CONCLUSIES VAN HET VOORZITTERSCHAP
EUROPESE RAAD VAN TAMPERE
15 EN 16 OKTOBER 1999
De Europese Raad heeft op 15 en 16 oktober 1999 in Tampere een speciale bijeenkomst gehouden over de totstandbrenging van een ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid in de Europese Unie. Aan het begin van de besprekingen heeft een gedachtewisseling over de belangrijkste onderwerpen plaatsgevonden met de voorzitter van het Europees Parlement, Nicole Fontaine.
De Europese Raad is vastbesloten de Europese Unie te ontwikkelen tot een ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid door volledig gebruik te maken van de mogelijkheden die het Verdrag van Amsterdam biedt. De Europese Raad zendt een krachtig politiek signaal uit om het belang van deze doelstelling te bevestigen en heeft overeenstemming bereikt over een aantal beleidslijnen en -prioriteiten waarmee deze ruimte spoedig werkelijkheid zal worden.
De Europese Raad zal deze doelstelling bovenaan op de politieke agenda plaatsen en houden. Hij zal voortdurend toezien op de vorderingen bij de uitvoering van de nodige maatregelen en op de inachtneming van het tijdschema dat met het Verdrag van Amsterdam, het actieplan van Wenen en deze conclusies is vastgesteld. De Commissie wordt verzocht een voorstel in te dienen voor een passend scorebord ter zake. De Europese Raad benadrukt het belang van de nodige transparantie en van geregelde informatie van het Europees Parlement. Hij zal in december 2001 een volledig debat wijden aan de beoordeling van de vorderingen.
In nauwe samenhang met de ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid heeft de Europese Raad overeenstemming bereikt over de in de bijlage opgenomen samenstelling, werkmethode en praktische regelingen van het forum dat belast is met de opstelling van een ontwerp van een Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Hij verzoekt alle betrokken partijen ervoor te zorgen dat de werkzaamheden in verband met het Handvest spoedig kunnen beginnen.
De Europese Raad spreekt zijn dankbaarheid uit voor het werk dat de aftredend secretaris-generaal van de Raad, Jürgen Trumpf, heeft verricht, en met name voor zijn bijdrage tot de ontwikkeling van de Unie na de inwerkingtreding van het Verdrag van Amsterdam.
Aangezien een van de centrale punten van de werkzaamheden van de Unie in de komende jaren de versterking van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid, waaronder de ontwikkeling van een Europees veiligheids- en defensiebeleid, zal zijn, verwacht de Europese Raad dat de nieuwe secretaris-generaal van de Raad en hoge vertegenwoordiger voor het GBVB, Javier Solana, een essentiële bijdrage tot deze doelstelling zal leveren. De heer Solana zal bij de uitoefening van zijn bevoegdheden overeenkomstig artikel 18, lid 3, van het Verdrag, op de volledige steun van de Europese Raad kunnen rekenen, zodat hij zich volledig van zijn taken kan kwijten. Het zal onder andere tot zijn verantwoordelijkheden behoren samen te werken met het voorzitterschap om ervoor te zorgen dat de beraadslagingen en het optreden in aangelegenheden op het gebied van het buitenlands en veiligheidsbeleid efficiënt verlopen teneinde de continuïteit en de consistentie van het beleid te bevorderen op basis van de gemeenschappelijke belangen van de Unie.
NAAR EEN UNIE VAN VRIJHEID, VEILIGHEID EN RECHTVAARDIGHEID:
DE RICHTPUNTEN VAN TAMPERE
1. Van meet af aan was de Europese integratie diep geworteld in een gemeenschappelijk engagement voor vrijheid op basis van de rechten van de mens, democratische instellingen en de rechtsstaat. Deze gemeenschappelijke waarden zijn noodzakelijk gebleken voor het veiligstellen van de vrede en het ontwikkelen van de welvaart in de Europese Unie. Zij zullen ook als hoeksteen dienen voor de uitbreiding van de Unie.
2. De Europese Unie heeft voor haar burgers reeds de belangrijkste voorwaarden geschapen voor een gezamenlijke ruimte van voorspoed en vrede, namelijk een interne markt, een economische en monetaire unie en het vermogen om op wereldschaal politieke en economische uitdagingen aan te gaan. De uitdaging van het Verdrag van Amsterdam is er nu voor te zorgen dat de vrijheid, met inbegrip van het recht zich ongehinderd door de gehele Unie te verplaatsen, kan worden genoten in omstandigheden die veiligheid en toegang tot het recht voor allen waarborgen. Dit is een onderneming die tegemoetkomt aan dikwijls geuite verlangens van de burgers en die van rechtstreekse invloed is op hun dagelijks leven.
