterrane partners verder ontwikkelen, teneinde de georganiseerde misdaad te bestrijden, met inbegrip van de drugshandel en het witwassen van geld, met name door:

hulp bij de opleiding van leden van het gerechtelijk apparaat en van de politiediensten waarbij de nadruk wordt gelegd op informatie over het acquis van de Unie op het gebied van de georganiseerde criminaliteit;

samenwerking met de mediterrane partners aan te bieden, teneinde het noodzakelijke wettelijke, institutionele en gerechtelijke kader te ontwikkelen voor de doeltreffende vervolging van deze misdrijven en samenwerkingsmechanismen te ontwikkelen om grensoverschrijdende misdaad te bestrijden.

De EU zal de mediterrane partners blijven aansporen om toe te treden tot de internationale VN-Verdragen betreffende terrorisme en het beginsel te volgen dat de bestrijding van

terrorisme verankerd moet zijn in de beginselen van het internationaal recht en de eerbiediging van de mensenrechten.

DEEL IV

INSTRUMENTEN EN MIDDELEN

Algemene bepalingen

24. Deze gemeenschappelijke strategie zal worden uitgevoerd door de EU-instellingen en -organen, elk binnen de bevoegdheden die hun bij de Verdragen zijn verleend en in overeenstemming met de procedures die krachtens die Verdragen van toepassing zijn.

25. Met betrekking tot de aspecten van de strategie die onder het GBVB van de Unie vallen, zal de secretaris-generaal van de Raad/hoge vertegenwoordiger voor het GBVB, gesteund door de speciale gezant voor het vredesproces in het Midden-Oosten, de Raad en het voorzitterschap bijstaan bij de uitvoering ervan en bij de tenuitvoerlegging van de besluiten die op basis hiervan worden aangenomen. Onverminderd haar bevoegdheden uit hoofde van het VEG, zal de Commissie, overeenkomstig de artikelen 18 en 27 van het VEU, hierbij volledig worden betrokken.

26. De Raad en de Commissie zullen, in overeenstemming met artikel 3, VEU, de samenhang, de eenheid en de doeltreffendheid van het optreden van de Unie verzekeren. De doeltreffendheid van deze gemeenschappelijke strategie zal worden geoptimaliseerd door te zorgen voor een zo groot mogelijke samenhang tussen de diverse instrumenten en activiteiten die door de Unie worden ondernomen, alsmede tussen de activiteiten van de Unie en die van de lidstaten. De Unie zal de complementariteit tussen haar mediterrane beleid en de andere beleidsterreinen waarborgen.

27. De lidstaten zullen een bijdrage leveren aan de doelstellingen van de gemeenschappelijke strategie door op passende en gecoördineerde wijze gebruik te maken van alle instrumenten en middelen waarover zij terzake beschikken. Bestaande regelingen, op grond waarvan lidstaten andere staten erkennen, zij besluiten over het lidmaatschap van een staat, van internationale organisaties of besluiten om bilaterale diplomatieke betrekkingen aan te knopen of te onderhouden, alsmede andere bilaterale betrekkingen (bijvoorbeeld op politiek, sportief en cultureel gebied), zullen door deze gemeenschappelijke strategie niet worden beïnvloed.

De Raad, de Commissie en de lidstaten

28. De Raad, de Commissie en de lidstaten zullen:

overeenkomstig hun respectieve bevoegdheden en hoedanigheden, bestaande acties, programma's, instrumenten en beleidsmaatregelen die buiten de verklaring van Barcelona en de besluiten ter uitvoering daarvan vallen, toetsen, om ervoor te zorgen dat ze in overeenstemming zijn met deze strategie; en, daar waar er sprake is van consistenties, op de eerstvolgende evaluatiedatum de noodzakelijke aanpassingen invoeren;

een volledig en passend gebruik maken van de bestaande instrumenten en middelen, alsmede van alle relevante programma's van de EU en van de lidstaten en te dien einde een indicatieve inventaris ontwikkelen en bijhouden van de middelen van de Unie, de Gemeenschap en de lidstaten, waarmee de gemeenschappelijke strategie zal worden uitgevoerd.

