CONCLUSIES VAN HET VOORZITTERSCHAP
EUROPESE RAAD VAN NICE
7, 8 EN 9 DECEMBER 2000
1. De Europese Raad is op 7, 8 en 9 december bijeengekomen in Nice. De werkzaamheden zijn begonnen met een gedachtewisseling met de voorzitter van het Europees Parlement, mevrouw Nicole Fontaine, over de voornaamste ter tafel liggende onderwerpen.
I. HANDVEST VAN DE GRONDRECHTEN
2. De Europese Raad verheugt zich over de gezamenlijke afkondiging door de Raad, het Europees Parlement en de Commissie van het handvest van de grondrechten, waarin de burgerlijke, de politieke, de economische, de sociale en de maatschappelijke rechten, die tot nu toe in diverse internationale, Europese of nationale bronnen waren neergelegd, in één tekst zijn samengebracht. De Europese Raad wenst dat het handvest op zo breed mogelijke schaal onder de burgers van de Unie wordt verspreid. Overeenkomstig de conclusies van Keulen zal later op het vraagstuk van de reikwijdte van het handvest worden ingegaan.
II. INTERGOUVERNEMENTELE CONFERENTIE
3. De Intergouvernementele Conferentie, op het niveau van de Staatshoofden en Regeringsleiders bijeen, heeft overeenstemming bereikt over het ontwerp-verdrag van Nice op basis van de teksten in document sn 533/1/00 REV 1. Na de noodzakelijke afrondende juridische bijwerking en harmonisatie zal het verdrag begin 2001 in Nice worden ondertekend.
4. Dit nieuwe verdrag verhoogt de legitimiteit, de doeltreffendheid en de publieke acceptatiegraad van de instellingen en het biedt de Unie de gelegenheid andermaal tot uiting te brengen hoe sterk haar gehechtheid aan het uitbreidingsproces is. De Europese Raad is van mening dat de Unie vanaf de datum van inwerkingtreding van het Verdrag van Nice nieuwe lidstaten zal kunnen opnemen zodra die hebben getoond dat zij in staat zijn de verplichtingen van de toetreding op zich te nemen en de onderhandelingen tot een goed einde zijn gebracht.
Werking van de instellingen
5. De Europese Raad beklemtoont dat het van belang is uitvoering te geven aan de operationele aanbevelingen die de Europese Raad van Helsinki heeft aangenomen betreffende de werking van de Raad, en hij neemt nota van het verslag over de nieuwe medebeslissingsprocedure. Hij herinnert aan zijn toezegging om de administratieve hervorming van de Commissie te steunen. Hij heeft met voldoening nota genomen van de maatregelen die de Raad en de Commissie hebben vastgesteld om de doeltreffendheid van het externe optreden van de Unie te verbeteren.
III. UITBREIDING
6. De Europese Raad verklaart andermaal dat het proces van uitbreiding van de Unie van historisch belang is, en dat hij het welslagen ervan als een politieke prioriteit beschouwt. Hij verheugt zich over de intensivering van de toetredingsonderhandelingen met de kandidaat-lidstaten, waardoor er vooral in de jongste maanden zeer aanzienlijke vorderingen konden worden gemaakt.
7. De Europese Raad is van mening dat het nu tijd is om dit proces een nieuwe impuls te geven. Hij onderschrijft de conclusies van de Raad Algemene Zaken van 4 december 2000 inzake de door de Commissie voorgestelde strategie. Hij neemt er met voldoening nota van dat het differentiatiebeginsel, gebaseerd op de eigen merites van elke kandidaat-lidstaat, alsook de inhaalmogelijkheid in de conclusies van de Raad zijn bevestigd. Het routeschema voor de komende 18 maanden zal de verdere onderhandelingen vergemakkelijken, ervan uitgaande dat de best voorbereide landen de mogelijkheid behouden om sneller te vorderen.
8. De Europese Raad is van mening dat deze strategie, in combinatie met de afronding van de Intergouvernementele Conferentie over de hervorming van de instellingen, de Unie in staat zal stellen om, overeenkomstig het door de Europese Raad van Helsinki gestelde doel, vanaf eind 2002 de nieuwe lidstaten op te nemen die gereed zijn, in de hoop dat zij aan de eerstvolgende verkiezingen voor het Europees Parlement kunnen deelnemen. De Europese Raad zal in juni 2001 in Göteborg de vorderingen beoordelen die met de toepassing van deze nieuwe strategie zijn gemaakt, teneinde de nodige richtsnoeren te geven om dit proces tot een goed einde te brengen.
9. De Europese Raad waardeert de inspanningen die de kandidaat-lidstaten zich getroosten om de voorwaarden te scheppen om het acquis over te nemen, uit te voeren en daadwerkelijk toe te passen. De kandidaat-lidstaten worden verzocht de nodige hervormingen ter voorbereiding van hun toetreding voort te zetten en te versnellen, vooral wat betreft de versterking van hun bestuurlijke capaciteit, teneinde zo snel mogelijk tot de Unie te kunnen toetreden. De Europese Raad verzoekt de Commissie een programma voor de grensregio's voor te stellen teneinde hun economisch concurrentievermogen te versterken.
10. De Europese Raad neemt nota van het verslag van de Raad over de wisselkoersstrategieën van de kandidaat-lidstaten, waarin de wisselkoersstrategie wordt omschreven die verenigbaar is met toetreding tot de Unie, vervolgens deelneming aan het wisselkoersmechanisme en tenslotte invoering van de euro. Hij juicht de organisatie van een economische en financiële dialoog met de kandidaat-lidstaten toe.
11. De Europese Raad begroet met instemming de vorderingen die zijn gemaakt met de uitvoering van de pretoetredingsstrategie voor Turkije, en verheugt zich over het akkoord betreffende de kaderverordening en het partnerschap voor de toetreding dat in de Raad van 4 december 2000 is bereikt. Hij beklemtoont het belang van dit document voor het aanhalen van de banden tussen de Unie en Turkije waartoe een opening is gecreëerd met de conclusies van de Europese Raad van Helsinki. Turkije wordt verzocht snel zijn nationaal programma voor de overname van het acquis voor te leggen, en in dat programma uit te gaan van het partnerschap voor de toetreding.
12. Tijdens de bijeenkomst van de Europese Conferentie op het niveau van de staatshoofden en regeringsleiders op 7 december is diepgaand van gedachten gewisseld over de hervorming van de instellingen en de werking van de Europese Unie op de langere termijn. De Europese Raad is van oordeel dat de Europese Conferentie een bruikbaar kader vormt voor de dialoog tussen de lidstaten van de Unie en de landen die willen toetreden. Hij heeft voorgesteld om de landen die deelnemen aan het stabilisatie- en associatieproces, alsmede de EVA-landen, als gegadigden voor het lidmaatschap uit te nodigen.