3. Deze vrijheid mag echter niet worden opgevat als een domein dat alleen aan de eigen burgers van de Unie is voorbehouden. Het bestaan van deze vrijheid alleen al trekt wereldwijd velen aan die niet de vrijheid genieten die de burgers van de Unie als vanzelfsprekend beschouwen. Het zou in strijd zijn met de Europese tradities die vrijheid te ontzeggen aan hen die, door omstandigheden gedwongen, op legitieme gronden toegang tot ons grondgebied trachten te krijgen. Dit maakt het voor de Unie noodzakelijk een gemeenschappelijk asiel- en immigratiebeleid uit te werken, rekening houdend met de noodzaak van een consequente controle aan de buitengrenzen om illegale immigratie een halt toe te roepen en degenen die deze immigratie organiseren en daarmee verband houdende internationale misdrijven begaan, te bestrijden. Dit gemeenschappelijk beleid moet berusten op beginselen die niet alleen duidelijk zijn voor onze eigen burgers maar ook garanties bieden aan hen die bescherming zoeken in of toegang vragen tot de Europese Unie.
4. Doel is een open en veilige Europese Unie, die volledig gebonden is aan de verplichtingen die voortvloeien uit het Vluchtelingenverdrag van Genève en andere relevante instrumenten betreffende de mensenrechten, en die in staat is op basis van solidariteit humanitaire noden te lenigen. Er moet ook een gemeenschappelijke aanpak worden ontwikkeld om ervoor te zorgen dat derdelanders die legaal in de Unie verblijven, in onze samenleving geïntegreerd worden.
5. Vrijheid kan alleen worden genoten bij de gratie van een ware rechtsruimte, waarin de burgers in elke andere lidstaat even gemakkelijk toegang hebben tot de rechter en de overheid als in hun eigen lidstaat. Criminelen mogen geen kans krijgen om verschillen tussen de gerechtelijke systemen van de lidstaten uit te buiten. Vonnissen en uitspraken dienen in de gehele Unie in acht te worden genomen en ten uitvoer te worden gelegd, waarbij de fundamentele rechtszekerheid van particulieren en ondernemingen gewaarborgd moet zijn. Er dient een grotere verenigbaarheid en meer convergentie tussen de rechtsstelsels van de lidstaten tot stand te worden gebracht.
6. De burgers hebben het recht van de Unie te verwachten dat zij de bedreiging die zware criminaliteit voor hun vrijheid en wettelijke rechten vormt, aanpakt. Tegenover deze bedreiging is een gemeenschappelijke inspanning nodig op het stuk van voorkoming en bestrijding van criminaliteit en criminele organisaties in de gehele Unie. De krachten van de politiële en justitiële instanties dienen te worden gebundeld om te garanderen dat er in de Unie geen schuilplaats is voor criminelen of voor de opbrengsten van criminele activiteiten.
7. De ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid dient gebaseerd te zijn op de beginselen van transparantie en democratische controle. Wij moeten met de civiele samenleving een open dialoog voeren over de doelstellingen en beginselen van deze ruimte teneinde de acceptatie en de steun onder de burgers te vergroten. Om het vertrouwen in de overheid te handhaven, dienen er gemeenschappelijke normen voor de integriteit van overheidsinstanties te worden ontwikkeld.
8. De Europese Raad acht het van wezenlijk belang dat de Unie op deze gebieden ook het vermogen ontwikkelt om op het internationale toneel als een belangrijke partner op te treden en beschouwd te worden. Daarvoor is een nauwe samenwerking vereist met partnerlanden en internationale organisaties, met name de Raad van Europa, de OVSE, de OESO en de Verenigde Naties.
9. De Europese Raad verzoekt de Raad en de Commissie, in nauwe samenwerking met het Europees Parlement, de volledige en onmiddellijke uitvoering van het Verdrag van Amsterdam te bevorderen op basis van het actieplan van Wenen en de hierna volgende politieke beleidslijnen en concrete doelstellingen die hier in Tampere zijn overeengekomen.
A. EEN GEMEENSCHAPPELIJK ASIEL- EN MIGRATIEBELEID VAN DE EU
10. De afzonderlijke maar onderling nauw verbonden vraagstukken van asiel en migratie vereisen dat er een gemeenschappelijk EU-beleid wordt uitgewerkt dat de volgende elementen bevat.
I. Partnerschap met landen van herkomst
11. De Europese Unie heeft behoefte aan een alomvattende aanpak van migratie, met aandacht voor de politieke, mensenrechten- en ontwikkelingsvraagstukken in de landen en regio's van herkomst en doorreis. Dit betekent armoedebestrijding, verbetering van levensomstandigheden en werkgelegenheid, voorkoming van conflicten en consolidatie van democratische staten en dat dient te worden toegezien op naleving van de mensenrechten, in het bijzonder de rechten van minderheden, vrouwen en kinderen. Hiertoe worden de Unie en de lidstaten verzocht om binnen de hun krachtens de Verdragen toegewezen bevoegdheden bij te dragen tot een grotere samenhang van het interne en het externe beleid van de Unie. Partnerschap met de betrokken derde landen zal eveneens cruciaal zijn voor het succes van een dergelijk beleid, met als doel gezamenlijke ontwikkeling te stimuleren.
12. De Europese Raad spreekt in dit verband zijn waardering uit voor het verslag van de door de Raad opgerichte groep op hoog niveau voor asiel- en migratievraagstukken en stemt in met de verlenging van het mandaat van die groep en met het opstellen van nog meer actieplannen. Hij beschouwt de eerste actieplannen van de groep, die door de Raad zijn goedgekeurd, als een nuttige bijdrage en verzoekt de Raad en de Commissie om in december 2000 aan de Europese Raad verslag uit te brengen over de uitvoering ervan.
