EUROPESE RAAD VAN CANNES
26-27 juni 1995
CONCLUSIES VAN HET VOORZITTERSCHAP
INLEIDING
Voor het eerst waren er in het kader van de Europese Raad vijftien Lid-Staten bijeen. De Raad heeft gesproken over de kernvragen waarvoor de Unie zich momenteel geplaatst ziet, en over de antwoorden die daar zowel intern als naar buiten toe op gegeven moeten worden. Aldus heeft hij stevige grondslagen gelegd voor een nieuwe start van de Europese eenwording via de herziening van het Unieverdrag, de totstandbrenging van de economische en monetaire unie en de verwezenlijking van een nieuwe, belangrijke uitbreiding.
Intern moet de Unie beter inspelen op de rechtmatige verwachtingen van haar burgers, hetgeen betekent dat zij bij voorrang alle middelen waarover zij naast die van de Lid-Staten beschikt, moet aanwenden om de plaag van de werkloosheid doeltreffend te bestrijden. Daartoe moet zowel op nationaal als op communautair niveau een heel scala van maatregelen worden genomen die gebaseerd zijn op de volledige en integrale eerbiediging van de convergentiecriteria, welke tevens een voorwaarde is voor de invoering van een gemeenschappelijke munt. Het is vooral zaak de dynamiek van de Europese economie te versterken, waarbij ervoor moet worden gezorgd dat het concurrentievermogen ten opzichte van de belangrijkste concurrenten behouden blijft, door het beheersen van nieuwe technologieën, met name op het gebied van informatica. Tot slot moet werk worden gemaakt van de door de burger gewenste veiligheid.
Naar buiten toe is de Unie vastbesloten zich in te zetten voor stabiliteit en vrede op het Europese continent door de toetreding van de geassocieerde landen voor te bereiden. Hun aanwezigheid hier in Cannes bevestigt dat zij voorbestemd zijn om lid te worden van de Unie. Verder is de Unie voornemens de betrekkingen met de landen rond de Middellandse Zee op alle terreinen te versterken, te zorgen voor de uitvoering van de douane-unie met Turkije in het kader van een dynamisch proces, nauwe en evenwichtige betrekkingen met Rusland en de landen van het GOS op te bouwen, de bevoorrechte relatie met de ACS te verstevigen, de transatlantische betrekkingen nieuw leven in te blazen en de banden met Latijns-Amerika en Azië aan te halen.
Om een en ander waar te maken, moet de Unie in de komende maanden de voorbereiding van de Intergouvernementele Conferentie van 1996 tot een goed einde brengen ; de werkzaamheden van de in Messina ingestelde discussiegroep zullen daaraan een bijdrage leveren.
De Europese Raad heeft geluisterd naar een verklaring van de Voorzitter van het Europees Parlement, de heer Klaus Hänsch, over de belangrijkste behandelde kwesties.
DEEL A
I - ECONOMISCHE, SOCIALE EN MONETAIRE VRAAGSTUKKEN
1 - Werkgelegenheid
1.1. Ondanks het herstel van de economische groei blijft de werkloosheid in 1995 onaanvaardbaar hoog. Het is dus van het grootste belang dat de Lid-Staten, conform de vijf richtsnoeren van Essen, de structurele hervormingen van de arbeidsmarkt - waarvan de eerste voorbeelden de doeltreffendheid ervan hebben aangetoond - intensiveren. De bestrijding van de werkloosheid en de vraagstukken in verband met gelijke kansen zullen de belangrijkste opdracht van de Europese Unie en haar Lid-Staten blijven. De Europese Raad verzoekt de Lid-Staten deze inspanningen in te bedden in meerjarenprogramma's die in het najaar moeten worden ingediend. De Raad en de Commissie zullen het eerste jaarverslag over de uitvoering van die programma's, dat aan de Europese Raad van Madrid zal worden voorgelegd, in onderling overleg opstellen. In deze context onderstreept de Europese Raad dat het door de Europese Raad op zijn bijeenkomst te Essen aangekondigde verslag over het verband tussen economische groei en milieu, en het effect daarvan op het economisch beleid grondig moet worden voorbereid.
Als economisch geheel biedt de Europese Unie extra speelruimte en een specifieke toegevoegde waarde om duurzame werkgelegenheid te scheppen. De Europese Raad verzoekt de Raad en de Commissie te bestuderen hoe economische en structurele beleidskeuzen dankzij een betere coördinatie elkaar onderling gunstig kunnen beïnvloeden, en hem op zijn bijeenkomst van Madrid verslag uit te brengen.
De Europese Raad neemt nota van het tussentijds verslag, dat in het Permanent Comité voor Arbeidsmarktvraagstukken op 19 juni door de sociale partners is besproken. Om de werkloosheid terug te dringen, moet er een monetair en budgettair beleid worden gevoerd dat, conform de globale richtsnoeren voor het economisch beleid, gericht is op stabiliteit.
De Europese Raad onderstreept dat een dergelijk macro-economisch beleid een rechtstreekse stimulans betekent voor de werkgelegenheid, die bedreigd wordt door de overheidstekorten. Een strak budgettair beleid heeft niet alleen positievegevolgen voor de stabiliteit van het macro-economisch kader, maar draagt bovendien bij tot daling van het rentepeil, tot investeringen en tot stimulering van de groei.
1.2. De Europese Raad dringt met name aan op bevordering van een groei die arbeidsplaatsen genereert, op versterking van de maatregelen tegen de uitsluiting van jongeren en langdurig werklozen uit de arbeidsmarkt en voor een betere werking van de arbeidsmarkt, met name door de verlaging van de indirecte arbeidskosten. Het beleid inzake opleiding en leerlingwezen, twee essentiële factoren voor het vergroten van de werkgelegenheid en het concurrentievermogen, moet worden versterkt, met name op het punt van bijscholing. De Europese Raad neemt nota van het voornemen van de Commissie om vóór het eind van het jaar een witboek in te dienen.
De sociale partners, het Europees Verbond van Vakverenigingen, de UNICE en de Europese Unie van het ambacht en van het MKB hebben zich tijdens de Europese sociale conferentie van 30 maart jongstleden in Parijs bereid getoond hun verantwoordelijkheid bij de uitvoering van de conclusies van de Europese Raad van Essen volledig op zich te nemen. De Europese Raad is verheugd over hun voornemen om in het kader van de sociale dialoog een evaluatieverslag over de geboekte vorderingen voor te leggen.
1.3. De opleving van de groei is ook te danken aan het initiatief van ondernemers, aan hun beslissing om personeel aan te nemen en om te investeren. Er moet dus een positieve kettingreactie op gang worden gebracht: initiatief, werkgelegenheid, groei. Daartoe moeten de individuele produktiviteitsstimuli worden versterkt en moet de concurrentie worden bevorderd en dus, in het algemeen, de marktflexibiliteit worden vergroot.
De Europese Raad neemt met voldoening nota van de verslagen van de Commissie over het ontplooien van plaatselijke werkgelegenheids- en MKB-initiatieven, en van het verslag van de Groep Ciampi over het concurrentievermogen, waar hij met grote belangstelling kennis van heeft genomen.
De Europese Raad benadrukt hoeveel belang hij hecht aan de ontwikkeling van plaatselijke werkgelegenheidsinitiatieven, met name op het gebied van diensten in verband met milieu en leefomgeving en op het gebied van het ambachtelijk bedrijf
en traditionele produkten. Hij neemt nota van de mededeling van de Commissie hierover. De Europese Raad onderstreept de noodzaak om de op nationaal niveau verrichte experimenten te verbreiden. De Raad (Sociale Zaken/Arbeid) zal de mededeling van de Commissie bespreken en aan de Europese Raad van Madrid verslag uitbrengen.
De Europese Raad benadrukt de doorslaggevende rol van het midden- en kleinbedrijf (MKB) bij het genereren van arbeidsplaatsen en meer in het algemeen als factor van sociale stabiliteit en economische dynamiek. Hij verzoekt de Commissie hem verslag uit te brengen over het huidige beleid op dit gebied en over de middelen om de doeltreffendheid ervan te vergroten, met name via fiscale maatregelen om de oprichting van nieuwe bedrijven te stimuleren, de administratieve lasten te verlichten en hun deelneming aan opleidings- en onderzoeksprogramma's te vergemakkelijken.
De Europese Raad wijst op het belang van meer investeringen op nationaal en communautair niveau voor onderzoek, ontwikkeling en onderwijs. Hij acht het tevens van belang dat overdadige regelgeving - waar vereenvoudiging op zijn plaats is en zonder de verworvenheden in gevaar te brengen - wordt teruggedrongen, ten einde werkgelegenheid, concurrentievermogen en innovatie te stimuleren. In dit verband neemt de Europese Raad nota van de bevindingen van de groep van onafhankelijke deskundigen en wenst hij dat de Commissie concrete maatregelen voor het vereenvoudigen van administratieve verplichtingen voorstelt die de bevoegde instanties vóór het eind van het jaar kunnen treffen.
1.4. Ook bij het bestrijden van de werkloosheid speelt het stimuleren van investeringen een rol. De Europese Raad is ingenomen met de vorderingen bij de uitvoering van de prioritaire projecten die in Essen zijn vastgesteld en met de akkoorden over de vaststelling van het regelgevend kader. In dit verband moeten er andere maatregelen worden vastgesteld voor een eerlijker concurrentie tussen de verschillende takken van vervoer.
Met de 14 vervoersprojecten is een begin gemaakt, ofschoon ze niet allemaal even ver gevorderd zijn : voor meer dan de helft, die vanuit financieel oogpunt tevens de belangrijkste projecten zijn, zijn er voorbereidende studies in uitvoering of voltooid ; voor de overige is de aanleg al begonnen.
De Europese Raad verzoekt de Commissie de financiële evaluatie van de projecten opnieuw te bezien, om na te gaan of de kosten eventueel kunnen worden teruggebracht, zonder afbreuk te doen aan de levensvatbaarheid van de projecten. Hij verzoekt de Commissie, alle andere wijzen van financiering te onderzoeken om de uitvoering van deze projecten te versnellen.
Voorts verzoekt de Europese Raad de Commissie alles in het werk te stellen om ervoor te zorgen dat de projecten die op grond van de financiële verordening in aanmerking komen, zo spoedig mogelijk worden ingediend, zodat de beschikbare kredieten bij de aanneming van deze verordening in 1995 kunnen worden vrijgegeven.
Op grond van de schatting van de Commissie stelt de Europese Raad vast dat 75 % van de beschikbare kredieten voor de begrotingslijn "netwerken" , dat wil zeggen een bedrag in de orde van 500 miljoen ecu voor 1995 en 1996, zal gaan naar de veertien in Essen als prioritair aangemerkte vervoersprojecten.
1.5. De Europese Raad onderstreept de mogelijkheden die het bevorderen van de informatiemaatschappij biedt voor de ontwikkeling van nieuwe groeisectoren (bijvoorbeeld multimedia) en voor het scheppen van werkgelegenheid. Hij vraagt om verder werk te maken van een regelgevend kader voor de ontwikkeling van die informatiemaatschappij en daarbij rekening te houden met de culturele diversiteit en met de doelstelling om een gelijke toegang tot deze nieuwe diensten te waarborgen.
1.6. De goede werking van de interne markt is een essentieel onderdeel van de economische dynamiek en dus van het scheppen van werkgelegenheid. De Gemeenschap en haar Lid-Staten moeten prioriteit geven aan een doeltreffend werkende interne markt. De Europese Raad is ingenomen met de mededeling van de Commissie en de resoluties van de Raad op dit gebied. Door een doeltreffende en uniforme toepassing van de communautaire wetgeving in de gehele Unie zal het vertrouwen van bedrijven en burgers in de interne markt groeien. De Europese Raad verklaart nogmaals groot belang te hechten aan een strikte toepassing van het subsidiariteitsbeginsel ; in dit verband verzoekt de Europese Raad de Commissie het programma van 1993 inzake de herziening van de bestaande wetgeving zo spoedig mogelijk uit te voeren en hem vóór zijn vergadering van Madrid verslag uit te brengen.
1.7. De Europese Raad geeft nogmaals te kennen dat het creëren van meer concurrentie in talrijke sectoren ter verwezenlijking van de interne markt niet mag ingaan tegen de taken van algemeen economisch belang in Europa, vooral op het gebied van een evenwichtige ruimtelijke ordening, een gelijke behandeling van alle burgers - inclusief gelijke rechten en gelijke kansen voor mannen en vrouwen - de kwaliteit en duurzaamheid van aan de consument geleverde diensten en het veiligstellen van strategische belangen op lange termijn.
2 - De economische en monetaire Unie
De Europese Raad bevestigt nogmaals vastbesloten te zijn om bij de voorbereiding van de overgang naar de gemeenschappelijke munt op uiterlijk 1 januari 1999 strikt de hand te houden aan de convergentiecriteria, het tijdschema, de protocollen en de procedures waarin het Verdrag voorziet. Daartoe verklaart de Raad het volgende :
- de Europese Raad onderschrijft de globale richtsnoeren voor het economisch beleid van de Lid-Staten en van de Gemeenschap in het verslag dat de Raad overeenkomstig artikel 103 van het Verdrag heeft uitgebracht. Van het huidige economische herstel moet gebruik worden gemaakt om de inspanningen tot sanering van de overheidsfinanciën onverkort vol te houden. Het naleven van deze richtsnoeren is ook nodig voor een wezenlijke vermindering van de werkloosheid, die ook via structurele maatregelen moet worden bestreden. De Europese Raad verzoekt de Raad hem voor zijn bijeenkomsten van december 1995 en juni 1996 verslag uit te brengen over de uitvoering van deze richtsnoeren ;
- de Europese Raad wenst dat de voorbereidingen voor het invoeren van de gemeenschappelijke munt onverminderd doorgaan. Hij is verheugd over de desbetreffende bijdragen in het Groenboek van de Commissie, alsmede over die van het Europees Monetair Instituut. Hij verzoekt de Raad om in overleg met deze beide Instellingen een scenario op te stellen dat ervoor zorgt dat het Verdrag volledig in acht wordt genomen - een noodzakelijke voorwaarde voor de onomkeerbare overgang naar de derde fase - en verslag uit te brengen aan de Europese Raad van Madrid. Algemeen beschouwd, keurt hij de conclusies over deze punten goed (zie deel B, blz. 1) en verzoekt hij de Raad het nodige werk voort te zetten en hem op de bijeenkomst van Madrid verslag uit te brengen, zodat de Europese Raad een besluit kan nemen over een scenario voor de invoering van de gemeenschappelijke munt ;
- de Europese Raad onderstreept dat bepaalde van de recente monetaire onrust op de duur de goede werking van de interne markt kan aantasten en een verder harmonisch en evenwichtig herstel in de weg kan staan. De Europese Raad bevestigt zijn verzoek aan de Commissie deze problemen uitgebreid te bestuderen en hem in het najaar haar conclusies voor te leggen. In dit verband herinnert hij eraan hoe belangrijk het is dat alle Lid-Staten de nodige convergentie-inspanningen leveren, hetgeen een voorwaarde is voor de invoer van de gemeenschappelijke munt, waarmee deze problemen duurzaam zullen zijn opgelost.