IV. GEMEENSCHAPPELIJK EUROPEES VEILIGHEIDS- EN DEFENSIEBELEID
13. De Europese Raad heeft zijn goedkeuring gehecht aan het verslag van het voorzitterschap, en de bijlagen daarbij, over het Europees veiligheids- en defensiebeleid (zie bijlage).
14. De Europese Raad verzoekt het komend voorzitterschap samen met de secretaris-generaal/hoge vertegenwoordiger het werk binnen de Raad Algemene Zaken overeenkomstig de in het verslag van het voorzitterschap genoemde mandaten voort te zetten. Het doel is de Europese Unie op dit gebied snel operationeel te maken. Het besluit daartoe zal zo vroeg mogelijk in 2001, en uiterlijk tijdens de Europese Raad van Laken, door de Europese Raad worden genomen. Het Zweedse voorzitterschap wordt verzocht om over al deze onderwerpen verslag uit te brengen aan de Europese Raad van Göteborg.
V. EEN NIEUWE IMPULS VOOR EEN ECONOMISCH EN SOCIAAL EUROPA
A. Een sociaal Europa
De Europese sociale agenda
15. De Europese Raad hecht zijn goedkeuring aan de Europese sociale agenda (zie bijlage), waarin, overeenkomstig de conclusies van de Europese Raad van Lissabon en op basis van de mededeling van de Commissie, concrete prioritaire maatregelen voor de komende vijf jaar worden bepaald rond zes strategische beleidslijnen op alle gebieden van de sociale politiek. Deze agenda vormt een belangrijke etappe voor de versterking en de modernisering van het Europees sociaal model, dat wordt gekenmerkt door het onlosmakelijk verband tussen economische prestaties en sociale vooruitgang.
16. Op basis van de verslagen van de Commissie en de Raad en van een geregeld bijgewerkt scorebord zal de Europese Raad elk jaar tijdens zijn voorjaarsbijeenkomst, en voor het eerst tijdens zijn bijeenkomst in Stockholm in maart 2001, de uitvoering van deze agenda bezien. De Europese Raad verzoekt met name de sociale partners ten volle bij te dragen aan de uitvoering en de voortgangsbewaking van de agenda, in het bijzonder in het kader van een jaarlijkse ontmoeting voorafgaand aan de voorjaarsbijeenkomst van de Europese Raad.
Europese werkgelegenheidsstrategie
17. De economische groei in de Europese Unie is de afgelopen tien jaar nooit hoger geweest dan nu: dit jaar bedraagt hij naar verwachting 3,5%. De werkloosheid is voor het derde achtereenvolgende jaar sedert 1997 gedaald, en medio 2000 beliep het werkloosheidspercentage 8,7%, terwijl voor 2001 minder dan 8% wordt verwacht. In dezelfde periode is de arbeidsparticipatie gestegen van 60,7 tot 62,1%.
18. De Europese Raad neemt nota van het voorstel van de Commissie betreffende de richtsnoeren voor het werkgelegenheidsbeleid voor 2001, waarmee de aanpak voor de middellange termijn die door de Europese Raad van Luxemburg is ingezet, wordt bevestigd. Deze richtsnoeren brengen verbeteringen aan, met name inzake verhoging van de gekwantificeerde doelstellingen, rekening houdend met de kwalitatieve aspecten die specifiek zijn voor de verschillende landen. Zij moeten de mogelijkheid bieden om rekening te houden met de kwaliteit van werk, versterking van de ontwikkeling van ondernemerschap en de horizontale doelstelling van levenslang leren.
19. Hij onderschrijft het akkoord dat in de Raad is bereikt over deze richtsnoeren, over de individuele aanbevelingen aan de lidstaten en over het gezamenlijk verslag. Hij verheugt zich over de constructieve medewerking van het Europees Parlement en de sociale partners en over de geïntegreerde aanpak die bij de behandeling van dit dossier is gevolgd, waarin ook de economische en onderwijsaspecten in aanmerking zijn genomen.
Europese strategie tegen sociale uitsluiting en alle vormen van discriminatie
20. De Europese Raad hecht zijn goedkeuring aan de door de Raad aangenomen doelstellingen voor de bestrijding van armoede en sociale uitsluiting. Hij verzoekt de lidstaten hun prioriteiten te bepalen in het kader van deze doelstellingen, vóór juni 2001 een nationaal actieplan voor te leggen voor een periode van twee jaar en indicatoren en follow-upmethoden te bepalen waarmee kan worden geëvalueerd hoeveel vooruitgang er is geboekt.
21. De Europese Raad benadrukt het belang van de recentelijk aangenomen teksten die gericht zijn op de bestrijding van iedere vorm van discriminatie overeenkomstig artikel 13 van het Verdrag.
Modernisering van de sociale bescherming
22. De Europese Raad neemt nota van de voortgangsverslagen van de Groep op hoog niveau sociale bescherming over de toekomstige ontwikkeling van de sociale bescherming op het gebied van pensioenen, en van het Comité voor economische politiek over de financiële gevolgen van de vergrijzing van de bevolking.
23. De Europese Raad hecht zijn goedkeuring aan de door de Raad gevolgde benadering, die erin bestaat het vraagstuk van de houdbaarheid en de kwaliteit van de pensioenstelsels als geheel te beoordelen. De Europese Raad verzoekt de lidstaten om in samenwerking met de Commissie hun ervaringen uit te wisselen en hun strategieën op dit gebied toe te lichten. De resultaten van deze eerste alomvattende studie naar de levensvatbaarheid op lange termijn van de pensioenen zouden voor de Europese Raad van Stockholm beschikbaar moeten zijn.
Rol van de werknemers
24. De Europese Raad is ingenomen met het akkoord dat is bereikt over de sociale aspecten van de Europese vennootschap. Dit akkoord, waarin rekening wordt gehouden met de uiteenlopende situaties in de lidstaten op het gebied van sociale betrekkingen, biedt de lidstaten de mogelijkheid om de referentievoorschriften over medezeggenschap die van toepassing zijn op de Europese vennootschappen die via fusie worden opgericht, al dan niet om te zetten in nationaal recht. Een Europese vennootschap kan in een lidstaat die deze referentievoorschriften niet heeft omgezet, alleen worden ingeschreven indien een overeenkomst is gesloten over de voorwaarden inzake de rol van de werknemers, met inbegrip van medezeggenschap, of indien geen van de deelnemende vennootschappen vóór de inschrijving van de Europese vennootschap onderworpen is geweest aan medezeggenschapsvoorschriften. Op basis hiervan verzoekt de Europese Raad de Raad om nog dit jaar de laatste hand te leggen aan de teksten op grond waarvan het statuut van de Europese vennootschap kan worden vastgesteld.