II. Een gemeenschappelijk Europees asielstelsel
13. De Europese Raad bevestigt het belang dat de Unie en haar lidstaten hechten aan de absolute eerbiediging van het recht om asiel te zoeken. Hij is overeengekomen te werken aan de instelling van een gemeenschappelijk Europees asielstelsel dat stoelt op de volledige en niet-restrictieve toepassing van het Verdrag van Genève, en zo te garanderen dat niemand wordt teruggestuurd naar het land van vervolging, dat wil zeggen dat het beginsel van non-refoulement wordt gehandhaafd.
14. Dit stelsel dient op korte termijn een duidelijke, hanteerbare vaststelling te omvatten van de staat die verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek, alsook gemeenschappelijke normen voor een eerlijke en doeltreffende asielprocedure, gemeenschappelijke minimumvoorwaarden voor de opvang van asielzoekers en op elkaar afgestemde regels inzake de toekenning en de inhoud van de vluchtelingenstatus. Het stelsel dient daarnaast te worden aangevuld met maatregelen inzake subsidiaire vormen van bescherming die eenieder die een dergelijke bescherming behoeft, een passende status verlenen. Hiertoe wordt de Raad dringend verzocht om op basis van voorstellen van de Commissie de noodzakelijke besluiten aan te nemen overeenkomstig het tijdschema dat is vervat in het Verdrag van Amsterdam en het actieplan van Wenen. De Europese Raad acht het belangrijk dat de UNHCR en andere internationale organisaties worden geraadpleegd.
15. Op langere termijn zou de communautaire regelgeving moeten leiden tot een gemeenschappelijke asielprocedure en een uniforme status voor personen die asiel hebben gekregen welke in de hele Unie geldig is. De Commissie wordt verzocht hierover binnen een jaar met een mededeling te komen.
16. De Europese Raad dringt erop aan dat de Raad intensiever streeft naar overeenstemming over tijdelijke bescherming van ontheemden op basis van solidariteit tussen de lidstaten. De Europese Raad is van oordeel dat enige vorm van financiële reservemiddelen voor tijdelijke bescherming bij massale instroom van vluchtelingen dient te worden overwogen. De Commissie wordt verzocht de mogelijkheden ter zake te onderzoeken.
17. De Europese Raad dringt erop aan dat de Raad onverwijld de laatste hand legt aan het systeem ter identificatie van asielzoekers (Eurodac).
III. Eerlijke behandeling van derdelanders
18. De Europese Unie moet zorgen voor een eerlijke behandeling van derdelanders die legaal op het grondgebied van haar lidstaten verblijven. Een krachtiger integratiebeleid moet erop gericht zijn hun rechten en verplichtingen te geven die vergelijkbaar zijn met die van de EU-burgers. Dit beleid dient tevens de non-discriminatie in het economische, sociale en culturele leven te stimuleren en maatregelen tegen racisme en vreemdelingenhaat te ontwikkelen.
19. Voortbouwend op de mededeling van de Commissie: "Een actieplan tegen racisme" roept de Europese Raad ertoe op om de strijd tegen racisme en vreemdelingenhaat op te voeren. De lidstaten zullen daarbij gebruik maken van de beste praktijken en ervaringen. De samenwerking met het Europees Waarnemingscentrum voor racisme en vreemdelingenhaat en de Raad van Europa zal worden geïntensiveerd. Daarenboven wordt de Commissie verzocht ter uitvoering van artikel 13 van het EG-verdrag zo spoedig mogelijk met voorstellen te komen inzake de strijd tegen racisme en vreemdelingenhaat. Om meer in het algemeen discriminatie te bestrijden, worden de lidstaten aangemoedigd om nationale programma's op te stellen.
20. De Europese Raad erkent de noodzaak van onderlinge afstemming van de nationale wetgevingen over de voorwaarden voor toelating en verblijf van derdelanders, gebaseerd op een gezamenlijke evaluatie van de economische en demografische ontwikkelingen in de Unie alsook op de situatie in de landen van herkomst. Hij verzoekt de Raad om daartoe op basis van voorstellen van de Commissie spoedig besluiten te nemen. In deze besluiten dient niet alleen rekening te worden gehouden met de opvangcapaciteit van de verschillende lidstaten maar ook met hun historische en culturele banden met de landen van herkomst.
21. De wettelijke status van derdelanders moet meer in overeenstemming worden gebracht met die van de onderdanen van de lidstaten. Iemand die tijdens een nader te bepalen periode legaal in een lidstaat heeft verbleven en in het bezit is van een vergunning tot langdurig verblijft, zou in deze lidstaat een aantal uniforme rechten moeten verkrijgen die zo dicht mogelijk bij de rechten van EU-burgers liggen, bijvoorbeeld het recht op verblijf, op onderwijs en op werk als werknemer of zelfstandige, alsook het principe van non-discriminatie ten opzichte van de burgers van het land van verblijf. De Europese Raad onderschrijft de doelstelling dat derdelanders die reeds lange tijd legaal in de Unie verblijven de nationaliteit moeten kunnen verkrijgen van de lidstaat van verblijf.