II - BUITENLANDSE BETREKKINGEN
1 - De deelnemers aan de Europese Raad hebben de Staatshoofden en Regeringsleiders en de Ministers van Buitenlandse Zaken van de geassocieerde landen van Midden- en Oost-Europa, met inbegrip van de Baltische Staten, alsmede van Cyprus en Malta ontmoet. Zij hebben uitvoerig van gedachten gewisseld over diverse actuele thema's. Zij hebben tevens een eerste positieve balans opgemaakt van de gestructureerde dialoog en de vooruitgang die bij de uitvoering van de strategie ter voorbereiding van de toetreding is geboekt. In dit verband moet worden gezorgd voor een passende overlegstructuur voor het initiëren en uitwisselen van ervaringen.
De Europese Raad bevestigt opnieuw dat de onderhandelingen over de toetreding van Malta en Cyprus tot de Unie, op basis van voorstellen van de Commissie, zes maanden na de sluiting van de Intergouvernementele Conferentie van 1996 zullen beginnen en dat bij die onderhandelingen de resultaten van de conferentie in aanmerking zullen worden genomen. Hij memoreert dat hij groot belang hecht aan de voorbereiding van de toetreding van de geassocieerde landen tot de Unie en hij staat achter de conclusies van de Raad betreffende het Witboek over de integratie van deze landen in de interne markt, alsmede het verslag van de Raad over de tenuitvoerlegging van de strategie ter voorbereiding van de toetreding (zie deel B, blz. 3). Hij verzoekt de Commissie hem op zijn volgende bijeenkomst verslag uit te brengen over de bij de tenuitvoerlegging van het Witboek geboekte vooruitgang en over de studies en analyses waarom hij in Essen had verzocht. Het welslagen van de Conferentie over stabiliteit in Europa (Parijs, 20 en 21 maart 1995) zal de toenadering van de landen van Midden - en Oost-Europa tot de Europese Unie vergemakkelijken. De Europese Raad roept de betrokken landen alsmede alle partijen op, de akkoorden en regelingen die vervat zijn in het Stabiliteitspact, dat thans aan de OSVE is toevertrouwd, ten uitvoer te leggen, en verzoekt de landen in kwestie de betrekkingen van goed nabuurschap in Europa concreet te verbeteren.
Tegen deze algemene achtergrond is de Europese Raad ten zeerste ongerust over de toestand in het voormalige Joegoslavië en heeft daarover een verklaring aangenomen (zie deel B, blz. 13).
De Europese Raad bevestigt opnieuw het belang dat de Europese Unie bijdraagt aan de politieke stabiliteit en de welvaart in de regio rond de Oostzee. Hij wacht met belangstelling op het verslag over de stand van de samenwerking in die regio.
De Europese Raad herinnert eraan dat de Sloveense wetgeving inzake onroerende goederen moet worden geharmoniseerd met de communautaire voorschriften, zoals in de verklaring van 6 maart 1995 wordt gesteld. Voorts spreekt hij de hoop uit dat de Associatieovereenkomst met Slovenië zo spoedig mogelijk wordt ondertekend en dat Slovenië daarna deelneemt aan de gestructureerde dialoog.
2 - De Europese Raad blijft het voorts van strategisch belang achten dat de betrekkingen van de Europese Unie met haar mediterrane partners een nieuwe dimensie krijgen. Hij wenst dat op de Conferentie die in november aanstaande te Barcelona plaatsvindt, de grondslag wordt gelegd voor een Europees-Mediterraan partnerschap voor een ambitieuze samenwerking en hij spreekt zijn voldoening uit over het op 12 juni door de Raad opgestelde verslag (zie deel B, blz. 15), waarin de doelstellingen die de Unie zich voor Barcelona stelt, worden uitgestippeld. Hij neemt er met voldoening nota van dat de mediterrane partners reeds positief hebben gereageerd. Hij verzoekt de Raad en de Commissie de voorbereiding van de Conferentie van Barcelona met de twaalf betrokken Staten actief voort te zetten.
Hij neemt met voldoening nota van de parafering van de nieuwe overeenkomst met Tunesië. Hij wenst dat de overeenkomsten met Marokko en Israël zo spoedig mogelijk worden gesloten. Tenslotte roept hij op tot snelle vooruitgang bij de onderhandelingen met Egypte, Jordanië en Libanon. Hij prijst zich gelukkig met de toenadering tussen de Europese Unie en Turkije.
De Europese Raad, die erg bezorgd is over de toestand in Algerije, doet nogmaals een oproep tot alle politieke actoren om de geweldspiraal te doorbreken en een politieke oplossing te vinden via een vreedzame dialoog en vrije, onaanvechtbare verkiezingen. Hij bevestigt zijn bereidheid een economisch herstructureringsbeleid in Algerije te ondersteunen.
De Europese Raad is verheugd dat de rechtstreeks bij het vredesproces in het Midden-Oosten betrokken partijen - ondanks de moeilijkheden - tot een rechtvaardige, duurzame en alomvattende vrede in de regio willen komen. Het is zijn nadrukkelijke wens dat de onderhandelingen tussen Israël en de Palestijnen op 1 juli worden afgerond. Hij bevestigt dat de Unie ten volle bereid is te gelegener tijd waarnemers te sturen naar de aanstaande Palestijnse verkiezingen en zorg te dragen voor de coördinatie van de verschillende missies van internationale waarnemers bij deze verkiezingen en hij bevestigt de verbintenis van de Europese Unie om dit proces, zowel in economisch als in politiek opzicht, vastberaden aan te moedigen en te ondersteunen. Hij heeft de heer Felipe Gonzalez, de volgende Voorzitter van de Europese Raad, verzocht in de tweede helft van dit jaar alle daartoe nuttige initiatieven te nemen.
3 - Akte nemend van de mededeling van de Commissie bevestigt de Europese Raad dat hij groot belang hecht aan de ontwikkeling van de betrekkingen van de Europese Unie met Rusland, die van essentieel belang is voor de stabiliteit op het Europese continent. Hij herhaalt dat de Unie een echte partnerschapsrelatie met Rusland tot stand wil brengen op basis van de in maart 1995 te Carcassonne uitgestippelde strategie. De Europese Unie is voornemens een bijdrage te leveren aan het OVSE-model voor alomvattende veiligheid in het Europa van de 21e eeuw.
Wat de veiligheid betreft, acht de Europese Raad het wenselijk de dialoog tussen Rusland en het Atlantisch Bondgenootschap in het kader van de bestaande structuren te intensiveren. Hij is tevens van mening dat de sluiting van een overeenkomst - mogelijk in de vorm van een handvest - moet worden overwogen. Dit proces moet sporen met het beleid van de NAVO en de WEU alsmede met de geleidelijke integratie van de landen van Midden- en Oost-Europa.
De Europese Raad constateert dat er vooruitgang is geboekt met betrekking tot de toestand in Tsjetsjenië en, erop rekenend dat deze vooruitgang wordt bevestigd, spreekt hij zich uit voor de ondertekening van de interim-overeenkomst.
De Europese Raad spreekt zijn voldoening uit over de vooruitgang bij de economische hervormingen in Oekraïne, die in nauwe samenwerking met de internationale financiële instellingen worden doorgevoerd, en over het besluit om aan dat land de eerste tranche van een betalingsbalanslening voor 1995 toe te kennen. Dit beleid hangt nauw samen met de tenuitvoerlegging van het besluit van President Koutchma om de kerncentrale van Tjernobyl in 1999 definitief te sluiten.
4 - Op de topontmoeting tussen de Europese Unie en de Verenigde Staten van 14 juni is nogmaals gebleken dat die partner belang hecht aan de ontwikkeling van open en evenwichtige betrekkingen. De Europese Raad betuigt zijn steun aan de verdieping van de transatlantische dialoog op basis van de verklaringen van november 1990, aan de versterking van het door de Wereldhandelsorganisatie (WTO) geboden multilaterale kader en aan de ontwikkeling van de veiligheidsrelatie tussen de Europese en de Amerikaanse pijler van het Atlantisch Bondgenootschap. De Raad juicht in het bijzonder het akkoord toe dat een groep op hoog niveau van de Europese Unie en de Verenigde Staten moet werken aan de versterking van de transatlantische betrekkingen.
Voorts spreekt hij zijn voldoening uit over de op 19 juni te Parijs gehouden jaarlijkse topontmoeting tussen de Europese Unie en Japan, en de topontmoeting tussen de Europese Unie en Canada op 17 juni, waaruit is gebleken dat zij bereid zijn hun betrekkingen te intensiveren en in evenwicht te brengen.
5 - De Europese Raad verheugt zich over de ontwikkeling van de betrekkingen met Zuid-Afrika, Latijns-Amerika - met name Mexico, Chili en Mercosur - en prijst zich gelukkig dat in de eerste helft van 1996 een Europees-Aziatische topontmoeting plaatsvindt.
Hij is voornemens zich in het kader van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid vastberaden in te zetten voor vrede en ontwapening :
- ter gelegenheid van de vijftigste verjaardag van de Organisatie van de Verenigde Naties heeft hij de verklaring in deel B, blz. 34 aangenomen,
- hij verheugt zich erover dat het gemeenschappelijk optreden met betrekking tot de onvoorwaardelijke verlenging, voor onbepaalde tijd, van het Non-Proliferatieverdrag, dat op de bijeenkomst van Korfoe was overeengekomen, tot een goed einde is gebracht,
- hij spreekt de wens uit dat het verdrag over het verbod op chemische wapens onverwijld in werking treedt,
- hij is voornemens spoedig uitvoering te geven aan het door de Europese Unie aangenomen gemeenschappelijk optreden tegen het zonder onderscheid gebruiken en het verspreiden van anti-personeelmijnen,
- hij heeft een boodschap van vriendschap en een steunbetuiging gericht tot de Organisatie voor Afrikaanse Eenheid (OAE) ter gelegenheid van haar eenendertigste Topconferentie (deel B, blz. 37) en hij verklaart geschokt te zijn door de moordaanslag op de heer Moubarak, President van de Arabische Republiek, aan wie hij zijn medeleven betuigt,
- hij heeft de verklaring over Boeroendi in deel B, blz. 38, aangenomen,
- hij heeft de hoop uitgesproken dat het verdrag inzake een volledig verbod op kernproeven uiterlijk eind 1996 ondertekend zal worden.
6 - Ten aanzien van Iran zal de Europese Unie de vrije meningsuiting blijven verdedigen. Zij betreurt het dat er in de situatie van Salman Rushdie geen vooruitgang is vastgesteld. De kwestie blijft bij de Raad ter tafel liggen.
7 - De Europese Raad memoreert tevens dat hij sterk gehecht is aan de WTO, die op 1 januari 1995 is geïnstalleerd. Hij beschouwt deze organisatie als de geschikte instantie om op transparante en niet-discriminerende wijze voor de naleving van de multilaterale regels te zorgen en handelsgeschillen tussen de overeenkomstsluitende partijen te beslechten. De Europese Raad acht het absoluut noodzakelijk de onderhandelingen over financiële diensten met een tastbaar en evenwichtig resultaat af te sluiten.
8 - De Europese Raad heeft overeenstemming bereikt over de kredieten die in de periode 1995/1999 moeten worden uitgetrokken voor de financiële samenwerking met de landen van Midden- en Oost-Europa en de Middellandse-Zeelanden (deel B, blz. 39) ; hij heeft het bedrag en de financiering van het 8e EOF overeenkomstig de tabel in deel B, blz. 40 vastgesteld. De Europese Raad stelt vast dat derhalve de voorwaarden vervuld zijn om de onderhandelingen met de ACS-Staten over de gedeeltelijke herziening van de vierde Overeenkomst van Lomé vóór 30 juni af te ronden.
III - INTERNE VRAAGSTUKKEN
1 - De Europese Raad heeft met voldoening geconstateerd dat een akkoord is bereikt over de ontwerp-overeenkomst tot oprichting van Europol, een belangrijk instrument inzake samenwerking tussen de Staten om de veiligheid van de burgers te versterken. Hij beveelt de Lid-Staten aan, alles in het werk te stellen opdat deze Overeenkomst zo spoedig mogelijk na de bekrachtiging door de nationale parlementen formeel kan worden aangenomen en toegepast. Hij is overeen gekomen de kwestie van het eventueel toekennen van bevoegdheden aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen uiterlijk tijdens zijn bijeenkomst van juni 1996 te regelen.
2 - De Europese Raad staat positief tegenover het akkoord dat is bereikt over de Overeenkomst inzake het gebruik van informatica op douanegebied (DIS), een belangrijke factor voor een betere werking van het gemeenschappelijke douanesysteem en spreekt zijn voldoening uit over de vooruitgang die is geboekt inzake het Verdrag betreffende het Europees Informatiesysteem (EIS).
3 - De Europese Raad is verheugd dat de besprekingen over de verordening en de Overeenkomst betreffende de bescherming van de financiële belangen van de Gemeenschap zijn afgerond. Hij heeft vastgesteld dat er een akkoord is over de tekst van die Overeenkomst, die vóór 31 juli ondertekend moet worden.
De Europese Raad neemt akte van de verslagen van de Lid-Staten inzake de nationale maatregelen ter bestrijding van verspilling en misbruik van de financiële middelen van de Gemeenschap. Hij verzoekt de Commissie om voor zijn bijeenkomst van Madrid een vergelijkend overzichtsdocument op te stellen. Hij verzoekt de Lid-Staten en alle Instellingen de strijd tegen fraude en verspilling in die zin onverminderd voort te zetten.
4 - De Europese Raad spreekt zijn voldoening uit over de sluiting van de Overeenkomst betreffende de vereenvoudigde uitlevering, en neemt er akte van dat aanzienlijke vooruitgang is geboekt - met name wat betreft de visa - om het vrije verkeer van personen binnen de Unie te verwezenlijken. Hij verzoekt de Raad zijn werkzaamheden ter bevordering van een betere integratie van onderdanen van derde landen die zich in een regelmatige situatie bevinden, reeds in juli af te ronden.
Voorts verzoekt hij de Raad ervoor te zorgen dat de ontwerp-overeenkomst over de controle van personen bij het overschrijden van de buitengrenzen vóór zijn volgende bijeenkomst wordt ondertekend mits een oplossing wordt gevonden voor de hangede kwesties. Ten slotte verzoekt hij de laatste betrokken Staten de procedure ter bekrachtiging van de Overeenkomst van Dublin te voltooien.
5 - De bestrijding van racisme en vreemdelingenhaat op het niveau van de Unie is van groot belang ; de Europese Raad is verheugd over het werk van de diverse Raadsinstanties en van de adviescommissie. Hij verzoekt deze commissie de haalbaarheid van een Europees waarnemingscentrum voor uitingen van racisme en vreemdelingenhaat in nauwe samenwerking met de Raad van Europa verder te bestuderen.