25. De Europese Raad neemt nota van de aanmerkelijke vooruitgang in de onderhandelingen over de ontwerp-richtlijn inzake de informatie en de raadpleging van de werknemers en verzoekt de Raad de bespreking van deze richtlijn voort te zetten.
B. Het Europa van innovatie en kennis
Mobiliteit van studenten en docenten
26. De Europese Raad hecht zijn goedkeuring aan de door de Raad aangenomen resolutie houdende een actieplan voor de mobiliteit (zie bijlage). De Europese Raad verzoekt de lidstaten hun interne coördinatie te versterken met het oog op de uitvoering van de 42 concrete administratieve, regelgevende, financiële of sociale maatregelen die erop gericht zijn de mobiliteit in Europa te definiëren, te verhogen en te democratiseren, en passende vormen van financiering aan te moedigen. Om de twee jaar zal een evaluatie worden gemaakt van de geboekte vooruitgang.
Actieplan "e-Europa"
27. De Europese Raad neemt akte van de voortgangsverslagen van de Commissie en de Raad over de uitvoering van het actieplan "e-Europa", die de gemaakte vorderingen weergeven. De Europese Raad zal tijdens zijn bijeenkomst in Stockholm een bespreking wijden aan een eerste verslag over de bijdrage van dit plan aan de ontwikkeling van een kennismaatschappij, evenals aan de prioriteiten die voor de verdere uitvoering ervan moeten worden gesteld. Voorts zal in het licht van de bijeenkomst van de ministers van ambtenarenzaken die in Straatsburg heeft plaatsgehad, onderzocht worden welke bijdrage dit plan levert aan de modernisering van de overheidsdiensten in de lidstaten.
Onderzoek en innovatie
28. De Europese Raad stelt vast dat er vooruitgang is geboekt bij de totstandbrenging van "de Europese ruimte van onderzoek en innovatie". Hij wenst dat wordt voortgebouwd op de initiatieven die zijn genomen om onderzoeksresultaten doorzichtiger en wetenschappelijke carrières aantrekkelijker te maken. Hij neemt nota van de conclusies van de Raad over de communautaire financiële instrumenten, bestemd voor het midden- en kleinbedrijf, en van de eerste resultaten van het initiatief "Innovatie 2000" van de EIB.
29. De Europese Raad verzoekt de Commissie de Europese Raad van Stockholm een eerste verslag voor te leggen over de vorderingen die zijn gemaakt bij de verwezenlijking van de Europese ruimte van onderzoek en ontwikkeling.
30. De Europese Raad neemt akte van het door de Commissie ingediende verslag over het GALILEO-project. Voor de valideringsfase zal de financiering berusten op kredieten van de Gemeenschap en van het Europees ruimteagentschap. De verwezenlijking van het project en het verdere beheer ervan moeten stoelen op het partnerschap tussen publieke en private sector. De Europese Raad bevestigt de conclusies van zijn bijeenkomst in Keulen over de rol die is weggelegd voor de particuliere financiering. De Europese Raad spoort de Raad aan om de nadere details van het GALILEO-project te bepalen tijdens diens zitting van 20 december 2000, mede geleid door het streven om een goed financieel beheer, alsook een evenwichtige deelname van alle lidstaten te waarborgen.
C. Coördinatie van het economisch beleid
Structurele indicatoren
31. De Europese Raad verwelkomt de lijst van voor de verschillende lidstaten passende structurele indicatoren die is opgesteld op basis van de werkzaamheden van de Commissie en de Raad. Die indicatoren, die ook een beeld geven van de geboekte vooruitgang, zullen worden gebruikt voor de opstelling van het samenvattend verslag. Vóór de Europese Raad van Stockholm zal de Raad daar een beperkt aantal indicatoren uit kiezen.
Regulering van de financiële markten
32. De Europese Raad sluit zich in grote lijnen aan bij de eerste vaststellingen in het tussentijds verslag van het door de heer Lamfalussy voorgezeten Comité over de regulering van de Europese effectenmarkten en het derde verslag van de Commissie over het actieplan voor financiële diensten. De Europese Raad verzoekt de Raad en de Commissie om hem hierover in maart 2001 in Stockholm verslag uit te brengen, uitgaande van het eindverslag van het Comité.
Euro
33. De Europese Raad is ingenomen met de verbeteringen die zijn aangebracht in de werking van de Eurogroep en in de zichtbaarheid ervan. De Europese Raad staat ook positief tegenover het voornemen om het scala van in dit forum behandelde vraagstukken, die met name structureel van aard zijn, uit te breiden met inachtneming van de conclusies van de Europese Raad van Luxemburg. Deze verbeteringen, waarmee wordt beoogd de coördinatie van het economisch beleid te versterken, zullen bijdragen aan een hoger groeipotentieel van de eurozone.
34. De Europese Raad neemt nota van de vorderingen die zijn gemaakt bij de voorbereiding van de invoering van eurobiljetten en -munten. Dankzij het scorebord van de Commissie, dat regelmatig in de Eurogroep wordt gepresenteerd, kan worden gevolgd hoe ver de verschillende landen zijn gevorderd. De Europese Raad wenst dat de voorbereidende werkzaamheden worden bespoedigd en stelt voor dat aan de hand van een aantal gemeenschappelijke data het tempo wordt bepaald van de voorlichting hierover in de eurozone in 2001: de week van 9 mei in het kader van de Europa-dagen; presentatie van de euromunten en -biljetten in september; ter beschikking stellen van munten aan particulieren, medio december, in de lidstaten die hiervoor hebben gekozen; invoering van de eurobiljetten en -munten op 31 december om middernacht. In 2001 dient zo spoedig mogelijk een doeltreffend systeem te worden aangenomen voor de bescherming van de euro tegen valsemunterij.