IV. Beheersing van migratiestromen
22. De Europese Raad wijst erop dat alle fasen van de migratiestromen doeltreffender moeten worden beheerst. Hij wenst dat in nauwe samenwerking met landen van herkomst en doorreis voorlichtingscampagnes worden ontwikkeld over de reële mogelijkheden tot legale immigratie en dat elke vorm van mensenhandel wordt voorkomen. Een actief gemeenschappelijk beleid inzake visa en valse documenten dient verder te worden ontwikkeld, met inbegrip van nauwere samenwerking tussen de EU-consulaten in derde landen en, indien nodig, de vestiging van gemeenschappelijke kantoren voor de afgifte van EU-visa.
23. De Europese Raad is vastbesloten om de illegale immigratie bij de bron aan te pakken, meer bepaald door de strijd aan te binden met diegenen die zich met mensensmokkel en economische uitbuiting van migranten bezighouden. Hij dringt aan op de aanneming van wetgeving waarin op deze ernstige vorm van criminaliteit strenge straffen worden gesteld. De Raad wordt verzocht om voor het einde van 2000 op basis van een Commissievoorstel de hiertoe strekkende wetgeving aan te nemen. De lidstaten dienen samen met Europol hun inspanningen te richten op het opsporen en ontmantelen van de daarbij betrokken criminele netwerken. De rechten van de slachtoffers van dergelijke praktijken dienen te worden gewaarborgd, met bijzondere aandacht voor de problemen van vrouwen en kinderen.
24. De Europese Raad wenst nauwere samenwerking en wederzijdse technische bijstand tussen de grenscontrolediensten van de lidstaten, zoals uitwisselingsprogramma's en technologieoverdracht, in het bijzonder waar het de zeegrenzen betreft, alsmede de spoedige deelneming van de kandidaat-lidstaten aan deze samenwerking. In dit verband spreekt de Raad zijn voldoening uit over het memorandum van overeenstemming tussen Italië en Griekenland om op de Adriatische en de Ionische Zee nauwer samen te werken bij de bestrijding van georganiseerde criminaliteit, smokkel en mensenhandel.
25. Ingevolge de integratie van het Schengenacquis in de Unie moeten de kandidaat-lidstaten dat acquis en de maatregelen die daarop voortbouwen volledig overnemen. De Europese Raad beklemtoont het belang van doeltreffende controle aan de toekomstige buitengrenzen van de Unie door gespecialiseerde, goed opgeleide vakmensen.
26. De Europese Raad wenst dat landen van herkomst en doorreis worden gesteund teneinde vrijwillige terugkeer te bevorderen, de autoriteiten van deze landen te helpen hun capaciteit te vergroten om de mensensmokkel doeltreffend te bestrijden en hun terug- en overnameverplichtingen jegens de Unie en de lidstaten na te komen.
27. Bij het Verdrag van Amsterdam heeft de Gemeenschap bevoegdheden gekregen op het gebied van terug- en overname. De Europese Raad verzoekt de Raad terug- en overnameovereenkomsten te sluiten of standaardclausules te doen opnemen in andere overeenkomsten tussen de Europese Gemeenschap en daarvoor in aanmerking komende derde landen of groepen van landen. Ook regels voor interne terug- en overname zouden in overweging moeten worden genomen.
B. EEN WARE EUROPESE RECHTSRUIMTE
28. In een ware Europese rechtsruimte mogen burgers en bedrijven door de onderlinge onverenigbaarheid of de complexiteit van de rechts- en administratieve stelsels van de lidstaten niet worden verhinderd of ontmoedigd om hun rechten te doen gelden.
V. Een betere toegang tot de rechter in Europa
29. Om de toegang tot de rechter te vergemakkelijken, verzoekt de Europese Raad de Commissie om in samenwerking met andere relevante fora, waaronder de Raad van Europa, een informatiecampagne te lanceren en ten behoeve van de gebruikers geschikte "handleidingen" te publiceren over justitiële samenwerking binnen de Unie en over de rechtsstelsels van de lidstaten. Tevens verzoekt hij om de instelling van een gemakkelijk toegankelijk informatiesysteem dat wordt onderhouden en bijgewerkt door een netwerk van bevoegde nationale autoriteiten.
30. De Europese Raad verzoekt de Raad op basis van Commissievoorstellen minimumnormen vast te stellen om in de gehele Unie een adequaat niveau van rechtsbijstand in geval van grensoverschrijdende rechtszaken te waarborgen, alsmede speciale gemeenschappelijke procedureregelingen voor een vereenvoudigde, versnelde grensoverschrijdende beslechting van geschillen inzake kleine consumenten- en commerciële vorderingen en alimentatievorderingen en inzake niet-betwiste vorderingen. Ook zouden er door de lidstaten alternatieve, buitengerechtelijke procedures in het leven moeten worden geroepen.
31. Er dienen gemeenschappelijke minimumnormen te worden gesteld aan meertalige formulieren of documenten die in de gehele Unie in grensoverschrijdende rechtszaken moeten worden gebruikt. Deze documenten of formulieren moeten dan over en weer worden aanvaard als geldige documenten in alle gerechtelijke procedures in de Unie.