6 - De Europese Raad hecht zijn goedkeuring aan de werkzaamheden over het actieplan van de Europese Unie betreffende drugbestrijding (1995-1999), alsmede aan de richtsnoeren voor het programma "voorkoming van drugsverslaving". Hij roept de Lid-Staten op, hun inspanningen te bundelen en beveelt hen aan toe te zien op de praktische uitvoering van de op vermindering van het aanbod, bestrijding van de drugshandel, alsmede internationale samenwerking gerichte strategie. Hij geeft een groep van deskundigen van de Lid-Staten opdracht tegen zijn bijeenkomst in Madrid een analytisch verslag, met voorstellen, over al deze kwesties in te dienen.
7 - De Europese Raad erkent dat het waarborgen van gelijke kansen voor mannen en vrouwen noodzakelijk is en wenst dat verder maatregelen worden genomen om de toestand te verbeteren.
8 - De Europese Raad is ingenomen met het politieke akkoord over de verlenging van het MEDIA-programma (opleiding, ontwikkeling en distributie), dat zal bijdragen tot de ontwikkeling van het vrije verkeer van Europese audiovisuele werken in de Gemeenschap en tot de versterking van de internationale concurrentiepositie van de Europese programma-industrie. Hij neemt nota van het voorstel tot herziening van de Richtlijn "Televisie zonder grenzen". De Europese Raad neemt akte van het voornemen van de Commissie om vóór het eind van het jaar bij de Raad een voorstel in te dienen voor een besluit tot vaststelling van een financieel garantie-instrument ten behoeve van de produktie van Europese audiovisuele werken, waarin de financiële vooruitzichten in acht worden genomen.
9 - De Europese Raad onderstreept het belang van de taalkundige verscheidenheid in de Europese Unie.
IV - VOORBEREIDING VAN DE INTERGOUVERNEMENTELE CONFERENTIE VAN 1996
De Europese Raad constateert met voldoening dat de voorbereiding van de Intergouvernementele Conferentie van 1996 thans goed op gang is gekomen. De discussiegroep bestaande uit de persoonlijke vertegenwoordigers van de Ministers van Buitenlandse Zaken en van de Voorzitter van de Commissie, waaraan ook twee vertegenwoordigers van het Europees Parlement deelnemen, is op 2 juni 1995 te Messina geïnstalleerd. Deze groep heeft van de Instellingen de verslagen over de werking van het Verdrag betreffende de Europese Unie ontvangen, welke een bijdrage tot haar besprekingen zullen vormen. De groep heeft haar werkprogramma opgesteld.
De Europese Raad bevestigt dat de discussiegroep, overeenkomstig de conclusies van Korfoe, aan de hand van de evaluatieverslagen over de werking van het Verdrag, in een geest van democratie en openheid suggesties zal onderzoeken en uitwerken voor de bepalingen van het Verdrag betreffende de Europese Unie die moeten worden herzien, alsmede voor andere mogelijke verbeteringen. De Groep zal met het oog op de toekomstige uitbreiding van de Unie voorstellen uitwerken voor de institutionele vraagstukken die aan de orde zijn gesteld in de conclusies van de Europese Raad van Brussel en in het akkoord van Ioannina (weging van de stemmen, drempel voor besluiten bij gekwalificeerde meerderheid, aantal leden van de Commissie en andere maatregelen die nodig worden geacht om in het vooruitzicht van de uitbreiding het werk van de Instellingen te vergemakkelijken en hun efficiënte werking te garanderen).
In het licht van de lering die meer dan anderhalf jaar na de inwerkingtreding van het Verdrag betreffende de Europese Unie kan worden getrokken, en gezien de uitdagingen en implicaties van een komende nieuwe uitbreiding, meent de Europese Raad voorts dat de discussie op een aantal prioritaire doelstellingen moet worden toegespitst zodat de Unie aan de verwachtingen van haar burgers kan voldoen, namelijk :
- het analyseren van de beginselen, de doelstellingen en de instrumenten van de Unie om de nieuwe uitdagingen voor Europa tegemoet te treden ;
- het versterken van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid, zodat het de nieuwe internationale uitdagingen aan kan ;
- het beter inspelen op de eisen van deze tijd op het gebied van binnenlandse veiligheid en, meer in het algemeen, op het gebied van justitie en binnenlandse zaken ;
- de verhoging van de doeltreffendheid, het democratische karakter en de transparantie van de Instellingen, zodat zij zich aan de eisen van een uitgebreide Unie kunnen aanpassen ;
- het aanwakkeren van de steun bij de publieke opinie voor de Europese eenwording, door in te spelen op de behoefte aan een democratie die dichter staat bij de Europese burger, die zich zorgen maakt over de werkgelegenheids- en milieuproblematiek ;
- het beter zorg dragen voor de tenuitvoerlegging van het subsidiariteitsbeginsel.
Ten slotte zal de groep voor ogen houden dat naar verbeteringen in de werking van de Instellingen gezocht moet worden welke geen Verdragswijziging vergen, en die dus op korte termijn kunnen worden ingevoerd.
In het kader van de strategie ter voorbereiding van de toetreding van de geassocieerde landen tot de Unie moeten de nodige procedures worden ontwikkeld om ervoor te zorgen dat zij volledig op de hoogte worden gehouden over het verloop van de besprekingen van de Intergouvernementele Conferentie.
De Staatshoofden en Regeringsleiders zullen hun discussie ter zake voortzetten tijdens hun informele bijeenkomst op Mallorca op 22/23 september 1995 ; de Europese Raad zal tegen zijn bijeenkomst te Madrid in december 1995 een volledig verslag van de discussiegroep ontvangen.
DEEL B
Conclusies van de Raad ECOFIN
van 19 juni 1995
Werkzaamheden ter voorbereiding van de invoering van een gemeenschappelijke munt
1. De Raad ECOFIN heeft zich opnieuw vastberaden verklaard de nodige voorbereidingen te willen treffen om uiterlijk in 1999 met volledige naleving van het Verdrag van Maastricht over te gaan naar één munt. Hij herinnerde aan het belang dat hij eraan hecht dat de convergentiecriteria strikt worden nageleefd. Hij prees zich gelukkig met de bijdragen die het door de Commissie opgestelde Groenboek en de werkzaamheden van het EMI hebben geleverd.
De Voorzitter van de Raad ECOFIN beveelt de Europese Raad aan :
- de Raad ECOFIN opdracht te geven om, in overleg met de Commissie en het EMI, een referentiescenario op te stellen dat de volledige naleving van het Verdrag waarborgt - een voorwaarde voor de onomkeerbaarheid die is vereist voor de overgang naar de derde fase - en verslag uit te brengen aan de Europese Raad van Madrid in december 1995 ;
- de Commissie te verzoeken de nodige adviezen in te winnen om verslag uit te brengen aan de Europese Raad van Madrid ;
- akte te nemen van de reeds verrichte werkzaamheden voor de bepaling van de technische kenmerken van de muntstukken en de Raad ECOFIN te verzoeken alle nodige werkzaamheden voort te zetten ;
- de Lid-Staten te verzoeken alle dienstige maatregelen te nemen opdat de overheidsadministraties nagaan hoe te zijner tijd de overschakeling van hun operaties op de gemeenschappelijke munt kan plaatsvinden ;
- de Raad ECOFIN te verzoeken om, tezamen met het EMI, de toekomstige relaties tussen de munten van de leden van de Monetaire Unie en de overige staten van de Europese Unie te bestuderen.
2. De Voorzitter van de Raad ECOFIN wees op het belang van de voorbereidende werkzaamheden die reeds zijn verricht met betrekking tot de bepaling van de kenmerken van de voor de gemeenschappelijke munt benodigde muntstukken en biljetten. Hij nam nota van :
- de consensus die over de reeks nominale waarden was bereikt ;
- de vorderingen die zijn gemaakt met betrekking tot het uiterlijk van de muntstukken en biljetten, en van de voorkeur van de Raad van het EMI voor identieke biljetten voor alle Lid-Staten, eventueel met een bijzonder nationaal kenmerk ;
- de werkzaamheden van de deskundigen op grond waarvan thema's konden worden voorgesteld voor de op de muntstukken te plaatsen afbeeldingen welke aansluiten bij de thema's waartoe de Raad van het EMI heeft besloten voor de biljetten.
VOORBEREIDING VAN DE GEASSOCIEERDE LANDEN VAN MIDDEN- EN OOST -EUROPA OP
HUN INTEGRATIE IN DE INTERNE MARKT VAN DE EUROPESE UNIE
CONCLUSIES VAN DE RAAD
1. De Raad verwelkomt het Witboek dat de Commissie overeenkomstig de conclusies van de Europese Raad van Essen heeft opgesteld en dat handelt over de voorbereiding van de geassocieerde landen op hun integratie in de interne markt van de Unie op het moment van hun toetreding. Hij waardeert de kwaliteit van dit document, dat na raadpleging van de geassocieerde landen werd opgesteld. De Raad heeft zelf de geassocieerde landen kunnen raadplegen tijdens een gezamenlijke bijeenkomst op 10 april met de Ministers van Buitenlandse Zaken en op 6 juni met de voor de interne markt verantwoordelijke Ministers. Hij is van oordeel dat het Witboek een nuttige gids vormt om deze landen behulpzaam te zijn bij de voortzetting van het reeds begonnen hervormingsproces en de tenuitvoerlegging van de Europa-overeenkomsten.
2. De voorbereiding van de geassocieerde landen op hun integratie in de interne markt vormt, zoals door de Europese Raad van Essen werd bevestigd, het voornaamste onderdeel van de strategie ter voorbereiding van de toetreding. Deze voorbereiding op de integratie in de interne markt wordt door de geassocieerde landen zelf als een prioriteit beschouwd. Zonder vooruit te lopen op de toekomstige toetredingsonderhandelingen en zonder hiervoor nieuwe voorwaarden te stellen, is het Witboek aldus bedoeld als leidraad en steun bij de inspanningen die de geassocieerde landen zich reeds getroosten ; het bevat namelijk een beschrijving van de maatregelen die de Commissie absoluut noodzakelijk acht voor de integratie in de interne markt, alsook van de hiertoe vereiste structuren. Bij de toetreding nemen deze landen, eventueel na overgangsperioden, het gehele acquis communautaire over dat in de wetgeving en de beleidsmaatregelen van de Gemeenschap vervat is.
3. De Raad stemt in met de manier waarop in het Witboek het belang van de interne markt voor de verwezenlijking van de doelstellingen van de Unie in het licht wordt gesteld. Met name draagt de interne markt bij tot duurzame, evenwichtige en milieuvriendelijke groei, tot meer economische en sociale samenhang, tot een hoog niveau inzake werkgelegenheid en sociale bescherming alsook tot een hogere levensstandaard en een betere kwaliteit van het bestaan. De interne markt vormt een ruimte waarbinnen het vrije verkeer van goederen, personen, diensten en kapitaal gewaarborgd is en een doorzichtige mededingingsregeling gegarandeerd wordt. De interne markt vereist een hoge mate van onderling vertrouwen en gelijkwaardige benaderingen inzake voorschriften.
Doordat de geassocieerde landen zich geleidelijk aanpassen aan de communautaire beleidsmaatregelen die op de vorming van de interne markt zijn gericht, zal het concurrentievermogen van hun economie groeien en zullen de voordelen van hun economische hervormingen toenemen.
4. De Raad merkt op dat in het Witboek, dat een totaalvisie van de communautaire wetgeving inzake de interne markt geeft, geen hiërarchie tussen de sectoren wordt aangebracht, maar dat daarin, binnen elk gekozen terrein, de belangrijkste maatregelen worden voorgesteld die door de geassocieerde landen bij voorrang kunnen worden overgenomen, alsmede een volgorde voor de aanneming daarvan, maar dit alles zonder dat daarbij een tijdschema wordt opgelegd. De Raad acht deze aanpak verantwoord doordat de geassocieerde landen zelf tot taak hebben om, met behulp van het Witboek, rekening houdend met hun nationale situatie en hun eigen prioriteiten, hun programma ter voorbereiding van de integratie in de interne markt vast te stellen en ten uitvoer te leggen. Bij het opstellen van deze programma's dienen de geassocieerde landen, overeenkomstig hun reeds getoonde bereidheid, rekening te houden met het in de associatie-overeenkomsten bepaalde algemene kader. De Europese Raad van Kopenhagen heeft beklemtoond bijzonder belang te hechten aan onder meer het gebied van de mededinging, alsook in het vooruitzicht van de toetreding, aan de bescherming van de werknemers, het milieu en de consumenten.
De Raad stemt ermee in dat in het Witboek de klemtoon ligt op de structuren op het gebied van tenuitvoerlegging en controle, die in deze landen gelijktijdig met de aanneming van de wetten inzake de interne markt moeten worden ingesteld.
De Raad verzoekt de Commissie om met de geassocieerde landen overleg te plegen over hun nationale programma's voor de tenuitvoerlegging van de aanbevelingen van het Witboek. De Commissie zal in nauw contact met de Lid-Staten nagaan of er daadwerkelijk vooruitgang wordt geboekt en zal deze regelmatig op de hoogte houden van het verloop van dit proces.
5. Voor het slagen van de voorbereiding van de geassocieerde landen op de integratie in de interne markt, is het noodzakelijk dat de Gemeenschap en haar Lid-Staten hen op alle passende wijzen behulpzaam zijn, waarbij de middelen die de Lid-Staten thans voor dit doel hebben bestemd, zo goed mogelijk en op een gecoördineerde wijze dienen te worden gebruikt. Het is in het bijzonder van belang de ervaring waarover de Lid-Staten op dit terrein beschikken, te benutten.
De Raad verheugt zich over de door de Commissie getoonde bereidheid om bij te dragen tot de versterking van de coördinatie en de doeltreffendheid van de communautaire bijstand. Hij verzoekt de Lid-Staten om in diezelfde zin te ijveren, met inachtneming van de eisen inzake doorzichtigheid, doeltreffendheid en bevattelijkheid, terwijl er eveneens naar moet worden gestreefd overlapping te voorkomen. Hij is van oordeel dat een grotere deelneming van de andere overheidssectoren en van de particuliere sector moet worden aangemoedigd. De Raad verzoekt de geassocieerde landen zich te voorzien van de interne structuur die nodig is om ten volle gebruik te maken van de geboden faciliteiten en verheugt zich over de hierbij reeds geboekte vooruitgang. Hij beklemtoont dat versterkte samenwerking tussen de geassocieerde landen onderling zou bijdragen tot het belonen van een ieders streven.
6. De Raad meent dat bijzondere aandacht moet worden geschonken aan wat er na de behandeling van het Witboek moet gebeuren. Hij neemt er nota van dat de Commissie voornemens is om, in nauw contact met de Lid-Staten, de voordelen van het Witboek uitvoeriger te analyseren en de resultaten van die analyse aan de Instellingen van de Unie en aan de geassocieerde landen voor te leggen. Hij bevestigt dat de in de gestructureerde dialoog en de associatie-overeenkomsten geboden mogelijkheden hiertoe moeten worden gebruikt. Het beheerscomité van PHARE en het raadgevend comité Interne Markt hebben op dit gebied eveneens een rol te spelen.