Belastingpakket
35. De Europese Raad spreekt zijn voldoening uit over het akkoord dat over het "belastingpakket" is bereikt volgens het tijdschema en onder de voorwaarden die door de Europese Raad van Feira zijn vastgesteld, in het bijzonder over de essentiële inhoud van de richtlijn belasting op rente van spaargelden. Hij verzoekt de Commissie en het voorzitterschap om zo spoedig mogelijk met de Verenigde Staten en andere derde landen onderhandelingen te beginnen om de aanneming van gelijkwaardige maatregelen inzake de belasting van inkomsten uit spaargelden te bevorderen. De betrokken lidstaten hebben toegezegd dat zij het nodige zullen doen opdat in alle in de conclusies van Feira genoemde afhankelijke en geassocieerde gebieden dezelfde maatregelen worden aangenomen als in de EU. De werkzaamheden over de Gedragscode (belastingregeling voor ondernemingen) moeten parallel hiermee worden voortgezet, zodat de Gedragscode en de richtlijn belasting op rente van spaargelden tegelijkertijd kunnen worden aangenomen. Het voorzitterschap en de Commissie zullen de Europese Raad tijdens de bijeenkomst in Göteborg verslag uitbrengen over alle aspecten van het belastingpakket.
D. Voorbereiding van de voorjaarsbijeenkomst van de Europese Raad
36. De Europese Raad zal zijn eerste periodieke voorjaarsbijeenkomst, speciaal gewijd aan de bespreking van economische en sociale vraagstukken, op 23 en 24 maart 2001 in Stockholm houden en daarbij uitgaan van het samenvattend verslag van de Commissie en de desbetreffende verslagen van de Raad, onder meer in het licht van de demografische uitdagingen waarvoor de Unie zich geplaatst ziet. Op deze bijeenkomst zal de stand van zaken kunnen worden opgemaakt van de uitvoering van de integrale strategie waartoe in Lissabon is besloten. Deze eerste bijeenkomst heeft een bijzonder belang voor het vervolg van het proces en de Europese Raad spoort alle betrokken partijen aan de voorbereiding ervan actief voort te zetten, rekening houdend met de eerste werkzaamheden die door het huidige voorzitterschap in gang zijn gezet.
VI. HET EUROPA VAN DE BURGERS
37. De Europese Raad verklaart dat snel en volledig uitvoering moet worden gegeven aan de beginselen die zijn neergelegd in het Verdrag van Amsterdam, dat voorziet in een hoog niveau van bescherming van de menselijke gezondheid bij de bepaling en de uitvoering van elk beleid en elk optreden van de Gemeenschap. In dit verband neemt de Europese Raad kennis van de resolutie van de Raad inzake het voorzorgsbeginsel (zie bijlage).
38. De Europese Raad neemt kennis van de indiening door de Commissie van een verordeningsvoorstel dat erop gericht is de algemene beginselen en de basisvereisten van de levensmiddelenwetgeving vast te stellen, en een "Europese Voedselautoriteit" op te richten. Het voedselveiligheidsbeleid moet op de volledige voedselketen, van mens en dier, betrekking hebben. De nieuwe Europese Voedselautoriteit moet het hoogste wetenschappelijk gehalte en de hoogste graad van onafhankelijkheid en transparantie hebben en aldus bijdragen aan de crisispreventie. De Europese Raad verzoekt de Raad en het Parlement de werkzaamheden te bespoedigen opdat deze Europese Voedselautoriteit begin 2002 operationeel kan zijn.
B. BSE
39. De Europese Raad heeft kennis genomen van de maatregelen waartoe de Raad heeft besloten op het gebied van de strijd tegen BSE: uitvoering van testprogramma's, opschorting van het gebruik van diermeel in voeders voor landbouwhuisdieren en onttrekking aan de voedselketen van gespecificeerd risicomateriaal, waarvan de lijst indien nodig kan worden aangevuld. Deze maatregelen moeten stuk voor stuk spoedig en rigoureus worden uitgevoerd, teneinde de consument duurzame garanties te bieden inzake de veiligheid van het rundvlees. Er moeten meer inspanningen worden geleverd op het gebied van menselijke geneeskunde en diergeneeskundig onderzoek om de preventie, de diagnose en de behandeling van deze ziekte te verzekeren.
40. De Europese Raad heeft nota genomen van het voornemen van de Commissie om maatregelen voor te stellen ter verbetering van de situatie van de rundvleesmarkt, de situatie van de veefokkers te onderzoeken en haar analyse over vraag en aanbod van olie- en eiwithoudende gewassen uit te diepen, geheel binnen de financiële vooruitzichten.
C. Veiligheid op zee
41. De Europese Raad verzoekt het Europees Parlement en de Raad zo spoedig mogelijk bepalingen aan te nemen inzake havenstaatcontrole en classificatiebureaus door met name te voorzien in een systeem van versterkte controles op de schepen die de meeste risico's inhouden, alsook bepalingen betreffende het versneld uit de vaart nemen van enkelwandige olietankschepen, waarbij zoveel mogelijk moet worden gestreefd naar een overeenkomst in de Internationale Maritieme Organisatie.
42. De Europese Raad neemt nota van de nieuwe voorstellen van de Commissie om de veiligheid op zee te vergroten; deze voorstellen zijn erop gericht het Europees signalerings- en informatiesysteem over het zeeverkeer te verbeteren, een Europees agentschap voor veiligheid op zee op te richten en de lacunes in het bestaande internationale systeem op het gebied van aansprakelijkheid en schadeloosstelling aan te vullen.
43. Deze voorstellen vormen een wezenlijke bijdrage aan de strategie van de Unie voor de veiligheid op zee waartoe de Europese Raad had opgeroepen. De Europese Raad verzoekt de lidstaten om de maatregelen waarover met 15 landen overeenstemming is bereikt, vervroegd uit te voeren voor zover er geen internationale kaderregeling voor vereist is.
D. Milieu
Klimaatverandering
44. De Europese Raad betreurt het dat geen akkoord kon worden bereikt op de conferentie van Den Haag. Hij onderstreept dat alle partijen van bijlage B van het Protocol onmiddellijk maatregelen moeten nemen om hun verbintenissen na te komen, en bevestigt de toezegging van de Unie om zich resoluut in te zetten voor de bekrachtiging van het Protocol van Kyoto, teneinde de inwerkingtreding ervan ten laatste in 2002 mogelijk te maken. Tijdens de onderhandelingen is vooruitgang geboekt op alle besproken punten en in het bijzonder wat betreft de ontwikkelingslanden; deze vooruitgang moet bij de verdere onderhandelingen met alle partijen, waaronder ook de ontwikkelingslanden, worden benut. De Europese Raad steunt het voorstel om vóór het eind van het jaar informele besprekingen te houden in Oslo. De 6e Conferentie van de Partijen moet haar werkzaamheden onverwijld hervatten. De Europese Raad roept alle partijen op om alles in het werk te stellen om zo snel mogelijk een akkoord te bereiken.