32. In het licht van de mededeling van de Commissie dienen minimumnormen te worden opgesteld voor de bescherming van slachtoffers van misdrijven, in het bijzonder inzake de toegang tot de rechter voor slachtoffers van misdrijven en hun recht op schadevergoeding, met inbegrip van de proceskosten. Voorts dienen nationale programma's te worden uitgewerkt ter financiering van al dan niet van overheidswege getroffen maatregelen voor hulp aan en bescherming van slachtoffers.
VI. Wederzijdse erkenning van rechterlijke beslissingen
33. Een versterkte wederzijdse erkenning van rechterlijke beslissingen en vonnissen en de noodzakelijke onderlinge aanpassing van de wetgevingen zouden de samenwerking tussen de autoriteiten en de rechterlijke bescherming van de rechten van het individu ten goede komen. De Europese Raad onderschrijft derhalve het beginsel van wederzijdse erkenning, dat zijns inziens de hoeksteen van de justitiële samenwerking binnen de Unie zou moeten worden in zowel burgerrechtelijke als strafzaken. Het beginsel dient zowel voor vonnissen als op andere beslissingen van rechterlijke autoriteiten te gelden.
34. Op het gebied van het burgerlijk recht verzoekt de Europese Raad de Commissie een voorstel in te dienen tot verdere vermindering van de intermediaire maatregelen die nog altijd moeten worden genomen om te bewerkstelligen dat een beslissing of een vonnis in de aangezochte staat kan worden erkend en tenuitvoergelegd. Als eerste stap dienen deze intermediaire procedures te worden afgeschaft voor titels met betrekking tot kleine consumenten- en commerciële vorderingen en met betrekking tot bepaalde vonnissen in familierechtelijke procedures (b.v. alimentatievorderingen en omgangsregelingen). Dergelijke beslissingen zouden dan automatisch in de gehele Unie worden erkend, zonder enige intermediaire procedure of gronden tot weigering van de tenuitvoerlegging. Dit zou gepaard kunnen gaan met de vaststelling van minimumnormen voor specifieke aspecten van het procesrecht in burgerrechtelijke zaken.
35. Op strafrechtelijk gebied roept de Europese Raad de lidstaten op spoedig de EU-uitleveringsovereenkomsten van 1995 en 1996 te bekrachtigen. Hij is van oordeel dat voor personen die zich na een definitieve veroordeling aan de tenuitvoerlegging proberen te onttrekken, de formele uitleveringsprocedure tussen de lidstaten dient te worden afgeschaft en te worden vervangen door de overdracht zonder meer van de betrokkenen, met inachtneming van artikel 6 van het VEU. Ook dienen, zonder afbreuk te doen aan het beginsel van een eerlijke behandeling in rechte snelle uitleveringsprocedures te worden overwogen. De Europese Raad verzoekt de Commissie voorstellen terzake in te dienen in het licht van de Schengenuitvoeringsovereenkomst.
36. Het beginsel van wederzijdse erkenning moet ook van toepassing zijn op gerechtelijke bevelen die in de fase voorafgaande aan het onderzoek ter terechtzitting worden gegeven, in het bijzonder die op basis waarvan de bevoegde autoriteiten snel bewijsmateriaal veilig kunnen stellen en beslag kunnen leggen op gemakkelijk verplaatsbare voorwerpen. Door de autoriteiten van een lidstaat legaal verkregen bewijsmateriaal moet gebruikt kunnen worden in rechtszaken in andere lidstaten, rekening houdend met de daar toepasselijke normen.
37. De Europese Raad vraagt de Raad en de Commissie voor december 2000 een programma van maatregelen goed te keuren om uitvoering te geven aan het beginsel van wederzijdse erkenning. In het kader van dit programma dient ook een begin te worden gemaakt met werkzaamheden betreffende een Europese Executoriale Titel en de aspecten van het procesrecht waarvoor gemeenschappelijke minimumnormen noodzakelijk worden geacht teneinde de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning te vergemakkelijken, een en ander met inachtneming van de fundamentele rechtsbeginselen van de lidstaten.
VII. Grotere convergentie inzake burgerlijk recht
38. De Europese Raad verzoekt de Raad en de Commissie nieuwe procesrechtregels voor grensoverschrijdende zaken op te stellen, in het bijzonder betreffende de elementen die een soepele justitiële samenwerking en de toegang tot de rechter bevorderen, bv. inzake voorlopige maatregelen, bewijsvergaring, betalingsbevelen en termijnen.
39. Wat het materiële recht betreft, wordt verzocht een alomvattende studie uit te voeren over de noodzaak de wetgevingen van de lidstaten op burgerrechtelijk gebied onderling aan te passen teneinde belemmeringen voor een goede rechtsgang in burgerrechtelijke zaken weg te nemen. De Raad dient hierover tegen het jaar 2001 verslag uit te brengen.