7. De Raad "Algemene Zaken" is voornemens, de later met betrekking tot het Witboek in de diverse fora te verrichten werkzaamheden te volgen, in overleg met de Raad "Interne Markt" voor zover deze daarbij is betrokken, en de gehele gang van zaken te coördineren.
De Europese Raad zou de Commissie, met het oog op zijn volgende zitting, kunnen verzoeken verslag uit te brengen over de vooruitgang die is geboekt bij de voorbereiding van de geassocieerde landen op de integratie in de interne markt.
TENUITVOERLEGGING VAN DE STRATEGIE TER VOORBEREIDING VAN DE TOETREDING
IN DE EERSTE HELFT VAN 1995
De door de Europese Raad van Essen aangenomen strategie ter voorbereiding van de toetreding, waarvan de Europa-overeenkomsten en de gestructureerde dialoog de voornaamste instrumenten vormen, heeft in de eerste helft van 1995 een hoge vlucht genomen. Alhoewel het veel te vroeg is voor een echte balans, is het nuttig over een algemeen overzicht van de ondernomen acties te beschikken. Dit overzicht bevestigt dat de koers juist gekozen werd en moet worden aangehouden.
I. De Europa-overeenkomsten
Er zijn thans zes Europa-overeenkomsten van kracht. Het begin van 1995 werd namelijk gekenmerkt door de inwerkingtreding van Europese associatie-overeenkomsten met Roemenië, Bulgarije, de Tsjechische Republiek en Slowakije, nadat reeds in 1994 de overeenkomsten met Hongarije en Polen in werking waren getreden.
Met deze zes landen werden, c.q. worden, in 1995 op de volgende data Associatieraadsbijeenkomsten gehouden : 10 april (Roemenië en de Tsjechische Republiek), 29 mei (Bulgarije en Slowakije), 17 juli (Hongarije en Polen). Voorts zijn er sinds begin dit jaar met al deze geassocieerde staten vergaderingen van parlementaire associatiecommissies gehouden.
De groep van geassocieerde staten is in uitbreiding, overeenkomstig de door de Europese Raad uitgezette beleidslijnen. De onderhandelingen over Europese associatie-overeenkomsten met de drie Baltische Staten, namelijk Estland, Letland en Litouwen, werden binnen een bestek van slechts enkele maanden afgesloten, zodat deze overeenkomsten op 12 juni 1995 konden worden ondertekend. Op 29 mei 1995 heeft de Raad reeds kunnen constateren dat aan de voorwaarden was voldaan om deze drie landen te betrekken bij de te Essen bepaalde strategie ter voorbereiding van de toetreding, hetgeen hen in staat stelt aan de gezamenlijke bijeenkomsten deel te nemen uit hoofde van de gestructureerde dialoog met de betrokken LMOE.
De onderhandelingen over een associatie-overeenkomst met Slovenië staan op het punt te worden afgerond.
II. Gestructureerde dialoog
De gestructureerde dialoog is thans operationeel, zoals blijkt uit het aantal ministeriële bijeenkomsten in diverse sectoren, waarbij de uitnodiging aan de Staatshoofden en de Regeringsleiders van de geassocieerde landen in de marge van de Europese Raad van Cannes het hoogtepunt vormt.
De zitting van de Ministers van de Audiovisuele Sector en Cultuur van 3 april 1995 heeft het mogelijk gemaakt de grondtrekken te schetsen van de toekomstige samenwerking met de geassocieerde landen op het vlak van de cultuur en de audiovisuele sector. De ministers van de geassocieerde landen hebben blijk gegeven van hun bereidheid om daadwerkelijk deel te nemen aan de communautaire programma's op die gebieden. Tevens heeft de zitting het mogelijk gemaakt de drie hoofdlijnen te bepalen die bij voorrang moeten worden gevolgd bij de samenwerking met de geassocieerde LMOE : de juridische en administratieve samenwerking, de herstructurering van de culturele en audiovisuele industrie en de vrijwaring van het cultureel erfgoed.
Tijdens de zitting van de Ministers van Buitenlandse Zaken te Luxemburg op 10 april 1995, voorbereid door een ontmoeting van het Comité van Permanente Vertegenwoordigers met de ambassadeurs van de geassocieerde landen, werd van gedachten gewisseld over de beleidslijnen van de Commissie met het oog op het opstellen van het Witboek over de voorbereiding op de integratie in de interne markt. Tevens kwamen er belangrijke kwesties in verband met de regionale samenwerking en de veiligheid in Europa aan de orde.
De ontmoeting met de Ministers van Economische Zaken en Financiën heeft op 22 mei 1995 plaatsgehad. Hierbij kwam de integratie van de geassocieerde landen in de interne markt ter sprake en ging de aandacht vooral uit naar de onderlinge aanpassing van de wetgevingen op economisch en financieel gebied. Voorts wisselden de Ministers informatie uit over de economische situatie in die landen (macro-economische aspecten).
Op 6 juni 1995 zijn de ministers bijeengekomen die verantwoordelijk zijn voor de onder de interne markt ressorterende aangelegenheden. Zij wisselden uitvoerig van gedachten over het door de Commissie voorgelegde Witboek inzake de voorbereiding van de geassocieerde landen op de integratie in de interne markt.
Een vergadering van de Ministers van Onderzoek is voor 9 juni gepland. Daarbij zal gesproken kunnen worden over de balans van de wetenschappelijke en technische samenwerking met de LMOE, het harmonisatiebeleid van de geassocieerde landen en de prognoses inzake hun deelneming aan de communautaire programma's op onderzoeksgebied.
De eerste bijeenkomst van de Ministers van Binnenlandse Zaken en Justitie op 20 juni 1995 is voorbereid tijdens twee ontmoetingen van de Trojka van het Comité K.4 met de LMOE op 19 januari en 7 juni. Deze bijeenkomst zal normaliter handelen over de samenwerking op de volgende gebieden : asiel en immigratie, politiële en douanesamenwerking en justitiële samenwerking in burgerlijke en strafzaken.
De Europese Raad van Essen heeft de wens uitgesproken dat er op langere termijn zal worden gepland dan de zes maanden die elk Voorzitterschap duurt ; dienovereenkomstig zal de gestructureerde dialoog onder het Spaanse Voorzitterschap met name op de volgende gebieden worden voortgezet : Justitie en Binnenlandse Zaken, Vervoer, Landbouw, Onderwijs en Buitenlandse Zaken.
III. Witboek
De voorlegging van het Witboek over de voorbereiding van de geassocieerde landen op de integratie in de interne markt, vormt sinds het begin van het jaar de voornaamste ontwikkeling in de strategie voor de onderlinge aanpassing. Hieraan heeft de Raad Algemene Zaken specifieke conclusies gewijd met het oog op de Europese Raad van Cannes.
IV. Commerciële maatregelen
De conclusies van de Europese Raad van Essen betreffende de commerciële maatregelen werden als volgt ten uitvoer gelegd :
- commerciële-verdedigingsmaatregelen (antidumping en vrijwaringsmaatregelen) : het systeem van informatie voordat de procedures worden uitgevoerd, wordt thans door de Commissie toegepast ;
- textielhandel met de zes geassocieerde landen : sinds 1 januari 1995 is bij Verordening (EG) nr. 3036/94 de toegang voor produkten die passief veredelingsverkeer hebben ondergaan, verbeterd doordat de douanerechten zijn afgeschaft ;
- de Commissie is begonnen met de besprekingen om de diagonale cumulatie op het gebied van de bestaande regels van oorsprong uit te breiden tot Roemenië en Bulgarije. Deze uitbreiding behoort tot de drie-fasenstrategie waartoe de Europese Raad van Essen heeft besloten ten einde de regels van oorsprong in de preferentiële handel tussen de Gemeenschap, de LMOE en de EVA-landen eenvormig te maken ;
- sinds 1 januari 1995 is het tijdschema inzake douanerechten en tariefcontingenten van Roemenië en Bulgarije afgestemd op dat van de andere geassocieerde landen ;
- de onderhandelingen over de aanpassing van de Europa-overeenkomsten ingevolge de uitbreiding en de Uruguay-Ronde zijn voltooid voor textiel- en EGKS-produkten. De onderhandelingen inzake landbouwprodukten zijn in een gevorderd stadium.
V. Landbouw
De Commissie dient vóór de Europese Raad van Cannes een verslag in te dienen over de redenen waarom slechts een klein aantal door de Unie geopende tariefcontingenten volledig wordt gebruikt. Tevens dient zij de Raad in kennis te stellen van het resultaat van het onderzoek van de effecten van alle gesubsidieerde export op de landbouw van de geassocieerde landen en hem te informeren over de manier waarop zij er, in het kader van haar eigen institutionele verantwoordelijkheden, rekening mee houdt bij het beheer van de mechanismen voor uitvoerrestitutie.
Voor wat betreft de aanpassing van de landbouwparagraaf van de associatieovereenkomsten aan de resultaten van de Uruguay-Ronde en aan de uitbreiding, zijn de onderhandelingen met de geassocieerde landen begonnen. Deze kunnen evenwel niet vóór 1 juli 1995 worden voltooid. Dit heeft de volgende consequenties :
- ingevolge de uitbreiding zijn er sinds 1 januari 1995 enkele voorlopige en autonome maatregelen voor de verse en verwerkte landbouwprodukten genomen, ten einde de traditionele handelsstromen niet te verstoren. Een tweede reeks maatregelen zal weldra door de Raad worden aangenomen ;
- tevens dienen er tussentijdse en autonome maatregelen te worden genomen om te vermijden dat de handelsstromen verstoord worden door de uitvoering van de resultaten van de Uruguay-Ronde op 1 juli. De Commissie zal zeer binnenkort een voorstel inzake de aanneming van deze maatregelen indienen en hierbij de beginselen van communautaire preferentie en wederkerigheid voor ogen houden.
VI. Industrie
De Raad Industrie van 7 april 1995 heeft conclusies aangenomen die erop zijn gericht de industriële samenwerking met de landen in Midden- en Oost-Europa te vergemakkelijken door zich te scharen achter de ontwikkeling van het milieu en van een kader van voorschriften om akkoorden tussen ondernemingen te bevorderen en de hinderpalen op dit gebied weg te nemen.
VII. Financiële samenwerking
PHARE krijgt een nieuwe oriëntatie, ten einde de strategie ter voorbereiding van de toetreding te ondersteunen. Hiertoe wordt de programmering op meerjarenbasis verricht. Bij de technische bijstand dient met name rekening te worden gehouden met de tenuitvoerlegging van het Witboek over de voorbereiding op de integratie in de interne markt. Voorts wordt de steunverlening door het programma uitgebreid tot investeringen in infrastructuur.
VIII. GBVB
De zitting van de Ministers van Buitenlandse Zaken van 10 april in het kader van de gestructureerde dialoog heeft aanleiding gegeven tot gedachtenwisselingen over diverse kwesties van gemeenschappelijk politiek belang. Er werden bijeenkomsten van de Politiek Directeuren en de Europese correspondenten alsook talrijke vergaderingen van de deskundigen georganiseerd.
De coördinatie in de hoofdsteden van de derde landen en binnen de internationale organisaties heeft geleidelijk vorm gekregen. Met name de coördinatie in VN-verband is uiterst positief gebleken, getuige het feit dat de Unie en de geassocieerde landen in sterke mate eensluidend stemmen, bijvoorbeeld tijdens de 51e zitting van de Commissie voor de Mensenrechten.
Voorts sluiten de geassocieerde landen zich aan bij een groeiend aantal demarches en gemeenschappelijke acties van de Unie, alsook bij verklaringen. Zo hebben zij samen deelgenomen aan de gemeenschappelijke actie om het non-proliferatieverdrag onvoorwaardelijk en onbeperkt te doen verlengen. De geassocieerde landen hebben zich tevens geschaard achter de reeks demarches die de Unie op grond van artikel 3, lid 2, van het gemeenschappelijk optreden op touw heeft gezet met betrekking tot anti-persoonsmijnen, ter voorbereiding van de Herzieningsconferentie van het zogenaamde Verdrag van 1980 betreffende onmenselijke wapens.
IX. Stabiliteitspact
Het proces dat heeft geleid tot de aanneming op 21 maart te Parijs van het Stabiliteitspact in Europa, heeft tevens bijgedragen tot de strategie ter voorbereiding van de toetreding. Dit Pact, dat werd gesloten na ronde-tafelconferenties waarin de geassocieerde landen en hun buren onder het Voorzitterschap van de Unie waren verenigd, betekende de formele bevestiging van de wil van de LMOE om hun onderlinge betrekkingen van goede nabuurschap te consolideren en verder uit te bouwen en de stabiliteit in Europa te versterken door aan de OVSE de follow-up toe te vertrouwen van de in dit Pact vervatte bilaterale overeenkomsten en regelingen.
De maatregelen van de Unie in PHARE-verband ter begeleiding van dit proces hebben tot dit resultaat bijgedragen door de uitwerking van plannen betreffende de regionale grensoverschrijdende samenwerking, de minderhedenkwesties, de culturele samenwerking, inclusief de taalkundige en administratieve opleiding, alsook de milieuproblemen.
X. Justitie en Binnenlandse Zaken
Op 19 januari 1995 heeft de Trojka van het Comité K.4 met de geassocieerde landen vergaderd. Als gevolg hiervan is er, na een door het Comité van Permanente Vertegenwoordigers bevestigd mandaat van dit Comité, samenwerking op gang gekomen op de drie gebieden die onder titel VI vallen :
- In de sector asiel en immigratie hebben er twee vergaderingen van het CIBGI (Centrum voor informatie, beraad en gegevensuitwisseling inzake grensoverschrijding en immigratie) met de deskundigen van de LMOE plaatsgehad. Bij de ministeriële zitting op 20 juni moeten met name de volgende onderwerpen ter sprake komen : valse documenten, de onderlinge aanpassing van de verkeerswetgevingen, de vragenlijst betreffende de gebruiken inzake in derde landen afgegeven visa, en overname.
- Op het gebied van de politiële en douanesamenwerking, waarbij eerlang een vergadering van deskundigen inzake drugskwesties en de georganiseerde criminaliteit zal plaatshebben, zal in de Raad op 20 juni normaliter de uitvoering van de verklaring van Berlijn betreffende politiële en douanesamenwerking bij de bestrijding van de georganiseerde criminaliteit ter sprake komen, alsook de oprichting van een politie-academie in Boedapest.
- Voor wat de justitiële samenwerking betreft, is een zeer complete vragenlijst aan de LMOE gericht. De Raad zal op 20 juni aandacht besteden aan de antwoorden op deze vragenlijst alsook aan de toetreding van de LMOE tot de Verdragen van Lugano en van Rome en tot de relevante overeenkomsten inzake justitiële samenwerking.
VERKLARING VAN DE EUROPESE UNIE
Voormalig Joegoslavië
De Europese Raad, op 26 en 27 juni 1995 te Cannes bijeen, richt de volgende boodschap tot de leiders en volkeren van het voormalige Joegoslavië :
1. De Europese Unie herhaalt nadrukkelijk dat zij gekant is tegen een beslechting van het conflict in het voormalige Joegoslavië door geweld. Zij roept op tot een moratorium van de militaire operaties en tot de sluiting van een akkoord over het staken van de vijandelijkheden.