Milieu en duurzame ontwikkeling
45. De Europese Raad heeft met belangstelling kennis genomen van het verslag van de Raad over de integratie van milieuaspecten in het economisch beleid. Hij neemt nota van de aanbeveling om voorrang te geven aan stimulerende maatregelen, met name op fiscaal gebied. De verslagen over deze integratie vormen een belangrijke bijdrage aan de opstelling van de Europese strategie inzake duurzame ontwikkeling die door de Europese Raad van Göteborg zal moeten worden besproken.
46. De Europese Raad neemt met belangstelling kennis van de verrichte werkzaamheden op het gebied van internationaal milieubeheer en van de mogelijke oplossingen voor de huidige zwakke punten, zowel op korte als op lange termijn, de eventuele oprichting van een wereld-milieuorganisatie daaronder begrepen. De Europese Raad verzoekt de Raad zijn beraad op dit gebied voort te zetten en hem op de bijeenkomst van Göteborg in juni 2001, mede in het vooruitzicht van Rio+10, gedetailleerde voorstellen voor te leggen.
E. Diensten van algemeen belang
47. De Europese Raad heeft nota genomen van de mededeling van de Commissie over de diensten van algemeen belang en keurt de verklaring van de Raad hierover goed (zie bijlage). De Europese Raad verzoekt de Raad en de Commissie de werkzaamheden voort te zetten uitgaande van deze beleidslijnen en van de bepalingen van artikel 16 van het Verdrag. De Europese Raad neemt kennis van het voornemen van de Commissie om, in nauwe samenwerking met de lidstaten, te bezien hoe bij de toepassing van het mededingingsrecht inzake diensten van algemeen belang een grotere voorspelbaarheid en rechtszekerheid kunnen worden gewaarborgd. De Raad en de Commissie zullen voor de Europese Raad van december 2001 verslag uitbrengen over de implementatie van deze beleidslijnen.
F. Zekerheid van de voorziening van de Unie met bepaalde producten
48. De Europese Raad verzoekt de Commissie om, in samenwerking met het secretariaat-generaal van de Raad, een grondige studie te verrichten naar de zekerheid van de voorziening in de Unie en vast te stellen hoe de samenwerking op dit gebied kan worden ontwikkeld.
G. Ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid
Bestrijding van het witwassen van geld
49. De Europese Unie moet ten volle deelnemen aan de internationale bestrijding van het witwassen van geld. Er is een akkoord bereikt over zeer belangrijke teksten, met name de richtlijn en het kaderbesluit inzake het witwassen van geld. De Europese Raad verzoekt de Commissie en de Raad zo spoedig mogelijk uitvoering te geven aan de richtsnoeren die op 17 oktober 2000 door de ministers van Financiën, Binnenlandse Zaken en Justitie zijn vastgesteld en met name aan die welke erop gericht zijn vanaf juni 2001 maatregelen te nemen tegen de door de FATF aangewezen niet-coöperatieve gebieden.
Justitiële en politiële samenwerking
50. De Raad wordt verzocht spoedig de maatregelen te nemen die in de programma's inzake wederzijdse erkenning van rechterlijke beslissingen worden bepleit, teneinde het verkeer van rechterlijke beslissingen in de Unie te vergemakkelijken.
51. De Europese Raad memoreert dat de operationele samenwerking tussen de voor de bewaking van de buitengrenzen van de Unie bevoegde diensten van de lidstaten, en in het bijzonder van de zeegrenzen, moet worden bevorderd, teneinde met name de illegale immigratie beter te beheersen. Hij heeft in dit verband met belangstelling kennis genomen van het schrijven van de eerste ministers van Spanje en Italië. Hij verzoekt de Raad initiatieven op dit gebied te nemen en, in voorkomend geval, de kandidaat-lidstaten daarbij te betrekken.
Asiel en immigratie
52. De Europese Raad neemt kennis van de vooruitgang die inzake alle aspecten van het in Tampere uitgestippelde beleid is geboekt: partnerschap met de landen van herkomst, integratie van onderdanen van derde landen en beheersing van de migratiestromen. Hij vraagt om de laatste moeilijkheden in verband met de teksten voor de bestrijding van mensensmokkel en illegale immigratie overeenkomstig het uitdrukkelijk verzoek dat daartoe in Feira is gedaan, zo spoedig mogelijk op te lossen. De Europese Raad neemt tevens kennis van de toezending door de Commissie van twee mededelingen inzake het immigratiebeleid en een gemeenschappelijke asielprocedure en verzoekt de Raad spoedig een aanvang te maken met de bespreking van deze onderwerpen.
H. Het Europa van de cultuur
Cultuur en de audiovisuele sector
53. Het verheugt de Europese Raad dat de Raad overeenstemming heeft weten te bereiken over het MEDIA Plus-programma ter ondersteuning van de audiovisuele industrie en dat een resolutie over de nationale steun voor deze sector kon worden aangenomen.
Sport
54. De Europese Raad neemt nota van de door de Raad aangenomen verklaring (zie bijlage) over het specifieke karakter van de sport. Ook neemt de Europese Raad met voldoening kennis van de conclusies van de Raad betreffende het Mondiaal Antidopingagentschap en komt hij overeen de communautaire samenwerking ter zake te intensiveren. Tevens neemt hij nota van de millenniumverklaring van de VN betreffende het bevorderen van de vrede en het wederzijds begrip door middel van de sport en het Olympisch bestand.
I. Ultraperifere regio's
55. De Europese Raad heeft nota genomen van het geactualiseerde werkprogramma van de Commissie dat de volledige implementatie van de verdragsbepalingen betreffende de ultraperifere regio's beoogt, alsmede van de voor deze regio's ingediende voorstellen. Hij verzoekt de Raad deze voorstellen op korte termijn te bespreken. De Europese Raad zal tijdens zijn zitting te Göteborg in juni 2001 bezien hoe ver de werkzaamheden betreffende het gehele dossier gevorderd zijn.
56. De Europese Raad neemt kennis van het verslag van de Commissie inzake POSEIMA en van de aangekondigde maatregelen gericht op de ontwikkeling van de economie van de Azoren en Madeira. Rekening houdend met het economische en sociale belang van de zuivelsector voor deze ultraperifere regio's heeft de Commissie voorgesteld de consumptie van zuivelproducten van de Azoren onder bepaalde voorwaarden vanaf 1999/2000 voor een periode van vier jaar in mindering te brengen op de nationale berekening van de extra heffing.