C. BESTRIJDING VAN DE CRIMINALITEIT IN DE UNIE IN HAAR GEHEEL
40. De Europese Raad is vastbesloten de strijd tegen ernstige georganiseerde en transnationale criminaliteit op te voeren. Het hoge niveau van zekerheid in de ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid veronderstelt een doeltreffende en alomvattende aanpak in de bestrijding van alle vormen van criminaliteit. Er moet een evenwichtige ontwikkeling van misdaadbestrijdingsmaatregelen in de gehele Unie worden bewerkstelligd, waarbij de vrijheid en de wettelijke rechten van personen en ondernemingen worden beschermd.
VIII. Criminaliteitspreventie op het niveau van de Unie
41. De Europese Raad verlangt dat aspecten van criminaliteitspreventie in de maatregelen ter bestrijding van de criminaliteit worden geïntegreerd en dat de nationale criminaliteitspreventieprogramma's verder worden ontwikkeld. Er dienen gemeenschappelijke prioriteiten op het gebied van de criminaliteitspreventie te worden uitgewerkt en vastgesteld voor het externe en interne beleid van de Unie, waarmee rekening dient te worden gehouden bij de voorbereiding van nieuwe regelgeving.
42. Er dient verder te worden gewerkt aan de uitwisseling van beste praktijken, het netwerk van bevoegde nationale autoriteiten voor criminaliteitspreventie en de samenwerking tussen de nationale organisaties op het terrein van de criminaliteitspreventie dient te worden versterkt, en daartoe dient de mogelijkheid van een door de Gemeenschap gefinancierd programma te worden onderzocht. De eerste prioriteiten voor deze samenwerking zouden jeugdcriminaliteit, stedelijke en drugsgerelateerde criminaliteit kunnen zijn.
IX. Versterking van de samenwerking bij de bestrijding van de criminaliteit
43. Bij onderzoeken inzake grensoverschrijdende criminaliteit in een lidstaat moet optimaal profijt worden getrokken van samenwerking tussen de autoriteiten van de lidstaten. De Europese Raad verlangt dat onverwijld gezamenlijke onderzoekteams zoals bepaald in het Verdrag worden ingesteld als eerste stap ter bestrijding van drugshandel, mensenhandel en terrorisme. De hiervoor vast te stellen regels moeten het mogelijk maken dat vertegenwoordigers van Europol zo nodig ter ondersteuning deel uitmaken van zulke teams.
44. De Europese Raad verlangt dat er een operationele Task Force van Europese Politiechefs wordt ingesteld om, in samenwerking met Europol, ervaringen, beste praktijken en informatie uit te wisselen inzake actuele trends in de grensoverschrijdende criminaliteit, en bij te dragen tot de planning van operationele maatregelen.
45. Europol speelt een essentiële rol in de ondersteuning van criminaliteitspreventie, -analyse en onderzoek in de gehele Unie. De Europese Raad verzoekt de Raad, Europol de nodige bijstand en middelen te verschaffen. In de nabije toekomst dient de rol van Europol te worden versterkt in die zin dat Europol operationele gegevens van de lidstaten kan ontvangen en gemachtigd kan worden om de lidstaten te verzoeken een onderzoek in te stellen, uit te voeren of te coördineren, dan wel gezamenlijke onderzoekteams in te stellen op bepaalde criminaliteitsgebieden, met inachtneming van de stelsels van toetsing door de rechter in de lidstaten.
46. Om de bestrijding van ernstige vormen van georganiseerde criminaliteit te versterken, is de Europese Raad overeengekomen dat een eenheid (EUROJUST) dient te worden opgericht, bestaande uit nationale officieren van justitie, rechters of politieambtenaren met een gelijkwaardige bevoegdheid, die door elke lidstaat worden gedetacheerd overeenkomstig zijn rechtsstelsel. EUROJUST dient tot taak te krijgen een adequate coördinatie van de nationale met strafvervolging belaste autoriteiten te vergemakkelijken en strafrechtelijke onderzoeken in gevallen van georganiseerde criminaliteit, met name op basis van de analyses van Europol te ondersteunen, alsmede nauw samen te werken met het Europees justitieel netwerk, met name om de uitvoering van rogatoire commissies te vereenvoudigen. De Europese Raad verzoekt de Raad om vóór eind 2001 het daarvoor vereiste rechtsinstrument aan te nemen.
47. Er dient een Europese Politieacademie voor de opleiding van hoge wetshandhavingsfunctionarissen te worden opgericht. Deze academie moet beginnen als een netwerk van bestaande nationale opleidingsinstituten. Zij moet ook openstaan voor de autoriteiten van de kandidaat-lidstaten.
48. Onverminderd de bredere gebieden die in het Verdrag van Amsterdam en het actieplan van Wenen worden beoogd, is de Europese Raad van mening dat, wat het nationale strafrecht betreft, de inspanningen om overeenstemming te bereiken over gemeenschappelijke definities, strafbaarstellingen en straffen om te beginnen geconcentreerd dienen te worden op een beperkt aantal sectoren van bijzonder belang, zoals de financiële criminaliteit (witwassen van geld, corruptie, namaak van de euro), drugshandel, mensenhandel, met name de uitbuiting van vrouwen, seksuele uitbuiting van kinderen, hightech-criminaliteit en milieucriminaliteit.
49. Ernstige economische delicten hebben steeds vaker aspecten die op het gebied liggen van belastingen en heffingen. De Europese Raad verzoekt de lidstaten derhalve elkaar volledige wederzijdse rechtshulp te verlenen bij het onderzoeken en vervolgen van ernstige economische delicten.