2. De Europese Unie heeft van meet af aan haar steun gegeven aan het optreden van de Verenigde Naties om de oorlog in te dammen, de burgerbevolking te hulp te komen en het vredesproces te bevorderen. Vandaag wenst zij te wijzen op de steun die zij UNPROFOR biedt om krachtdadig te kunnen optreden.
Wat vooreerst het optreden van de Verenigde Naties en de militaire aspecten betreft, zegt de Europese Unie opnieuw haar steun toe aan het door de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties goedgekeurde optreden van de Snelle Reactiemacht ten einde UNPROFOR in staat te stellen zijn opdracht onder betere veiligheidsvoorwaarden en doeltreffender te volbrengen. Het is zaak ervoor te zorgen dat UNPROFOR kan handelen en reageren. De Lid-Staten van de Europese Unie betuigen hun solidariteit met de Snelle Reactiemacht door deze naar vermogen bijstand te verlenen en door ernaar te streven bij de Verenigde Naties te bewerkstelligen dat de leden van de Organisatie bijdragen aan de financiering van de Reactiemacht.
De Europese Unie waarschuwt alle partijen bij het conflict met betrekking tot het belemmeren van de vrijheid van beweging en handeling van UNPROFOR en van de humanitaire organisaties die de burgerbevolking hulp verlenen. Zij wijst de partijen erop dat de vredesmacht vastbesloten is deze hinderpalen te boven te komen. Het opheffen van het beleg van Sarajevo is een dwingende noodzaak. De Europese Unie eist vrije toegang tot Sarajevo, tot de enclaves en tot de veilige zones.
De Europese Unie bevestigt de machtiging om met Kroatië onderhandelingen aan te knopen over een handels- en samenwerkingsovereenkomst, maar wijst daarbij opnieuw op haar duidelijke waarschuwing tegen elke poging om de situatie in Krajina met geweld op te lossen.
3. De Europese Unie bevestigt prioriteit te willen geven aan de snellere uitwerking van een vreedzame oplossing. Zij betuigt opnieuw haar vertrouwen in en haar volledige steun aan de door haar aangewezen bemiddelaar, de heer Carl Bildt, in zijn hoedanigheid van co-Voorzitter van het Stuurcomité van de Internationale Conferentie over het voormalige Joegoslavië. Zij heeft met de grootste belangstelling nota genomen van de resultaten van zijn eerste bezoek aan de regio.
- De Europese Unie verzoekt de heer Bildt om in Bosnië-Herzegowina bij alle partijen snel te zoeken naar een middel om de dialoog te heropenen. De Europese Unie, de Verenigde Staten en Rusland hebben een plan opgesteld dat uitgaat van een billijke territoriale verdeling en perspectieven voor een constitutionele regeling waarin de integriteit van Bosnië-Herzegowina bewaard blijft en die voorziet in een billijke en evenwichtige behandeling van de Kroatisch-Bosnische en de Servisch-Bosnische bevolkingsgroep. Dit plan moet geaccepteerd worden als de grondslag voor de hervatting van de onderhandelingen.
- Tegelijk verzoekt de Europese Unie de heer Bildt voort te werken aan de wederzijdse erkenning van de uit het voormalige Joegoslavië voortgekomen Staten. Zij begrijpt het belang dat de FRJ als eerste stap Bosnië-Herzegowina erkent. Zij herinnert aan de gedane voorstellen, met name op het stuk van de sancties, ten einde zo spoedig mogelijk tot deze wederzijdse erkenning te komen.
De Europese Unie legt in dit verband de nadruk op het belang van een stringente naleving van de sluiting van de grens tussen Bosnië-Herzegowina en de FRJ. Zij verzoekt alle Staten ervoor te zorgen dat de toezichtsmissie van de Internationale Conferentie over het voormalige Joegoslavië daartoe over toereikende middelen beschikt.
- De Europese Unie verzoekt de heer Bildt de Regering in Zagreb en de Servische leiders in Krajina ertoe aan te sporen om de dialoog weer op te nemen, het economisch akkoord van 2 december 1994 nieuw leven in te blazen, het als plan Z4 aangeduide ontwerp-Akkoord te aanvaarden en de FRJ ertoe aan te zetten dit plan te steunen.
- Gelet op de resultaten die reeds inzake toenadering tussen Kroaten en Moslims zijn geboekt, getuige de Federatie tussen Kroaten en Moslims en het werk van de Bestuurder van de Europese Unie in Mostar, spreekt de Europese Unie de overtuiging uit dat er oplossingen kunnen worden gevonden om tussen alle gemeenschappen van het voormalige Joegoslavië bevredigende betrekkingen tot stand te brengen.
De Europese Unie verzoekt haar bemiddelaar de Ministers van Buitenlandse Zaken op de Raad van 17 juli van de eerste resultaten van zijn bemiddeling op de hoogte te brengen.
4. Dit zijn de doelstellingen die de Europese Unie zichzelf en de heer Bildt in de onmiddellijke toekomst heeft gesteld. Een alomvattende vrede is echter alleen mogelijk als de rechten van elke gemeenschap overal gewaarborgd zijn. In dat verband zal de Europese Unie waakzaam blijven omtrent het lot van de bevolking in Vojvodina, Sandjak en Kosovo : een bevredigende evolutie op dit punt vormt de voorwaarde voor de volledige herintegratie van de FRJ in de Gemeenschap der Naties.
EUROPEES-MEDITERRANE CONFERENTIE VAN BARCELONA
STANDPUNT VAN DE EUROPESE UNIE
I. ALGEMENE INLEIDING
De landen van de Europese Unie en hun Mediterrane partners moeten meer samen gaan optreden, zodat het Middellandse-Zeegebied meer dan heden het geval is, een gebied wordt waarin de onderlinge contacten en de dialoog zorgen voor vrede, stabiliteit en welvaart voor degenen die er wonen.
Overeenkomstig de richtsnoeren van de Europese Raden van Lissabon (juni 1992), Korfoe (juni 1994) en Essen (december 1994) heeft de Europese Unie besloten een duurzame regeling uit te werken voor de betrekkingen met de andere landen van het Middellandse-Zeegebied, in een geest van partnerschap. Een ambitieus beleid van samenwerking met het Zuiden vormt een aanvulling op het beleid van openheid ten opzichte van het Oosten en bevordert de geopolitieke samenhang van het externe optreden van de Europese Unie.
De Europese Unie en haar Mediterrane partners staan voor gemeenschappelijke uitdagingen die een algemene en gecoördineerde aanpak vergen. Deze aanpak moet rekening houden met de algemene en specifieke kenmerken van de verschillende landen aan de andere kant van de Middellandse Zee. De totstandbrenging van een multilateraal kader tussen Europa en de overkant van de Middellandse Zee en de versterking van de bilaterale betrekkingen die de Unie en elk van haar partners met elkaar verbinden, zijn complementair. De bestaande bilaterale overeenkomsten en de lopende onderhandelingen met het oog op de sluiting van "nieuwe generatie"-overeenkomsten zullen het mogelijk maken om het specifieke karakter van elk van deze bilaterale betrekkingen in het nieuwe multilaterale kader te beschermen en zelfs te versterken ; deze overeenkomsten zullen terzelfder tijd een van de voornaamste instrumenten zijn voor de toepassing van de bepalingen als vervat in dit document.
De Europees-Mediterrane Ministerconferentie die op 27/28 november 1995 te Barcelona wordt gehouden, biedt de landen van de Europese Unie en hun partners van het westelijk en het oostelijk deel van het Middellandse-Zeegebied een unieke gelegenheid om samen vorm te geven aan hun toekomstige betrekkingen.
In dit vooruitzicht streeft de Europese Unie er in haar betrekkingen met deze landen naar de stabiliteit en welvaart in het Middellandse-Zeegebied te verzekeren. Met het oog daarop is de Europese Unie bereid het streven van deze landen om de regio geleidelijk om te vormen tot een zone van vrede, stabiliteit, welvaart en samenwerking te ondersteunen en daartoe een Europees-Mediterraan partnerschap tot stand te brengen. Voorwaarde hiervoor is een politieke dialoog, een duurzame en evenwichtige economische en sociale ontwikkeling, bestrijding van de armoede en een beter begrip van elkaars cultuur via versterking van de menselijke dimensie in de onderlinge contacten.
Het is in die geest dat de Europese Unie dit beraad heeft aangevat, met als doel een alomvattend partnerschap tot stand te brengen, dat gebaseerd is op versterking van de democratie en eerbiediging van de mensenrechten, twee factoren die van essentieel belang zijn in de betrekkingen tussen Europa en zijn buren in het Middellandse-Zeegebied. Dat partnerschap bestrijkt de volgende drie grote deelgebieden :
- Politieke en veiligheidsaspecten.
Doel is de vaststelling van een aantal voor alle partijen aanvaardbare gemeenschappelijke beginselen en belangen, ten aanzien waarvan de partners de verbintenis aangaan ze samen te bevorderen. Er dient met name te worden bevestigd dat het voor de stabiliteit van het gehele Mediterrane gebied van belang is dat in elke Staat de fundamentele vrijheden worden geëerbiedigd en de rechtsstaat tot stand wordt gebracht. Ook dienen de Staten zich in hun onderlinge betrekkingen te laten leiden door enkele voor alle partijen aanvaardbare beginselen die eveneens voor stabiliteit in het gebied kunnen zorgen. Dit betekent dat met landen van de Arabisch-Islamitische wereld en ook met andere landen een dialoog moet worden gevoerd, waarbij rekening wordt gehouden met de specifieke culturele kenmerken van het gebied.
- Economische en financiële aspecten.
Doel is de totstandbrenging van een gebied waarin gedeelde welvaart heerst. Er wordt een actieplan voorgesteld waarin het kader, de prioriteiten en de werking van het partnerschap worden vastgelegd met het oog op de vorming van een op vrijhandel gebaseerde Europees-Mediterrane economische ruimte, zulks met inachtneming van de uit de WTO voortvloeiende verplichtingen. In deze context verbinden de partners zich ertoe na te gaan welke consequenties de instelling van een vrijhandelszone zal hebben voor hun betrekkingen, alsmede op het gebied van de economische ontwikkeling, de hulpbronnen en de infrastructuurvoorzieningen. Bijzonder veel belang wordt toegekend aan de regionale integratie. In dit verband zij erop gewezen dat de steun van de Europese Unie aan het Middellandse-Zeegebied niet in de plaats mag komen van de aanzienlijke inspanning die door de betrokken landen wordt geleverd om hun eigen situatie, alsmede hun eigen economische en sociale ontwikkeling te verbeteren. Er wordt erkend dat de daartoe vereiste modernisering van de economie een aanzienlijke versterking van de financiële samenwerking zal vergen, die vooral gericht moet zijn op het mobiliseren van de lokale economische actoren in het vooruitzicht van een endogene en duurzame ontwikkeling. Met het oog daarop zal bijzondere nadruk worden gelegd op investeringen van de particuliere sector, die een van de motoren van de ontwikkeling van het gebied is.
- Sociale en menselijke aspecten.
Doel is de bevordering van het onderlinge maatschappelijke verkeer. In het kader van een gedecentraliseerd samenwerkingsverband wordt het accent gelegd op onderwijs, opleiding en jeugd, cultuur en de media, de migrerende bevolkingsgroepen en volksgezondheid. Ook wordt gedacht aan meer samenwerking op het terrein van de binnenlandse en gerechtelijke aangelegenheden, waarbij met name actie wordt ondernomen op het gebied van de drugshandel, het terrorisme en de internationale criminaliteit.
Aldus omschreven verschilt het Europees-Mediterrane partnerschap grondig van het vredesproces in het Midden-Oosten wegens zijn alomvattende aanpak die op de betrekkingen tussen Europa en het Middellandse-Zeegebied is toegespitst. Het partnerschap is geen nieuw forum voor het oplossen van conflicten en moet niet worden beschouwd als het kader voor dat vredesproces, ook al kan het mede bijdragen aan het welslagen ervan. Hetzelfde geldt voor de andere geschillen die de betrekkingen tussen de landen van het gebied kunnen beïnvloeden.
Het is overigens niet de bedoeling dat het Europees-Mediterrane partnerschap de plaats inneemt van andere acties en initiatieven voor vrede, stabiliteit en ontwikkeling die in het gebied worden ondernomen met het doel de dialoog en de samenwerking tussen Europa en zijn buurlanden in het zuidelijke en oostelijke gedeelte van het Middellandse-Zeegebied te versterken.
Wat meer in het bijzonder de Economische Top betreft, die in oktober eerstkomend te Amman zal plaatsvinden en die aansluit bij de Economische Top van Casablanca, is de Europese Unie van plan daar actief aan deel te nemen. Dit proces verschilt zowel qua samenstelling als qua doelstellingen van het Europees-Mediterrane partnerschap, ook al kunnen er bepaalde synergieën uit voortkomen.
Alles samen is de enige betekenis van de deelneming aan de Conferentie van Barcelona dat men de beginselen onderschrijft die aan het Europees-Mediterrane partnerschap ten grondslag liggen.
De Europese Unie wenst dat de Europees-Mediterrane Conferentie de grondslag legt voor het Europees-Mediterrane partnerschap, door een gemeenschappelijke verklaring aan te nemen die betrekking heeft op de drie grote hierboven geschetste deelgebieden, die een geheel vormen en waartussen een positieve wisselwerking tot stand moet kunnen komen.
°
° °
II. POLITIEK EN VEILIGHEIDSPARTNERSCHAP : OMSCHRIJVING VAN EEN GEMEENSCHAPPELIJKE RUIMTE VAN VREDE EN STABILITEIT
De Europese Unie stelt voor dat tijdens de Conferentie van Barcelona dit najaar vorm wordt gegeven aan het Europees-Mediterrane partnerschap door de aanneming door alle partners van een beginselverklaring, met een aantal gemeenschappelijke doelstellingen inzake interne en externe stabiliteit.
A) Mensenrechten, democratie, rechtsstaat
De door de internationale gemeenschap erkende gedragsregels die binnen elke Staat of politieke entiteit moeten worden gevolgd, zouden door alle partijen nogmaals moeten worden bevestigd. De interne stabiliteit van de Staten moet op middellange termijn namelijk worden beschouwd als een bouwsteen voor stabiliteit in de gehele Europees-Mediterrane ruimte.
Het Europees-Mediterrane partnerschap moet derhalve gebaseerd zijn op de inachtneming van de volgende beginselen :
1. (Eerbiediging van de grondteksten) : verbintenis van de partners om te handelen overeenkomstig het Handvest van de Verenigde Naties en de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, alsmede de verplichtingen die voortvloeien uit de internationale verklaringen en overeenkomsten ter zake waardoor zij gebonden zijn.