Coördinatie

29. De lidstaten zullen extra inspanningen doen om hun acties ten aanzien van het Middellandse-Zeegebied te coördineren, ook binnen regionale en internationale organisaties zoals de Raad van Europa, de VN, de OESO en de IFI's. Deze coördinatie zal terdege rekening houden met de bevoegdheid van de Gemeenschap.

30. De lidstaten die deelnemen aan andere fora, waarbij zij hetzij als belangrijkste doelstelling, hetzij als nevenactiviteit betrokken zijn bij activiteiten betreffende het Middellandse-Zeegebied, zullen daarbij handelen in overeenstemming met de doelstellingen van deze gemeenschappelijke strategie.

31. De vertegenwoordigers van de lidstaten en van de Commissie in de mediterrane partnerlanden zullen deze gemeenschappelijke strategie volledig in acht nemen bij de coördinatie van hun activiteiten ter plaatse.

32. De Raad, de Commissie en de lidstaten zullen streven naar een doeltreffender samenwerking met regionale en internationale organisaties en zij zullen, samen met andere gelijkgezinde landen, streven naar de verwezenlijking van de doelstellingen van de strategie.

Uitvoering en toetsing

33. De Europese Raad verzoekt de Raad:

ervoor te zorgen dat elk toekomstig voorzitterschap in het kader van zijn algemene programma prioriteiten aan de Raad voorlegt voor de uitvoering van deze gemeenschappelijke strategie, op basis van de doelstellingen in deel II en met inachtneming van de actiegebieden in deel III;

de actie van de Unie uit hoofde van deze strategie te toetsen en te evalueren en minstens één keer per jaar verslag uit te brengen aan de Europese Raad over de vooruitgang die ten aanzien van de doelstellingen is geboekt;

de situatie in het Middellandse-Zeegebied, alsmede de stand van de samenwerking van de mediterrane partners bij de uitvoering van deze strategie aan een toetsing te onderwerpen en in zijn verslag aan de Europese Raad hierover een beoordeling te geven;

waar nodig, aanbevelingen voor wijzigingen van de delen II en III van deze strategie voor te leggen aan de Europese Raad.

34. De Commissie zal, binnen haar bevoegdheid, een bijdrage aan het bovenstaande leveren.

Samenwerking met de mediterrane partners

35. De Europese Unie en haar lidstaten zullen nauw met de mediterrane partners samenwerken bij de uitvoering van deze gemeenschappelijke strategie, met name via de associatieovereenkomsten en via het Europees-mediterraan Comité voor het proces van Barcelona, en zij zullen daarbij ook de aanbevelingen en opmerkingen van de mediterrane partners in aanmerking nemen.

DEEL V

Duur

36. Deze gemeenschappelijke strategie is van toepassing vanaf de datum van de bekendmaking

ervan, voor een eerste periode van vier jaar. De duur van de strategie kan worden verlengd, en de strategie zelf kan worden herzien en, zo nodig, aangepast door de Europese Raad, op aanbeveling van de Raad.

Bekendmaking

37. Deze gemeenschappelijke strategie zal in het Publicatieblad worden bekendgemaakt.

 

Verklaring van de Europese Raad

betreffende de gemeenschappelijke strategie voor het Middellandse-Zeegebied

 

De Raad besluit met een gekwalificeerde meerderheid van stemmen bij de vaststelling van gemeenschappelijke optredens, de aanneming van gemeenschappelijke standpunten of van andere besluiten die binnen de werkingssfeer vallen van Titel V van het Verdrag betreffende de Europese Unie (gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid), op basis van de gemeenschappelijke strategie.

Besluiten die buiten de werkingssfeer van Titel V van het Verdrag betreffende de Europese Unie worden aangenomen, zullen aangenomen blijven worden volgens de gepaste besluitvormingsprocedures die zijn vastgelegd in de desbetreffende bepalingen van de Verdragen, met inbegrip van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap en Titel VI van het Verdrag betreffende de Europese Unie.

Ter gelegenheid van de aanneming van de gemeenschappelijke strategie van de Europese Unie voor het Middellandse-Zeegebied bevestigt de Europese Raad dat de Europese Unie de inspanningen van de partijen om vredesovereenkomsten te sluiten en vervolgens uit te voeren, zal blijven ondersteunen. De Europese Unie zal daarbij uitgaan van de beginselen die vervat zijn in de verklaring van de Europese Raad van Berlijn in maart 1999.