J. Insulaire regio's
57. Op basis van de aan het Verdrag van Amsterdam gehechte verklaring nr. 30 bevestigt de Europese Raad dat voor de insulaire regio's, wegens de structurele handicaps die hun economische en sociale ontwikkeling vertragen, overeenkomstig artikel 158 van het VEG bijzondere maatregelen vereist zijn, waarbij de grenzen van de beschikbare begrotingsmiddelen in acht genomen moeten worden.
VI. EXTERNE BETREKKINGEN
A. Cyprus
58. De Europese Raad is ingenomen met de inspanningen van de secretaris-generaal van de Verenigde Naties om tot een alomvattend akkoord te komen voor de kwestie Cyprus, met inachtneming van de resoluties van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties, en om het in december 1999 aangevangen proces op positieve wijze af te ronden, en hij steunt deze inspanningen krachtig. Hij roept alle betrokken partijen op daaraan bij te dragen.
B. Middellandse-Zeegebied
59. De IVe Europees-mediterrane conferentie van Marseille heeft de relevantie bevestigd van het proces dat vijf jaar geleden in Barcelona is begonnen en heeft belangrijke beleidslijnen vastgesteld om het partnerschap nieuw leven in te blazen.
60. De Europese Raad bevestigt dat de Unie zich ertoe verbindt dit partnerschap op alle terreinen te verdiepen. Voor het MEDA-programma, dat is aangepast om rekening te houden met de lessen die tijdens de eerste jaren zijn getrokken, zal voor de periode 2000-2006 een bedrag van 5,35 miljard euro worden uitgetrokken; daaruit blijkt hoeveel belang de Unie aan dit partnerschap hecht. De Europese Raad spreekt zijn steun uit voor de aankondiging van de EIB dat zij extra steun ten bedrage van 1 miljard euro beschikbaar stelt voor de landen van het gebied.
61. Hij neemt nota van de stand van de onderhandelingen over een toekomstige visserij-overeenkomst met het Koninkrijk Marokko en hoopt dat vóór het einde van het jaar een oplossing kan worden bereikt. Indien zulks onmogelijk blijkt, verzoekt de Europese Raad de Commissie om, met inachtneming van de financiële vooruitzichten, een specifiek actieprogramma voor te stellen voor de herstructurering van de communautaire vloot die in het kader van de vorige overeenkomst heeft gevist en de huidige steunregeling voor het stilliggen van deze vloot te verlengen.
C. Westelijke Balkan
62. De Top van Zagreb van 24 november 2000, waar de landen van dit gebied die weer een democratisch bestel hebben gekregen voor het eerst bijeen waren, was ingenomen met de historische veranderingen in de Westelijke Balkan, die zich eerst in Kroatië, daarna in de FRJ hebben voltrokken. De Europese Unie hecht het grootste belang aan de ontwikkeling van de situatie in Zuidoost-Europa; zij zal actieve steun blijven verlenen aan de inspanningen van de Westelijke Balkan die gericht zijn op het herstel van de democratie, de rechtsstaat, verzoening en samenwerking op basis van eerbiediging van de bestaande grenzen, en naleving van de overige internationale verplichtingen die zullen bijdragen tot de toenadering tussen elk van deze landen en de EU en die één geheel vormen. De Europese Raad onderstreept dat het stabiliteitspact een belangrijke bijdrage vormt en herinnert aan het belang van andere initiatieven ter bevordering van de samenwerking met de landen van de regio. Hij bevestigt dat het stabilisatie- en associatieproces de kern vormt van het beleid van de Unie ten aanzien van de vijf betrokken landen; voor elk van deze landen zal een aparte aanpak worden gevolgd. Overeenkomstig de conclusies van Keulen en Feira wordt hun een duidelijk toetredingsperspectief geboden, dat onlosmakelijk verbonden is met de vooruitgang op het gebied van regionale samenwerking. In het kader van het CARDS-programma ten behoeve van deze landen wordt voor de periode 2000-2006 4,65 miljard euro ter beschikking gesteld. De Europese Raad blijft het streven van de Europese Commissie en de Donaucommissie om de scheepvaart op de Donau te herstellen, steunen. Dit is essentieel voor het herstel van de economie van de regio en voor de ontwikkeling van de regionale samenwerking.
D. Ontwikkelingsbeleid
63. Het verheugt de Europese Raad dat de Raad en de Commissie een verklaring hebben aangenomen over het ontwikkelingsbeleid van de Gemeenschap. Hij juicht ook de aanneming van een resolutie over infectieziekten en armoede toe. In deze resolutie wordt een algehele aanpak uitgestippeld voor de bestrijding van HIV/aids, tuberculose en malaria, die rampzalige gevolgen hebben voor de ontwikkelingslanden; de toegang tot behandeling is een essentieel onderdeel van deze aanpak.
_______________________
BIJLAGEN BIJ DE
CONCLUSIES VAN HET VOORZITTERSCHAP
EUROPESE RAAD VAN NICE
7, 8 EN 9 DECEMBER 2000
BIJLAGEN
Bijlage I Europese sociale agenda Blz. 3
Bijlage II Verklaring over de diensten van algemeen economisch belang Blz. 23
Bijlage III Resolutie van de Raad over het voorzorgsbeginsel Blz. 26
Bijlage IV Verklaring over de specifieke kenmerken van de sport en de maatschappelijke functie daarvan in Europa, waarmee bij de
uitvoering van het gemeenschappelijk beleid rekening moet
worden gehouden Blz. 31
Bijlage V Resolutie van de Raad houdende een actieplan voor de mobiliteit Blz. 34
Bijlage VI Verslag van het voorzitterschap over het Europees Veiligheids-
en defensiebeleid Blz. 37
Bijlage VII Verklaring van de Europese Raad over het Nabije Oosten Blz. 96
Bijlage VIII Documenten die zijn voorgelegd aan de Europese Raad van Nice Blz. 97
BIJLAGE I
EUROPESE SOCIALE AGENDA
1. Politieke richtsnoeren van de Europese Raad
2. De Europese Raad heeft ook gekozen voor een doelstelling van volledige werkgelegenheid in Europa in een samenleving die beter weet in te spelen op de persoonlijke keuzes van vrouwen en mannen. Het einddoel is, de arbeidsparticipatie, die op basis van de beschikbare statistieken momenteel gemiddeld 61% bedraagt, voor 2010 zo dicht mogelijk bij 70% te brengen en de arbeidsparticipatie van vrouwen, die momenteel 51% bedraagt, voor 2010 tot méér dan 60% te verhogen. De staatshoofden en regeringsleiders hebben benadrukt dat een gemiddelde economische groei van ongeveer 3% voor de komende jaren een realistisch perspectief is, indien de maatregelen waarvoor zij in Lissabon hebben gekozen tegen een gezonde macro-economische achtergrond worden uitgevoerd.