2. (Rechtsstaat) : alle partners zouden zich moeten kunnen verbinden tot de totstandbrenging van de rechtsstaat en democratie binnen hun intern politiek bestel (op gezette tijden vrije verkiezingen voor de leidinggevende en vertegenwoordigende instanties, onafhankelijke rechtspraak, evenwicht van de machten, behoorlijk bestuur), waarbij zij gelijktijdig het recht erkennen van elk van hen om in alle vrijheid te kiezen voor een politiek, sociaal-cultureel en economisch bestel en dat te ontwikkelen, op voorwaarde dat het conform de algemeen erkende internationale normen inzake mensenrechten is.
3. (Fundamentele vrijheden) : verbintenis van elke partner om concrete maatregelen te treffen voor de daadwerkelijke toepassing van de fundamentele vrijheden op grond van de door de partners krachtens de twee vorige paragrafen aangegane verbintenissen, waaronder vrije meningsuiting, vrijheid van vereniging met vreedzaam oogmerk en vrijheid van denken, geweten en godsdienst.
Verbintenis van de partners om zich positief op te stellen ten aanzien van de mogelijkheid om informatie uit te wisselen en in te gaan op eventuele verzoeken om informatie van de partners over kwesties in verband met de mensenrechten en de fundamentele vrijheden.
4. (Pluralisme en verdraagzaamheid) : verbintenis van elke partner om de diversiteit en het pluralisme in zijn maatschappij te eerbiedigen. Oproep tot bevordering van verdraagzaamheid tussen de verschillende maatschappelijke groepen en tot bestrijding van uitingen van onverdraagzaamheid, met name racisme en vreemdelingenhaat. Acties tegen terrorisme zullen des te doeltreffender zijn indien zij gepaard gaan met eerbiediging van de rechtsnormen en de beginselen inzake mensenrechten, en, op langere termijn, met beleidsmaatregelen die tot doel hebben concreet in te werken op de diepere oorzaken van dit verschijnsel. In die geest zouden de partners de nadruk kunnen leggen op het belang van een adequate vorming inzake mensenrechten en fundamentele vrijheden.
5. (Rechten van de mens) : verbintenis van de partners om de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden te respecteren, alsook de uitoefening van deze rechten en vrijheden, zowel individueel als samen met andere leden van hun groep, zonder enige discriminatie op grond van ras, nationaliteit, taal, godsdienst of geslacht.
B) Stabiliteit, veiligheid, betrekkingen van goede nabuurschap
De partners zouden kunnen bevestigen dat vrede en stabiliteit in het Middellandse-Zeegebied een gemeenschappelijk goed zijn en dat zij zich ertoe verbinden deze te vrijwaren en te versterken met alle middelen die hun ter beschikking staan.
In die geest dient een veiligheidspartnerschap tussen Europa en het Middellandse-Zeegebied gebaseerd te zijn op de inachtneming van de volgende beginselen :
1. (Soevereine gelijkheid) : verbintenis van de partners om hun respectieve soevereine gelijkheid, alsmede alle rechten die overeenkomstig het internationale recht inherent zijn aan hun soevereiniteit te eerbiedigen. Verbintenis van de partners om hun overeenkomstig het internationale recht aangegane verplichtingen te goeder trouw na te komen.
2. (Niet-inmenging) : verbintenis van elke partner om zich te onthouden van met de normen van het internationale recht strijdige rechtstreekse of onrechtstreekse inmenging in de interne aangelegenheden van een andere partner.
3. (Eerbiediging van de territoriale integriteit) : verbintenis van de partners om de territoriale integriteit en de eenheid van elk van de andere partners te eerbiedigen.
4. (Het zich onthouden van gebruik van geweld en vreedzame beslechting van geschillen) : de partners verbinden zich ertoe in hun onderlinge betrekkingen niet te dreigen met of gebruik te maken van geweld tegen de territoriale integriteit of de politieke onafhankelijkheid van een andere partner, of van elke andere handelwijze af te zien die onverenigbaar is met de doelstellingen van de Verenigde Naties. Verbintenis van de partners om gemeenschappelijke mechanismen van preventieve diplomatie te bestuderen en hun geschillen op vreedzame wijze bij te leggen.
5. (Bestrijding van terrorisme, georganiseerde criminaliteit en drugs) : verbintenis van de partners om samen te werken ter preventie en bestrijding van het dreigend gevaar van terroristische activiteiten via de bekrachtiging en toepassing van internationale instrumenten en van verbintenissen die zij ter zake aangaan, alsook via andere passende maatregelen. Verbintenis van de partners om samen de strijd aan te binden tegen de uitbreiding en de diversificatie van de georganiseerde criminaliteit, alsmede tegen de drugsplaag in al haar aspecten.
6. (Doelstellingen inzake ontwapening en non-proliferatie) : verbintenis van de partners om te goeder trouw de verbintenissen uit te voeren, die zij zijn aangegaan in het kader van de overeenkomsten inzake wapenbeheersing, ontwapening en non-proliferatie, waarbij zij partij zijn.
Oproep aan alle partners om toe te treden tot het Verdrag inzake de niet-verspreiding van kernwapens, het Verdrag inzake chemische wapens en het Verdrag inzake biologische wapens en zich ertoe te verbinden concreet te ijveren voor niet-verspreiding van chemische, biologische en kernwapens.
Verbintenis van elke partner om geen grotere militaire capaciteit op te bouwen dan gewettigd is uit hoofde van zijn behoeften inzake individuele of collectieve veiligheid. De partners zouden in die geest kunnen bevestigen dat zij naar dezelfde mate van veiligheid en wederzijds vertrouwen streven bij lagere niveaus van conventionele bewapening.
7. (Betrekkingen van goede nabuurschap, vertrouwenwekkende en veiligheidsmaatregelen) : verbintenis van de partners om onderlinge betrekkingen van goede nabuurschap te ontwikkelen. In die geest dienen de partners het streven naar regionale integratie te ondersteunen en het belang daarvan voor de stabiliteit in het gebied te onderstrepen. Zij zouden er zich voorts toe kunnen verbinden eventuele gezamenlijke vertrouwenwekkende en veiligheidsmaatregelen te bestuderen, met het oog op de totstandbrenging van een "Mediterrane ruimte van vrede en stabiliteit" en zich daarbij kunnen laten leiden door het Stabiliteitspact bestemd voor de landen in Midden- en Oost-Europa.
°
° °
III. ECONOMISCH EN FINANCIEEL PARTNERSCHAP : TOTSTANDBRENGING VAN EEN GEBIED VAN GEDEELDE WELVAART
Inleiding
De problemen verschillen in elk van de partnerlanden, maar al deze landen staan voor dezelfde uitdagingen :
- sterke demografische druk ;
- omvangrijke landbouwbevolking ;
- te geringe diversificatie van de industriële produktie en het industriële handelsverkeer ;
- zwakke intraregionale handel ;
- weinig doeltreffende en te sterk ontwikkelde overheidssector.
De partners kunnen zich op lange termijn het volgende ten doel stellen :
- versnelling van het proces van duurzame sociaal-economische ontwikkeling ;
- verbetering van de levensomstandigheden van de bevolking door de welvaartskloof tussen rijk en arm kleiner te maken en de werkgelegenheid te vergroten ;
- bevordering van regionale samenwerking en integratie.
Daartoe dient een Europees-Mediterrane ruimte tot stand te worden gebracht, die gebaseerd is op vrijhandel en partnerschap op zoveel mogelijk gebieden.
De partners zijn van mening dat moet worden gestreefd naar een beleid dat berust op de beginselen van de markteconomie en op de integratie van hun economieën, alsook op een partnerschap dat rekening houdt met hun respectieve behoeften en ontwikkelingsniveaus.
Zij geven prioriteit aan de aanpassing en modernisering van de economische en sociale structuren van de Mediterrane landen die geen lid zijn van de EU, ten einde de weg te effenen voor de geleidelijke totstandbrenging van een vrijhandelszone, en met name :
- de modernisering en ontwikkeling van de particuliere sector, alsook van het juridische en regelgevende kader ervan te bevorderen door meer samenwerking tussen de administraties en stimulering van particuliere investeringen van lokale, regionale en communautaire oorsprong ;
- de mogelijke gevolgen van de economische ontwikkeling op sociaal gebied en voor het milieu te verzachten, door met name de gewenste prioriteit te verlenen aan de beleidsvormen, programma's en projecten die het dagelijkse leven van de armste bevolkingsgroepen het meest rechtstreeks beïnvloeden.
Tenslotte zullen de partners trachten om de mechanismen voor de ontwikkeling van de overdracht van technologie te stimuleren.
1. Europees-Mediterraan vrijhandelsgebied
De partners komen overeen tegen het jaar 2010 geleidelijk een op vrijhandel gebaseerde Europees-Mediterrane ruimte tot stand te brengen die het grootste deel van het handelsverkeer omvat en gebaseerd is op de door de Wereldhandelsorganisatie geboden mogelijkheden en opgelegde verplichtingen.
De oprichting van een vrijhandelsgebied zou een essentieel onderdeel vormen van het Europees-Mediterrane partnerschap en zou van elk van de partners een bijzondere inspanning vereisen.
In dit gebied :
- geldt vrij verkeer van industrieprodukten, zonder tarifaire of non-tarifaire belemmeringen ;
- wordt, uitgaande van de traditionele handelsstromen en voor zover het respectieve landbouwbeleid van de partners zulks toelaat, de handel in landbouwprodukten geleidelijk geliberaliseerd via wederzijdse preferentiële toegang ;
- krijgen vennootschappen het recht zich te vestigen en worden grensoverschrijdende dienstverlening en het kapitaalverkeer geleidelijk geliberaliseerd, rekening houdend met de GATS-Overeenkomst.
Daartoe worden de lopende onderhandelingen tussen de Unie en de derde Mediterrane landen zo spoedig mogelijk afgerond en tegelijkertijd wordt door de Mediterrane landen onderling onderhandeld over gelijksoortige vrijhandelsovereenkomsten.
In een tweede fase worden deze landen aangemoedigd om onderhandelingen over vrijhandelsovereenkomsten aan te knopen met de niet-Mediterrane Europese landen die met de Unie geassocieerd zijn.
Om het handelsverkeer te vergemakkelijken, zijn de partners voornemens :
- etappegewijs onder alle partners cumulatie van oorsprong na te streven, onder vergelijkbare voorwaarden als de Unie voor de LMOE overweegt ;
- grotendeels gelijklopende oorsprongsregels aan te nemen en daartoe de samenwerking op douanegebied onder alle partners te ontwikkelen ;
- de certificeringsprocedures te verbeteren ten einde de wederzijdse erkenning van conformiteitsverklaringen en, op langere termijn, een harmonisatie van de normen te vergemakkelijken ;
- optimale normen ter bescherming van intellectuele eigendom aan te nemen (TRIP's) ;
- gelijksoortige mededingingsregels aan te nemen.
Over de liberalisering van diensten worden bijzondere overeenkomsten gesloten waarover zo spoedig mogelijk zal worden onderhandeld.
2. Prioriteiten van de samenwerking
2.1. Investeringen
Een snelle en duurzame groei en de voortzetting van de structuurhervormingen zijn van essentieel belang voor het welslagen van de economische ontwikkeling. Dit proces moet worden ondersteund door het interne spaarwezen, grondslag van de investeringen, waarbij dan nog aanzienlijk toegenomen buitenlandse rechtstreekse investeringen moeten komen.
De partners beklemtonen derhalve het grote belang voor de economische ontwikkeling van investeringen, van het geleidelijk wegwerken van de hinderpalen voor investeringen en van het scheppen van een gunstig klimaat voor rechtstreekse buitenlandse investeringen.
De partners zullen dus nagaan hoe directe investeringen kunnen worden bevorderd, met inachtneming van de bevoegdheden van alle partijen (Europese Gemeenschap, Lid-Staten en Mediterrane partners).
2.2. Regionale samenwerking
De partners erkennen dat regionale samenwerking een sleutelfactor is bij het bevorderen van de totstandbrenging van een vrijhandelsgebied. Het is dus belangrijk het handelsverkeer niet alleen tussen de Europese Unie en haar Mediterrane partners, maar ook, op basis van vrijwilligheid, tussen deze partners onderling te ontwikkelen.
2.3. Bedrijfsleven
De partners zullen de ondernemingen verzoeken om binnen het Europees-Mediterrane gebied met elkaar overeenkomsten te sluiten (joint ventures, verkoopovereenkomsten, toelevering, vergunningen enz.).
Zij zullen deze samenwerking stimuleren door een bedrijfsvriendelijk klimaat en dito regelgevend kader tot stand te brengen, met inachtneming van de concurrentieregels (toegang tot geschikte locaties, geschoolde arbeidskrachten, kredietfaciliteiten, kapitaalmarkt enz.). Speciale aandacht zal uitgaan naar de begeleiding van het privatiseren van overheidsbedrijven.
De partners zullen zich beijveren om de samenwerking en de modernisering van de industrie te bevorderen via
- de uitwisseling van informatie over industriële en technologische ontwikkelingen, industriebeleid, concurrentievermogen en modernisering, herstructurering en privatisering van de industrie, innovatie en investeringen, liberalisatie van het handelsverkeer en de invloed daarvan op de industrie en het juridisch-financiële klimaat, en hygiëne en veiligheid op het werk ;
- het stimuleren van netwerken, gemeenschappelijke projecten, infrastructuur voor samenwerking en overlegmechanismen ;
- de ontwikkeling van technologieën en normen ;
- het verbeteren van de voorwaarden voor de ontwikkeling van buitenlandse investeringen in de partnerlanden van het Middellandse-Zeegebied.
De partners achten een technisch ondersteuningsprogramma ten behoeve van het MKB noodzakelijk om de kwaliteit van goederen en diensten te verbeteren, onder meer op het gebied van toerisme. Zij zullen de samenwerking tussen het MKB en de verbetering van de kredietfaciliteiten ondersteunen. De partners erkennen dat het van belang is dat de financiële sector in de Mediterrane landen wordt ontwikkeld zodat er middelen beschikbaar komen om de bedrijven te ondersteunen. Zij zullen de integratie van de informele arbeidssector aanmoedigen via de ontwikkeling van micro-ondernemingen en zelfstandig ondernemerschap.
2.4. Milieu
De partners onderstrepen dat er op milieugebied sprake is van een onderlinge afhankelijkheidsrelatie, waardoor een regionale aanpak en meer samenwerking, alsook een betere coördinatie van de lopende multilaterale programma's van de Europese Unie en de bevoegde internationale organisaties vereist is. Zij erkennen dat het van belang is de economische ontwikkeling te verzoenen met de bescherming van het milieu en dat het milieu in alle aspecten van het economisch beleid (industrie, onderzoek, energie, vervoer, landbouw, visserij, toerisme en ruimtelijke ordening) moet meespelen, ten einde de duurzame ontwikkeling van de regio te bevorderen.