De Europese Raad verzoekt de Raad, bijgestaan door de secretaris-generaal/hoge vertegenwoordiger voor het GBVB met de steun van de speciale gezant van de EU voor het vredesproces, alsmede de Commissie om na te denken over de vraag op welke wijze het proces van Barcelona de stabiliteit in het Nabije Oosten kan ondersteunen, om te streven naar een versterking van de herkenbaarheid van de Unie en om concrete initiatieven voor te stellen die genomen kunnen worden om de ontwikkeling van de regio in de periode "na het sluiten van de vrede", te bevorderen. Een verslag over deze vraagstukken zal worden voorgelegd aan de komende Europese Raad.

 

_______________

 

BIJLAGE VI

Verklaring van de Europese Raad over Ethiopië en Eritrea

De Europese Raad is verheugd over de sluiting in Algiers van het akkoord over het staken van de vijandelijkheden tussen Ethiopië en Eritrea. Hij doet zijn welgemeende felicitaties toekomen aan de huidige voorzitter van de Organisatie voor Afrikaanse Eenheid, de heer Abdelaziz Bouteflika, met het bereiken van dit belangrijke resultaat met het oog op een alomvattend akkoord over de uitvoering van het vredesplan dat is voorgesteld door de OAE met de steun, samen met de Verenigde Staten, van de Europese Unie via de speciale vertegenwoordiger van het voorzitterschap, senator Rino Serri.

Rekening houdend met de besluiten van de Verenigde Naties zal de uitvoering van de vredesregeling een positief effect hebben op de stabiliteit en de ontwikkeling van de hele regio.

 

_______________

 

BIJLAGE VII

 

DOCUMENTEN VOORGELEGD AAN

DE EUROPESE RAAD VAN SANTA MARIA DA FEIRA

 

Verslag van het voorzitterschap over de Intergouvernementele Conferentie

(CONFER 4750/00)

Verslag van het voorzitterschap over de versterking van het gemeenschappelijk Europees veiligheids- en defensiebeleid

(9149/00)

Verslag van de Raad over de globale richtsnoeren voor het economisch beleid van de lidstaten en de Gemeenschap

(9164/00)

Verslag van de Commissie: Financiële diensten: stand van zaken

(8924/00)

Conclusies van de Raad ECOFIN betreffende het verslag van de Commissie over de uitvoering van het actieplan voor financiële diensten

(9280/00)

Initiatief Innovatie 2000 van de EIB

(9180/00)

Actieplan van de Commissie: "e-Europa 2002 - Een informatiemaatschappij voor iedereen"

(9097/00)

Voortgangsverslag van de Groep op hoog niveau betreffende de versterking van de samenwerking voor de modernisering en verbetering van de sociale bescherming

(8634/00 COR 1 (en) COR 2 (gr)

Bijdrage van de Raad (Werkgelegenheid en Sociaal Beleid) inzake de follow-up van de Europese Raad van Lissabon

(9353/00)

Verslag van het voorzitterschap betreffende het Witboek over voedselveiligheid

(8899/00)

Verslag van de Raad (Visserij) over de integratie van milieueisen en duurzame ontwikkeling in het visserijbeleid

(9386/00)

EU-actieplan inzake drugs 2000-2004

(9283/00)

Prioriteiten en beleidsdoelstellingen van de Europese Unie voor de externe betrekkingen op het gebied van Justitie en Binnenlandse Zaken

(7653/00)

Verslag van de Raad over de gemeenschappelijke strategie ten aanzien van Rusland

(9405/00)

Gemeenschappelijke strategie voor het Middellandse Zeegebied

(9404/1/00 REV 1)

Verslag over de Westelijke Balkan, door de secretaris-generaal/hoge vertegenwoordiger samen met de Commissie voorgelegd aan de Europese Raad

(3166/3/00 REV 3)

Actieplan voor de Noordelijke dimensie in het externe en grensoverschrijdende beleid van de Europese Unie 2000-2003

(9401/00)

__________________