3. De Europese Raad heeft in dit kader het Franse voorzitterschap ermee belast werkzaamheden aan te vangen "op grond van de mededeling van de Commissie, teneinde tijdens de Europese Raad van Nice in december overeenstemming te bereiken over een Europese sociale agenda, met inbegrip van initiatieven van de verschillende betrokken partners".
4. De Commissie heeft conform deze richtsnoeren op 28 juni 2000 haar mededeling over de Europese sociale agenda gepresenteerd. Die mededeling was door de Commissie in het kader van haar vijfjarenprogramma aangekondigd als een van de kernpunten van haar economische en sociale agenda. De lidstaten hebben unaniem de kwaliteit van deze bijdrage onderstreept. Naar hun oordeel vormt de Commissiemededeling een relevante basis, gelet op de door de Europese Raad van Lissabon en die van Feira opgestelde richtsnoeren. Er zij voorts op gewezen dat de mededeling duidelijk maakt hoe de Commissie op het gebied van sociaal beleid van haar initiatiefrecht gebruik denkt te maken.
5. Op deze basis heeft de op 26 oktober 2000 aangenomen resolutie van het Europees Parlement belangrijke elementen van verdieping en verrijking aangedragen. In de resolutie wordt met name op drie punten de nadruk gelegd: het belang van interactie tussen het economisch, het sociaal en het werkgelegenheidsbeleid, de rol van de verschillende instrumenten en met name van de open coördinatiemethode en van de wetgeving, en tot besluit de mobilisatie van alle betrokkenen. Het Parlement wil de sociale agenda op een aantal punten versterken en heeft gewezen op de noodzaak om, op basis van een situatieoverzicht van de Commissie, de stand van zaken van de sociale agenda jaarlijks in kaart te brengen.
6. Ook de adviezen van het Economisch en Sociaal Comité en van het Comité van de Regio's hebben het debat verrijkt. De bijdragen van de sociale partners en van de niet-gouvernementele organisaties hebben het mogelijk gemaakt de standpunten van deze hoofdrolspelers in het sociaal beleid in de richtsnoeren te integreren. Voorts hebben ook de betrokken comité's en groepen van de Raad of van de Commissie, en met name het Comité voor de werkgelegenheid, de Groep op hoog niveau sociale bescherming en het Raadgevend Comité voor gelijke kansen voor mannen en vrouwen, een bijdrage geleverd tot de werkzaamheden.
2. Modernisering en verbetering van het Europees sociaal model
7. De lidstaten hebben in Lissabon gememoreerd dat "het Europees sociaal model, met zijn ontwikkelde systemen van sociale bescherming, [ ] de overgang naar de kenniseconomie [moet] schragen". Zij hebben benadrukt dat "[het] menselijk kapitaal Europa's hoogste goed [is] en het kernpunt van het EU-beleid [moet] zijn. Voor Europa's plaats in de kenniseconomie en om te vermijden dat de opkomst van deze nieuwe economie de bestaande
problemen van werkloosheid, sociale uitsluiting en armoede vergroot, zal het cruciaal zijn om te investeren in mensen en een actieve en dynamische welvaartsstaat te ontwikkelen".
8. De Commissie heeft in haar mededeling de noodzaak van een positieve en dynamische interactie van economisch, sociaal en werkgelegenheidsbeleid, alsook de mobilisatie van alle betrokkenen om dit strategische doel te bereiken, centraal gesteld.
9. In dit perspectief moet het tweeledige doel van het sociaal beleid worden gereleveerd: de agenda moet de rol van het sociaal beleid als factor van concurrentievermogen versterken; tegelijkertijd moet de sociale agenda het sociaal beleid doeltreffender maken in de verwezenlijking van de eigen doelstellingen van dat beleid inzake bescherming van individuen, vermindering van de sociale ongelijkheden en sociale samenhang. Het Europees Parlement en de sociale partners hebben juist op dit tweeledige doel de nadruk gelegd. Economische groei en sociale samenhang versterken elkaar namelijk. Een samenleving met meer sociale samenhang en minder sociale uitsluiting is een teken van een krachtiger economie.
10. Een dergelijke benadering veronderstelt in de eerste plaats een verhoging van de arbeidsdeelname, vooral van groepen die ondervertegenwoordigd of achtergesteld zijn op de arbeidsmarkt. Meer en betere banen zijn immers de sleutel tot sociale insluiting. Beter toegankelijke arbeidsmarkten moeten bevorderd worden, en diversiteit in de werkgelegenheid moet aangemoedigd worden als factor van concurrentievermogen en sociale integratie. De in Lissabon vastgestelde strategie van wederzijdse versterking van het economisch en het sociaal beleid, die erop gericht is het gehele werkgelegenheidspotentieel te mobiliseren, is dan ook van doorslaggevend belang voor de houdbaarheid van de pensioenstelsels.
11. Om voorbereid te zijn op de toekomst moet de Europese Unie uitgaan van haar verworvenheden. Zij moet dan ook solidariteit en rechtvaardigheid blijven bevorderen als waarden die haar kenmerken en die in het Handvest van de grondrechten plechtig worden bekrachtigd. Het Europees sociaal model, dat met name wordt gekenmerkt door stelsels van sociale bescherming van hoog niveau, het belang van de sociale dialoog en diensten van algemeen belang, en waarvan het toepassingsgebied activiteiten dekt die essentieel zijn voor de sociale samenhang, berust thans als gevolg van de diversiteit van de sociale stelsels van de lidstaten, op een gemeenschappelijke basis van waarden.
12. Het Europees sociaal model heeft zich de afgelopen veertig jaar ontwikkeld op basis van een substantieel communautair acquis dat door de verdragen van Maastricht en Amsterdam nog aanzienlijk aan kracht heeft gewonnen. Het communautaire acquis bevat thans belangrijke teksten op tal van gebieden: vrij verkeer van werknemers, gelijkheid tussen mannen en vrouwen in het beroepsleven, gezondheid en veiligheid van werknemers, werkomstandigheden en arbeidsvoorwaarden en, meer recentelijk, de strijd tegen iedere vorm van discriminatie. In het sociale hoofdstuk van het Verdrag is de fundamentele rol van overeenkomsten tussen de sociale partners in het wetgevingsproces verankerd. De buitengewone Europese Raad van Luxemburg is een belangrijke etappe geweest om de Europese Unie te mobiliseren ten behoeve van de werkgelegenheid. Het Verdrag van Amsterdam - met de Europese werkgelegenheidsstrategie - en de Europese Raad van Lissabon en die van Feira
- met de open coördinatiemethode inzake sociale uitsluiting en de versterkte samenwerking op het terrein van sociale bescherming - hebben nieuwe en relevante methoden aangedragen ter verruiming van de nieuwe gebieden van communautair optreden.