Ten einde de huidige tendens naar een verdere verslechtering van de situatie op milieugebied om te keren, verbinden zij zich ertoe de reeds aan de gang zijnde activiteiten voort te zetten en te versterken. In deze context bevestigen de partners dat zij gehecht zijn aan de doelstellingen en de structuren die zijn opgezet in het kader van het Verdrag van Barcelona en het Actieplan voor het Middellandse-Zeegebied om hun activiteiten in het gebied een nieuwe dynamiek te geven. De doeltreffendheid en zichtbaarheid van hun optreden op dit gebied moeten worden verhoogd. Ter aanvulling van deze activiteiten komen zij bovendien overeen om voor de korte en middellange termijn een prioritair actieprogramma vast te stellen, de financiële steunmaatregelen voornamelijk op deze acties toe te spitsen en te zorgen voor een mechanisme van toezicht op de uitvoering ervan, met name een regelmatige dialoog.
Dat programma moet worden toegespitst op de problemen inzake watervoorziening, afvalbeheer, luchtverontreiniging, alsmede op de bescherming van bodem, kust, Middellandse Zee, fauna en flora, het behoud van het natuurlijk erfgoed, landschappen en monumenten, de voorkoming van bosbranden en de observatie van de aardbodem. Voor de langere termijn zal het programma worden aangevuld met acties op het gebied van opleiding, onderwijs, de totstandbrenging van netwerken en milieugegevens.
De partijen komen tevens overeen om zo spoedig mogelijk de noodzakelijk blijkende wettelijke en bestuursrechtelijke maatregelen - met name in de preventieve sfeer - alsmede hoge normen aan te nemen en toe te passen.
2.5. Visserij
De partners achten de instandhouding en het rationele beheer van de visbestanden belangrijk.
Daartoe zullen de Partijen hun deelneming en samenwerking in het kader van de Algemene Visserijraad voor de Middellandse Zee versterken met het oog op de aanneming en daadwerkelijke toepassing van adequate instandhoudings- en beheersmaatregelen ten einde te komen tot een duurzame exploitatie van de visbestanden in deze zone.
Zij bevestigen hun verklaring van Heraklion van december 1994 en verbinden zich ertoe passende juridische actie te ondernemen om op adequate wijze gevolg te geven aan de conclusies van de Conferentie.
Zij zullen beter samenwerken bij het onderzoek naar de visbestanden in de Middellandse Zee, alsook op het gebied van opleiding en wetenschappelijk onderzoek ; zij denken in dat verband aan de oprichting van gemeenschappelijke wetenschappelijke waarnemingscentra.
2.6. Energie
De partners erkennen dat zij op energiegebied van elkaar afhankelijk zijn. Voor de ontwikkeling van de energierijkdommen, zoals ook wat betreft het voorspelbaar maken van het energieverkeer, moeten met name adequate kadervoorwaarden worden geschapen voor de investeringen en de activiteiten van de energiebedrijven.
Zij zullen de bestaande samenwerking inzake energiebeleid uitbreiden. Voorts zullen zij de dialoog tussen producenten en gebruikers aanmoedigen.
Daartoe zijn zij van plan :
- de associatie van de Mediterrane landen bij het Verdrag inzake het Europees Energiehandvest aan te moedigen ;
- de gezamenlijke deelneming aan onderzoekprogramma's te bevorderen ;
- levensvatbare, hernieuwbare energiebronnen, in het bijzonder zonne-energietechnologie, te ontwikkelen ;
- energie-efficiëntie te bevorderen.
De partners zullen samenwerken om zodanige voorwaarden te scheppen dat ondernemingen in de energiesector de energienetwerken (elektriciteit, gas en oliepijpleidingen) kunnen uitbreiden en de koppeling ervan kunnen bevorderen.
3. Andere samenwerkingsgebieden
3.1. Landbouw en plattelandsontwikkeling
De samenwerking tussen de partners zal worden geconcentreerd op :
- steun voor het beleid van de partners dat gericht is op diversifiëring van de produktie ;
- vermindering van afhankelijkheid op het gebied van de voedselvoorziening ;
- bevordering van milieuvriendelijke landbouw ;
- het op vrijwillige basis tot elkaar brengen van ondernemingen en beroepsgroeperingen en -organisaties van de partners ;
- steun voor privatisering ;
- technische bijstand en scholing ;
- harmonisatie van fytosanitaire en veterinaire normen ;
- geïntegreerde plattelandsontwikkeling, waaronder verbetering van basisdienstverlening en ontwikkeling van verwante economische activiteiten ;
- samenwerking tussen plattelandsregio's, uitwisseling van ervaringen en kennis inzake plattelandsontwikkeling.
3.2. Ontwikkeling van infrastructuur
a) Vervoer
De partners benadrukken het belang van een efficiënt vervoersysteem in de Europees-Mediterrane ruimte als essentiële voorwaarde voor de ontwikkeling van de handelsstromen.
Hiertoe zullen zij zich houden aan de beginselen inzake internationaal zeerecht, met name de vrije dienstverlening in het internationaal vervoer en vrije toegang tot internationale lading.
Zij zullen een prioritair programma overeenkomen waarin op de volgende gebieden positieve milieu-effecten zijn opgenomen :
- verbetering van de efficiency van de (lucht)haveninfrastructuur ;
- vereenvoudiging van de administratieve procedures in (lucht)havens, met inbegrip van automatisering ;
- harmonisatie van verkeersleidings- en beheerssystemen ;
- verbetering van multimodaal en gecombineerd zee- en luchtvervoer aan weerszijden van de Middellandse Zee ;
- verbetering van de veiligheid van zeevaart en luchtverkeer en efficiënter toezicht op verontreiniging van de zee ;
- ontwikkeling van oost-westverbindingen over land op de zuidelijke en de oostelijke oever van de Middellandse Zee ;
- aansluiting van de netwerken van de Mediterrane partners op de transeuropese netwerken, inclusief de vaststelling van multimodale vervoerscorridors van gemeenschappelijk belang teneinde hun interoperabiliteit te garanderen ;
b) Informatietechnologieën en telecommunicatie
De partners benadrukken het belang van een modern, efficiënt telecommunicatienetwerk, met name voor wat betreft de basisdiensten voor de economische en sociale ontwikkeling. Zij concentreren zich daartoe op :
- ontwikkeling van de infrastructuur, met name op het platteland, ter verbetering van de toegang tot diensten ;
- modernisering van telecommunicatie (wet- en regelgeving, structuur en doorzichtigheid van de tarieven, privatisering enz.) ;
- toegang tot de informatiesnelwegen en de multimedianetwerken ;
- overdracht van technologie, onderzoek en opleiding (afstandsonderwijs, telewerken, midden- en kleinbedrijf, volksgezondheid) ;
- ontwikkeling van datatransmissienetwerken tussen administraties in het kader van de Europees-Mediterrane Economische Ruimte ;
- samenwerking tussen telecommunicatiebedrijven op de bovengenoemde gebieden.
3.3. Plaatselijke gemeenschappen en ruimtelijke ordening
De partners benadrukken hun bereidheid om samen te werken om hun onderlinge afhankelijkheid op dit gebied te onderzoeken. Hiertoe hebben zij het voornemen :
- een strategie vast te stellen voor een ruimtelijke ordening die is afgestemd op de behoeften van de landen van de Europees-Mediterrane Ruimte ;
- grensoverschrijdende samenwerking te stimuleren ;
- samenwerking tussen plaatselijke gemeenschappen te bevorderen.
Voor stedelijke gebieden wordt de nadruk gelegd op het woonmilieu, openbaar vervoer en watervoorziening en sanitaire voorzieningen.
3.4. Onderzoek en ontwikkeling
De partners achten het noodzakelijk onderzoek en ontwikkeling te bevorderen en daartoe een oplossing te vinden voor het steeds verder uiteenlopende niveau van wetenschappelijke prestaties, rekening houdend met het beginsel van wederzijds voordeel.
Daartoe moeten de eigen onderzoekscapaciteiten van de landen uit het Middellandse Zeegebied worden versterkt en moet een bijdrage worden geleverd aan de opleiding van wetenschappelijk en technisch personeel met het oog op een betere integratie van jonge onderzoekers in de regio.
De toepassing van de drie Verdragen van Rio over biodiversiteit, bestrijding van de woestijnvorming en klimaatverandering vormt bij uitstek een terrein voor samenwerking.
Voorts zullen de gekwalificeerde onderzoeksinstellingen en hoger-onderwijsinstellingen uit de landen van Europa en het Middellandse Zeegebied deelnemen aan gezamenlijke onderzoeksprojecten, daarbij met name uitgaande van de totstandbrenging van wetenschappelijke netwerken omtrent duidelijk omschreven thema's.
In dat kader nemen de partners er met voldoening kennis van dat geleidelijk een groot aantal specifieke programma's van het vierde kaderprogramma van de Gemeenschap wordt opengesteld, met name die waarvan de thema's betrekking hebben op milieu en technologie, volksgezondheid en maatschappij, onderzoek naar hernieuwbare energiebronnen, stedelijke ordening, het programma "informatietechnologie", het programma "communicatietechnologie".
Deze terreinen komen bij die waarvoor reeds dezelfde mogelijkheden bestaan in het derde kaderprogramma van de Gemeenschap.
Tenslotte wensen zij dat er een comité voor de follow-up van de Europees- Mediterrane samenwerking inzake onderzoek en ontwikkeling komt teneinde met name verder te gaan met het op 21 en 22 maart te Sophia Antipolis begonnen beraad.
3.5. Statistiek
De partners erkennen het belang van volledige en goed bijgewerkte statistische informatie. Zij bevorderen nauwe samenwerking tussen het Bureau voor de Statistiek van de Europese Gemeenschappen (BSEG), de bureaus voor de statistiek van de Lid-Staten van de Unie en die van de betrokken Mediterrane landen, met name ten behoeve van harmonisatie van methodieken en uitwisseling van gegevens. Een door het BSEG te organiseren conferentie zal de voornaamste behoeften van de nationale statistische systemen van de Mediterrane landen bestuderen, ten einde prioriteiten voor de samenwerking vast te stellen.
4. Middelen van de samenwerking
Met het oog op de uitvoering van het partnerschap en met name ter ondersteuning van de inspanningen die de instelling van een vrijhandelszone met zich meebrengt, benadrukken de partners het belang van een doeltreffende financiële samenwerking die in het kader van een meerjarenprogrammering wordt beheerd, welke toegesneden is op haar doelstellingen en prioriteiten en rekening houdt met de specificiteit van elke partner.
De Gemeenschap is in dit verband van mening dat voor het partnerschap een groot bedrag aan extra financiële bijstand moet worden uitgetrokken voor de periode 1995-1999. Daarbij komen dan nog de steun van de EIB in de vorm van leningen voor een hoger bedrag en de bilateraal door de Lid-Staten toegewezen middelen. Via coördinatie tussen de geldverschaffers en met inachtneming van het subsidiariteitsbeginsel dient gestreefd te worden naar complementariteit en een optimale doeltreffendheid van deze bijstand en naar de algemene uitstraling van de acties van de Europese Unie.
De partners erkennen het belang van een gezond macro-economisch beheer voor het welslagen van hun partnerschap. Zij komen daarom overeen dat de Gemeenschap met elk van de mediterrane partners, met name in het kader van de nieuwe overeenkomsten, een dialoog over het economische beleid dient te voeren.
°
° °
IV. EEN SOCIAAL EN HUMAAN PARTNERSCHAP :
Inleiding
De partners zien erop toe dat de betrokkenheid van diverse maatschappelijke geledingen bij het Europees-Mediterrane partnerschap wordt aangemoedigd. In dit verband ontwikkelen zij vormen van gedecentraliseerde samenwerking die een wisselwerking tussen op ontwikkelingsgebied werkzame partijen stimuleren : politieke en niet-politieke leiders, personen werkzaam op het gebied van cultuur, hoger onderwijs, onderzoek, media, organisaties, vakbonden, overheids- en particuliere ondernemingen. Zij verbinden zich ertoe de deelneming van vrouwen aan deze wisselwerking te bevorderen, gezien de sleutelrol van vrouwen in het ontwikkelingsproces.
De partners erkennen tevens dat er een tegengewicht moet komen tegen de huidige demografische trend, in de vorm van een bevolkingsbeleid dat een economische opleving teweegbrengt. In dit verband zijn de partners van mening dat dit prioriteit moet genieten.
Zij menen dat de ontwikkeling van het menselijk potentieel van wezenlijk belang is, zowel ten aanzien van onderwijs en opleiding van jonge mensen als in de sectoren cultuur en volksgezondheid. Zij beklemtonen het belang, op dit gebied, van het subsidiariteitsbeginsel dat een afspiegeling is van de uiteenlopende verantwoordelijkheden van de Lid-Staten en de Gemeenschap en van de verscheidenheid aan talen.
Zij erkennen de belangrijke rol die de migratie in hun betrekkingen speelt.
Zij achten de samenwerking op het gebied van de democratie en mensenrechten een wezenlijk element van de uitwisseling tussen maatschappelijke geledingen, en menen dat daartoe acties vereist zijn.
De partners bepalen gemeenschappelijke prioriteiten en doelstellingen op het gebied van justitie en binnenlandse zaken, maar erkennen dat een gedifferentieerde aanpak nodig is, die recht doet aan de van land tot land verschillende situaties.
Samenwerking op deze gebieden kan onderhandelingen met het oog op overeenkomsten omvatten.
1. Prioriteiten van de samenwerking
1.1. Onderwijs en opleiding
De partners richten zich met name op :
- een brede uitwisseling van informatie over onderwijs- en opleidingsstelsels en beleid en maatregelen op dit gebied ;
- ontwikkeling van programma's voor beroepsopleiding, met bijzondere nadruk op de particuliere sector ;
- bevordering van samenwerkingsverbanden tussen universiteiten en stimulering van mobiliteit voor onderzoekers en onderwijzend personeel ;
- versterking van de verbindingslijnen tussen onderwijs en bedrijfsleven ;
- ontwikkeling van het onderwijs, waarbij de nadruk wordt gelegd op het onderwijs voor meisjes en alfabetisering van volwassenen ;
- ontwikkeling van programma's voor de opleiding van leidinggevend personeel uit de particuliere en de overheidssector.
1.2. Sociale ontwikkeling
De partners onderkennen het belang van de sociale ontwikkeling, die volgens hen steeds gelijke tred moet houden met de economische ontwikkeling. Zij hechten grote waarde aan de eerbiediging van de sociale grondrechten.
1.3. Migratie
De partners komen overeen intensiever te zullen streven naar vermindering van de migratiedruk. Hiertoe komen zij overeen :
- de voornaamste oorzaken van het ontstaan van migratiestromen vast te stellen, evenals de gebieden van herkomst ;
- steunprogramma's ter bevordering van de werkgelegenheid en beroepsopleidingsprogramma's te stimuleren om de uittocht van arbeidskrachten, vooral van hooggekwalificeerden, tegen te gaan ;
- te streven naar een grotere rol van migranten die legaal in de Unie verblijven, bij de ontwikkeling van hun land van herkomst, met name door middel van geldovermakingen.
Zij verbinden zich ertoe van gedachten te wisselen over de levensomstandigheden van migranten en ontheemden die wettelijk op hun respectieve grondgebied verblijven.