50. De Europese Raad onderstreept dat het drugsprobleem op een alomvattende manier dient te
worden aangepakt. Hij verzoekt de Raad om vóór de bijeenkomst van de Europese Raad in Helsinki de Europese strategie inzake drugsbestrijding voor 2000-2004 aan te nemen.
X. Speciaal optreden tegen het witwassen van geld
51. Het witwassen van geld is nauw verweven met de georganiseerde criminaliteit. Witwassen dient te worden uitgeroeid, ongeacht waar het zich voordoet. De Europese Raad is vastbesloten ervoor te zorgen dat concrete maatregelen worden genomen om opbrengsten van misdrijven op te sporen, te bevriezen, in beslag te nemen en te confisqueren.
52. De Europese Raad dringt er bij de lidstaten op aan, de bepalingen van de witwasrichtlijn, het Verdrag van Straatsburg van 1990 en de aanbevelingen van de Financial Action Task Force (FATF) volledig uit te voeren, ook in al hun afhankelijke gebieden.
53. De Europese Raad verlangt dat de Raad en het Europees Parlement het ontwerp van de herziene richtlijn betreffende het witwassen van geld, waarvoor de Commissie onlangs een voorstel heeft ingediend, zo spoedig mogelijk aannemen.
54. Met inachtneming van de gegevensbescherming dient de transparantie van financiële transacties en van de eigendomsstructuren van ondernemingen te worden verbeterd en ervoor te worden gezorgd dat de uitwisseling van informatie tussen de bestaande financiële inlichtingeneenheden (FIE's) over verdachte transacties sneller verloopt. Ongeacht geheimhoudingsbepalingen die van toepassing zijn op bank- en andere commerciële activiteiten, moeten zowel de justitiële autoriteiten als de FIE's, mits toetsing door de rechter, informatie kunnen verkrijgen wanneer deze noodzakelijk is voor onderzoek naar het witwassen van geld. De Europese Raad verzoekt de Raad hiertoe de nodige bepalingen aan te nemen.
55. De Europese Raad verlangt dat het strafrecht en het strafprocesrecht van de lidstaten inzake het witwassen van geld (bv. de opsporing, bevriezing en confiscatie van middelen), onderling worden aangepast. Het scala van criminele activiteiten die basisdelicten voor het witwassen van geld vormen, dient in alle lidstaten uniform en voldoende breed te zijn.
56. De Europese Raad verzoekt de Raad de bevoegdheid van Europol uit te breiden tot witwassen van geld in het algemeen, ongeacht het soort misdrijf waarvan de witgewassen opbrengsten afkomstig zijn.
57. Er dienen gemeenschappelijke normen te worden ontwikkeld om te voorkomen dat buiten het rechtsgebied van de Unie geregistreerde ondernemingen en lichamen gebruikt worden om opbrengsten van misdrijven te verbergen en geld wit te wassen. De Unie en de lidstaten dienen regelingen met offshorecentra van derde landen te treffen om te zorgen voor een doeltreffende en transparante samenwerking bij de wederzijdse rechtshulp, overeenkomstig de desbetreffende aanbevelingen van de Financial Action Task Force.
58. De Commissie wordt verzocht een verslag op te stellen waarin wordt aangegeven welke bepalingen van de nationale wetgevingen inzake banken, financiële zaken en ondernemingen de internationale samenwerking belemmeren. De Raad wordt verzocht op basis van dat verslag de nodige conclusies te trekken.
D. KRACHTDADIGER EXTERN OPTREDEN
59. De Europese Raad onderstreept dat alle bevoegdheden en instrumenten die ter beschikking van de Unie staan, met name inzake de externe betrekkingen, op een geïntegreerde en consequente manier dienen te worden gehanteerd om een ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid tot stand te brengen. Aangelegenheden op het gebied van justitie en binnenlandse zaken dienen geïntegreerd te worden in de vaststelling en de uitvoering van het beleid en het optreden van de Unie op andere gebieden.
60. Er dient ten volle gebruik te worden gemaakt van de nieuwe mogelijkheden die het Verdrag van Amsterdam voor extern optreden biedt, met name van gemeenschappelijke strategieën en van overeenkomsten van de Gemeenschap en van overeenkomsten op grond van artikel 38 van het VEU.
61. Er dienen duidelijke prioriteiten, beleidsdoelstellingen en maatregelen voor het externe optreden van de Unie op het gebied van justitie en binnenlandse zaken te worden bepaald. De Raad dient in nauwe samenwerking met de Commissie vóór de bijeenkomst van de Europese Raad in juni 2000 specifieke aanbevelingen op te stellen inzake beleidsdoelstellingen en maatregelen voor het externe optreden van de Unie op het gebied van justitie en binnenlandse zaken, ook inzake de werkstructuur.