De Unie zal de partners van het Middellandse-Zeegebied vragen hun verplichtingen te honoreren inzake de terugname van hun onderdanen die hun land hebben verlaten.
De partners stellen voor nauwer te gaan samenwerken om de problemen van de illegale immigratie aan te pakken. Dit houdt onder andere in :
- vereenvoudiging van de terugname, met inbegrip van de versnelling van de procedures ter vaststelling van de nationaliteit ;
- samenwerking op het gebied van de grenscontroles ;
- meer uitwisseling van gegevens tussen de bevoegde overheidsdiensten over illegale migranten en de door hen gebruikte routes ;
- benutting van de mogelijkheden die gebruikmaking van de bilaterale gemengde commissies biedt ;
- behandeling van uitgewezen onderdanen overeenkomstig het nationale recht en de verplichtingen van het partnerschap inzake mensenrechten en in overeenstemming met het Verdrag van de Verenigde Naties van 10 december 1984 tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing.
1.4. Drugshandel
De partners zijn het erover eens dat de bestrijding van de drugshandel gecoördineerd moet worden aangepakt. Nauwe samenwerking, zowel op politieel als op douanegebied, is hierbij van groot belang, o.a. wat de volgende maatregelen betreft :
- uitwisseling van informatie over drugshandel ;
- vernietiging van de oogsten ;
- bewustmaking van de douanediensten betreffende de technieken om risicovrachten te onderkennen ;
- gezamenlijke doelmatige en doeltreffende controleacties in de sector zeevervoer in het kader van de relevante internationale overeenkomsten ;
- versterking van het juridisch arsenaal voor de bestrijding van de drugshandel en nakoming van internationale verbintenissen ;
- samenwerking en uitwisseling van gegevens tussen bevoegde diensten bij de strijd tegen :
= misbruik van de chemische precursoren van verdovende middelen ;
= witwassen van geld.
1.5. Terrorisme
De partners erkennen dat het van belang is om samen het terrorisme te voorkomen en te bestrijden. Daartoe dient de samenwerking te worden opgevoerd ten einde deze dreiging doeltreffender aan te pakken. Deze samenwerking zou met name betrekking kunnen hebben op
- intensivering van de informatie-uitwisseling ;
- verbetering van de opleiding van de diensten die het terrorisme moeten voorkomen en bestrijden ;
- bepaling van de verschillende onderdelen van dit verschijnsel (organisatie, financiering enz.).
1.6. Internationale criminaliteit
De partners erkennen dat zij internationale criminaliteit samen effectiever moeten voorkomen en bestrijden naarmate hun partnerschap zich ontwikkelt.
Zij komen overeen om op politieel en douanegebied nauw administratief te gaan samenwerken en de nationale wet- en regelgevende teksten op eenzelfde niveau te brengen, ten einde de diverse vormen van criminaliteit in het Europees-Mediterrane gebied te bestrijden, met inbegrip van de onderstaande terreinen :
- milieubescherming en bestrijding van milieucriminaliteit ;
- bestrijding van de handel in namaakprodukten ;
- behandeling van de diverse vormen van ontvoering van kinderen.
1.7. Justitiële samenwerking
De ontwikkeling van de samenwerking op gerechtelijk gebied is onontbeerlijk voor een doeltreffende bestrijding van de handel in verdovende middelen en de diverse vormen van internationale criminaliteit, in het bijzonder de hierboven genoemde vormen. Daartoe dienen de uitleveringsprocedures en het beleid inzake internationale rogatoire commissies, alsook de uitwisseling van rechterlijke ambtenaren en van gegevens te worden verbeterd.
1.8. Racisme en vreemdelingenhaat
De partners wijzen erop dat het van belang is efficiënter op te treden tegen racistische en xenofobe verschijnselen en denken eraan om in dit verband samen te werken.
1.9. Bestrijding van corruptie
De partners komen overeen om een actieprogramma tegen corruptie uit te werken, zulks vanwege het belang, het actuele karakter en de internationale draagwijdte van dit verschijnsel.
Zij overwegen om de opsporings- en onderzoekmiddelen waardoor corruptie efficiënter kan worden bestreden, te perfectioneren.
2. Andere samenwerkingsgebieden
2.1. Cultuur en de media
De partners zijn het erover eens dat het wederzijds begrip moet worden bevorderd door steun te verlenen aan culturele uitwisseling en meertaligheid, met inachtneming van de identiteit van alle betrokkenen.
Het partnerschap, waarvan de wijze van tenuitvoerlegging tijdens de Conferentie nader moet worden bepaald, richt zich op het cultureel erfgoed en scheppend werk, evenementen op het gebied van cultuur en kunst, coprodukties (toneel en film), verspreiding van boeken, literatuur, beeldende kunst en kunstwerken, vertaling en andere methoden om cultuur te verspreiden.
De partners benadrukken de belangrijke rol van de media bij het bevorderen van het wederzijds begrip tussen verschillende samenlevingen. Zij zullen uitwisseling en samenwerking stimuleren, met name ten aanzien van opleiding, coproduktie en verspreiding.
2.2. Volksgezondheid
De partners erkennen de volgende prioriteiten in hun partnerschap :
- acties op het gebied van bewustmaking, voorlichting en preventie ;
- ontwikkeling van de volksgezondheid : gezondheidszorg, met name de eerste lijnsgezondheidszorg ;
- gezondheid van moeder en kind, gezinsplanning, strijd tegen sexueel overdraagbare aandoeningen, waaronder AIDS.
2.3. Jeugd
De partners achten het van belang contacten en uitwisseling tussen jongeren in het kader van gedecentraliseerde samenwerkingsprogramma's te stimuleren. Hiertoe stellen zij voor :
- activiteiten te ondersteunen ter bevordering van de sociale en professionele integratie van vooral ongeschoolde jongeren, in hun plaatselijke omgeving ;
- de opleiding te bevorderen van begeleiders en maatschappelijk werkers in de sector jeugdzorg ;
- te bevorderen dat jonge werknemers worden opgeleid voor wetenschappelijke, culturele en technische activiteiten ; hierbij dient speciale aandacht besteed te worden aan de rol van vrouwen.
°
° °
V. FOLLOW-UP VAN HET EUROPEES-MEDITERRANE PARTNERSCHAP
Op de Conferentie van Barcelona moet de grondslag gelegd worden van een proces dat zich moet ontwikkelen, en de partners zouden dus moeten overeenkomen dat ten behoeve van de follow-up van de bovenstaande punten de volgende maatregelen worden genomen : thematische ad hoc bijeenkomsten tussen ministers, hoge ambtenaren en deskundigen, uitwisseling van ervaring en informatie, contacten tussen diverse maatschappelijke geledingen en alle overige geschikte middelen. Deze bijeenkomsten kunnen worden georganiseerd met gebruikmaking van de bestaande samenwerkingsstructuren of van een andere, beter aangepaste formule waartoe door de Conferentie wordt besloten.
De Unie zal haar partners het beginsel voorstellen van periodieke vergaderingen op het niveau van de Ministers van Buitenlandse Zaken. Over de periodiciteit van deze vergaderingen zal in onderling overleg tussen de partijen worden besloten.
Deze algemene dialoog, die zo concreet en informeel mogelijk moet zijn, vormt een aanvulling op, maar geen vervanging van, de dialogen die plaatsvinden tussen de Europese Unie en elke Mediterrane Staat of eenheid in het kader van de bilaterale overeenkomsten.
De nadere bepalingen voor de contacten op het niveau van parlementsleden en plaatselijke gemeenschappen kunnen eveneens bestudeerd worden.
VERKLARING
EUROPESE RAAD, CANNES 26/27 JUNI 1995
BETREFT : VIJFTIGSTE VERJAARDAG VAN DE VERENIGDE NATIES
"Heden, op de vijftigste verjaardag van de ondertekening van het Handvest van de Verenigde Naties te San Francisco, wil de Europese Raad :
- op plechtige wijze opnieuw bevestigen dat de Europese Unie hecht aan de doelstellingen en beginselen van het Handvest van de Verenigde Naties, en opnieuw verklaren dat zij zich in dienst stelt van de idealen en het optreden van de Organisatie van de Verenigde Naties ;
- erop wijzen hoezeer de Organisatie van de Verenigde Naties, die in het leven is geroepen als reactie op de tragedie van de Tweede Wereldoorlog, geholpen heeft bij de wederopbouw van Europa en de hulp aan de vluchtelingen als gevolg van het conflict ;
- hulde brengen aan het werk dat de afgelopen vijftig jaar door de Organisatie van de Verenigde Naties is verricht en aan haar belangrijke bijdrage tot de codificering van het internationaal recht, de handhaving van internationale vrede en veiligheid in samenwerking met de regionale organisaties, de ontwapening, de dekolonisatie, de ontwikkeling en de humanitaire hulp, de bescherming en bevordering van de rechten van de mens en de samenwerking tussen de naties op de meest uiteenlopende gebieden ;
- zeer nadrukkelijk de noodzaak onderstrepen om in een wereld die politiek, economisch, cultureel en sociaal gezien steeds ingewikkelder wordt, een forum te behouden en te ontwikkelen waar universele verbintenissen worden aangegaan en waar gecoördineerde acties worden ondernomen in samenwerking met de regionale organisaties ;
- erop wijzen dat het succes en de goede werking van de Organisatie van de Verenigde Naties in eerste instantie afhangen van de politieke steun van de aangesloten landen en van de middelen die zij ter beschikking stellen, met name doordat zij hun financiële bijdragen volledig, stipt en onvoorwaardelijk betalen ;
- de Organisatie van de Verenigde Naties en de aangesloten landen aansporen om het huidige hervormingsprogramma voort te zetten en te intensiveren, ten einde de tekortkomingen op bepaalde gebieden te verhelpen en voorbereid te zijn op de uitdagingen van de volgende eeuw ;
- in dit verband de wens uitspreken dat er vooruitgang wordt geboekt bij een betere aanpassing van de structuren en de instellingen van de VN, onder meer van de Veiligheidsraad ;
- zijn steun verlenen aan de inspanningen van de Secretaris-Generaal om de mogelijkheden van de Organisatie op het gebied van preventieve diplomatie uit te breiden en de taken en middelen van de VN op het gebied van de vredeshandhaving aan te passen, waar de Organisatie een onvervangbare rol speelt omdat alleen zij kan besluiten tot het gebruik van geweld in de internationale betrekkingen ;
- er ook zijn verbondenheid mee betuigen dat de VN opnieuw een globaal en duurzaam ontwikkelingsbeleid op gang brengt waarin de mens centraal staat, de verworvenheden van de door de VN georganiseerde grote conferenties worden verwerkt en de nadruk valt op de hulp aan de armste landen, in nauw overleg met de bilaterale donoren en de andere multilaterale organisaties ;
- de Secretaris-Generaal verzoeken zijn inspanningen voor een doeltreffender werking van de Organisatie en een beter beheer van personeel en financiële middelen nog op te voeren ;
- opnieuw bevestigen dat de Europese Unie, die verreweg de belangrijkste financiële contribuant, de belangrijkste leverancier van troepen voor de vredeshandhavingsoperaties en de belangrijkste donor van multilaterale ontwikkelingshulp en humanitaire hulp is, van haar kant de Organisatie van de Verenigde Naties zal blijven ondersteunen.
BOODSCHAP VAN DE EUROPESE RAAD AAN DE 31e OAE-TOP
De Europese Raad zendt de Organisatie voor Afrikaanse Eenheid, die van 26 tot en met 28 juni voor een Top te Addis Abeba bijeen is, een boodschap van vriendschap en steun voor de inspanningen die zij levert ten behoeve van de vrede en de ontwikkeling in Afrika. Hij spreekt zijn voldoening uit over de samenwerking die sedert de Europese Raad van Essen in december 1994 tussen de Europese Unie en de Organisatie voor Afrikaanse Eenheid tot stand is gebracht en hij bevestigt zijn vertrouwen in het vermogen van de OAE om haar rol te spelen voor de toekomst van het Afrikaanse continent.
VERKLARING VAN DE EUROPESE UNIE
OVER BOEROENDI
DE EUROPESE RAAD IS ZEER VERONTRUST OVER DE VOORTDURENDE VERSLECHTERING VAN DE TOESTAND IN BOEROENDI. HIJ BETUIGT ZIJN VOLLEDIGE STEUN AAN DE INSPANNINGEN VAN DE BOEROENDISCHE AUTORITEITEN OM TOT NATIONALE VERZOENING TE KOMEN EN DE ORDE TE HERSTELLEN, MITS DE MENSENRECHTEN DAARBIJ STRIKT WORDEN GEËERBIEDIGD. HIJ VEROORDEELT ALLE GEWELDDADEN EN DE DESTABILISERENDE BEDOELINGEN VAN DE EXTREMISTEN VAN ALLERLEI SLAG. HIJ BEVESTIGT DAT DE EUROPESE UNIE BEREID IS BOEROENDI RESOLUUT TE BLIJVEN HELPEN IN DE PERIODE VAN BEPROEVING DIE HET MOMENTEEL DOORMAAKT.
DE EUROPESE RAAD WENST DAT ZO SPOEDIG MOGELIJK, ONDER AUSPICIËN VAN DE VERENIGDE NATIES EN DE OAE, EEN CONFERENTIE OVER VREDE, VEILIGHEID EN STABILITEIT IN HET GEBIED VAN DE GROTE MEREN WORDT BIJEENGEROEPEN.
Financiële samenwerking met de LMOE's en de landen van het Middellandse -Zeegebied (MDL)
De Europese Raad is akkoord gegaan met onderstaande tabel en houdt zich daarbij aan het beleid dat is uitgezet in punt 6 van het werkdocument dat tijdens de zitting van de Raad van 22 juni 1995 is verspreid. (*)
|
LMOE's |
MDL |
|
|
1995 |
1.154 |
550 |
|
1996 |
1.235 |
900 |
|
1997 |
1.273 |
1.000 |
|
1998 |
1.397 |
1.092 |
|
1999 |
1.634 |
1.143 |
|
TOTAAL |
6.693 |
4.685 |
8e EOF (Miljoen ecu)
|
België |
503 |
|
Denemarken |
275 |
|
Duitsland |
3.000 |
|
Griekenland |
160 |
|
Spanje |
750 |
|
Frankrijk |
3.120 |
|
Ierland |
80 |
|
Italië |
1.610 |
|
Luxemburg |
37 |
|
Nederland |
670 |
|
Portugal |
125 |
|
Verenigd Koninkrijk |
1.630 |
|
Oostenrijk |
340 |
|
Finland |
190 |
|
Zweden |
350 |
|
|
|
|
Niet toegewezen middelen van voorgaande EOF's |
150 |
|
Niet benutbare middelen van het 7e EOF |
142 |
|
Vergroting van de humanitaire steun voor de ACS-landen uit de begroting |
160 |
|
Omzetting van de speciale leningen in schenkingen |
15 |
|
Totaalbedrag |
13.307 |
P.M. : Het aandeel van de LGO is vastgesteld op 1,28 % van het 8e EOF.
De leningen uit de eigen middelen van de EIB komen bovenop het bedrag van het EOF.