62. De Europese Raad spreekt zijn steun uit voor regionale samenwerking bij de bestrijding van de georganiseerde criminaliteit tussen de lidstaten en aan de Unie grenzende derde landen. In dit verband neemt hij met tevredenheid kennis van de concrete en praktische resultaten die de landen rond de Oostzee bereikt hebben. De Europese Raad hecht bijzonder veel belang aan regionale samenwerking en ontwikkeling op de Balkan. De Europese Unie verwelkomt de Europese conferentie over ontwikkeling en veiligheid in het Adriatisch en Ionisch gebied, die door de Italiaanse regering in de eerste helft van 2000 in Italië zal worden georganiseerd en is voornemens daaraan deel te nemen. Dit initiatief zal voor een waardevolle ondersteuning zorgen in het kader van het Stabiliteitspact voor Zuidoost-Europa.
_______________________
BIJLAGE
FORUM VOOR DE OPSTELLING VAN EEN ONTWERP
VAN EU-HANDVEST VAN DE GRONDRECHTEN
ALS BEDOELD IN DE CONCLUSIES VAN KEULEN:
SAMENSTELLING, WERKMETHODE EN PRAKTISCHE REGELINGEN
A. SAMENSTELLING VAN HET FORUM
i) Leden
a) Staatshoofden en regeringsleiders van de lidstaten
Vijftien vertegenwoordigers van de staatshoofden en regeringsleiders van de lidstaten
b) Commissie
Een vertegenwoordiger van de voorzitter van de Europese Commissie
c) Europees Parlement
Zestien leden van het Europees Parlement, door het Parlement zelf aan te wijzen
d) Nationale parlementen
Dertig leden van de nationale parlementen (twee leden per nationaal parlement), door de respectieve parlementen zelf aan te wijzen
De leden van het Forum kunnen worden vervangen door plaatsvervangers indien zij in de onmogelijkheid verkeren om aan bijeenkomsten van het Forum deel te nemen.
ii) Voorzitter en vice-voorzitter van het Forum
De voorzitter van het Forum wordt door het Forum gekozen. Een lid van het Europees Parlement, een lid van een nationaal parlement, en de vertegenwoordiger van de voorzitter van de Europese Raad indien deze niet tot voorzitter is gekozen, treden op als vice-voorzitters van het Forum.
Het lid van het Europees Parlement dat als vice-voorzitter optreedt, wordt gekozen door de leden van het Europees Parlement die zitting hebben in het Forum. Het lid van een nationaal parlement dat als vice-voorzitter optreedt, wordt gekozen door de leden van de nationale parlementen die zitting hebben in het Forum.
iii) Waarnemers
Twee vertegenwoordigers van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, door het Hof aan te wijzen
Twee vertegenwoordigers van de Raad van Europa, waaronder één vertegenwoordiger van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens
iv) Organen van de Europese Unie die moeten worden uitgenodigd om hun mening te geven
Het Economisch en Sociaal Comité
Het Comité van de Regio's
De ombudsman
v) Gedachtewisseling met de kandidaat-lidstaten
Tussen het Forum of de voorzitter en de kandidaat-lidstaten dient een passende gedachtewisseling plaats te vinden.
vi) Andere organen, maatschappelijke groeperingen of deskundigen die moeten worden uitgenodigd om hun mening te geven
Andere organen, maatschappelijke groeperingen en deskundigen kunnen door het Forum worden uitgenodigd om hun mening te geven.
vii) Secretariaat
Het secretariaat-generaal van de Raad verleent secretariaatsdiensten aan het Forum.
In het belang van een goede coördinatie, zullen nauwe contacten worden gelegd met het secretariaat-generaal van het Europees Parlement, met de Commissie en, voorzover noodzakelijk, met de secretariaten van de nationale parlementen.
B. WERKMETHODES VAN HET FORUM
i) Voorbereiding
De voorzitter van het Forum stelt in nauw overleg met de vice-voorzitters een werkplan voor het Forum op en verricht andere voorbereidende werkzaamheden.
ii) Doorzichtigheid van de werkzaamheden
In beginsel dienen de door het Forum gehouden hoorzittingen en de in deze zittingen voorgelegde documenten openbaar te zijn.
iii) Werkgroepen
Het Forum kan ad hoc werkgroepen instellen, die openstaan voor alle leden van het Forum.
iv) Redactie
Op basis van het door het Forum overeengekomen werkplan stelt een redactiecomité bestaande uit de voorzitter, de vice-voorzitters en de vertegenwoordiger van de Commissie, en bijgestaan door het secretariaat-generaal van de Raad, een eerste ontwerp-handvest op, rekening houdend met de redactievoorstellen die door leden van het Forum worden ingediend.
Elk van de drie vice-voorzitters pleegt regelmatig overleg met de component van het Forum die hem of haar heeft afgevaardigd.
v) Opstelling van het ontwerp-handvest door het Forum
Wanneer de voorzitter, in nauw overleg met de vice-voorzitters, van mening is dat de tekst van het door het Forum opgestelde ontwerp-handvest uiteindelijk door alle partijen kan worden onderschreven, wordt de tekst via de normale voorbereidende procedure voorgelegd aan de Europese Raad.
C. PRAKTISCHE REGELINGEN
Het Forum komt in Brussel bijeen, afwisselend in een gebouw van de Raad en van het Europees Parlement.
Voor de vergaderingen van het Forum geldt de integrale talenregeling.
_________________