13. Het in Lissabon vastgestelde doel veronderstelt dat de Europese Unie de nieuwe uitdagingen in kaart brengt die de komende vijf jaar om een antwoord vragen.
3. De gemeenschappelijke uitdagingen
Verwezenlijking van volledige werkgelegenheid en mobilisering van het gehele werkgelegenheidspotentieel
14. De dynamische groei in Europa en de totstandbrenging van structurele hervormingen moeten het mogelijk maken de doelstelling van een terugkeer naar volledige werkgelegenheid te verwezenlijken. Dit perspectief vergt een ambitieus beleid met betrekking tot verhoging van de bedrijvigheidsgraad, terugdringing van regionale verschillen, vermindering van de ongelijkheid en verbetering van de kwaliteit van de werkgelegenheid.
15. Het is van cruciaal belang dat de opleidingsmogelijkheden verbeterd worden en de mogelijkheden voor levenslange scholing en opleiding verruimd worden, waarbij een belangrijke rol aan de sociale partners moet worden toevertrouwd. De ontwikkeling en vergroting van professionele bekwaamheden zijn immers onontbeerlijk om het aanpassingvermogen, het concurrentievermogen en de bestrijding van de sociale uitsluiting te verbeteren. Veranderingen in de organisatie van de arbeid zullen nodig zijn om ten volle te profiteren van het potentieel van informatie- en communicatietechnologieën. Flexibiliteit en veiligheid moeten gecombineerd worden in het kader van een economie in beweging.
Gebruikmaken van de technische vooruitgang
16. Uit de snelle ontwikkeling van de informatie- en communicatietechnologieën, alsmede van de biowetenschappen, blijkt de noodzaak voor elk van de lidstaten om, overeenkomstig het door de Europese Raad van Lissabon gestelde doel, de eerste plaats in te nemen op het stuk van de economie en de maatschappij van kennis en innovatie, zijnde de nieuwe drijvende krachten achter groei en ontwikkeling.
17. De technologische veranderingen moeten ook resulteren in een verbetering van de levensstandaard en de levensomstandigheden die aan de gehele samenleving ten goede komt. De opmars van nieuwe informatie- en communicatietechnologieën biedt derhalve uitstekende kansen die ten volle moeten worden aangegrepen, waarbij erop moet worden toegezien dat de kloof tussen degenen die toegang hebben tot de nieuwe kennis en degenen die daarvan uitgesloten zijn, niet dieper wordt.
De mobiliteit ontwikkelen
18. De economische integratie en de oprichting van bi- of multinationale ondernemingen leiden tot een verhoogde mobiliteit van mannen en vrouwen in de landen van de Unie. Deze trend, die reeds duidelijk tot uiting komt onder pas afgestudeerden en het hogere kader, moet aangemoedigd en vergemakkelijkt worden, met name voor onderwijzend personeel, onderzoekers en personen die een opleiding volgen. Met deze eis moet op passende wijze rekening worden gehouden in het kader van de nationale onderwijs- en opleidingsstelsels. Voorts moet de communautaire regelgeving gemoderniseerd en verbeterd worden, om te waarborgen dat de sociale rechten van werknemers die hun recht op mobiliteit daadwerkelijk uitoefenen, behouden blijven.
Gebruikmaken van de economische en monetaire integratie
19. De totstandbrenging van een economische en monetaire unie en het bestaan van een grote interne markt leiden tot een grotere transparantie bij de vergelijking van kosten en prijzen. Deze integratie, die een waarborg is voor een groter concurrentievermogen, zal resulteren in herstructureringen van het productieapparaat en in sectorale veranderingen die zullen moeten worden beheerst en begeleid via verhoogde inspanningen op het gebied van kwalificaties en opleiding van de werknemers. Deze veranderingen moeten samen met zowel de werkgevers als werknemers op een positieve wijze benaderd worden.
20. Een duurzame en niet-inflatoire groei binnen de economische en monetaire unie houdt ook in dat de ontwikkeling van de lonen verenigbaar moet zijn met name met die van de stijging van de productiviteit in elke lidstaat en met de verdragsbepalingen inzake handhaving van de prijsstabiliteit.
Reageren op vergrijzing
21. Vergrijzing is een uitdaging voor elke lidstaat. Naast de voortzetting van een passend beleid ten behoeve van gezinnen en kinderen moeten ook nieuwe antwoorden worden gevonden met betrekking tot verhoging van de arbeidsdeelname van vrouwen, vergemakkelijking en ondersteuning van het blijven werken van oudere werknemers, de levensvatbaarheid van de pensioenstelsels en de maatregelen ter bekostiging van de "grijze druk".
22. De verwezenlijking van een hoog werkgelegenheidsniveau en de verhoging van de arbeidsdeelname van vrouwen door een verlaging van de pensioendruk per actief lid van de beroepsbevolking zullen het vermogen om de vergrijzing het hoofd te bieden versterken. Daarom moet de toegang tot de arbeidsmarkt vergemakkelijkt worden door maatregelen ter bestrijding van discriminatie en door aanpassing van de stelsels van sociale bescherming teneinde de arbeidsdeelname te bevorderen en de koppeling tussen het beroepsleven en het gezinsleven te versterken.
De sociale samenhang versterken
23. De sociale samenhang, het afwijzen van alle vormen van uitsluiting en discriminatie alsmede de gelijkheid tussen mannen en vrouwen zijn essentiële waarden van het Europese sociaal model, die door de Europese Raad van Lissabon zijn bevestigd. Een baan is de beste bescherming tegen sociale uitsluiting. De groei dient aan iedereen ten goede te komen, hetgeen noopt tot voortzetting en intensifiëring van doelgerichte acties, met name in probleemwijken, om te reageren op de complexiteit en de vele dimensies van uitsluiting of ongelijkheid. Naast het werkgelegenheidsbeleid dient ook de sociale bescherming een leidende rol te spelen, maar ook het belang van andere factoren, zoals huisvesting, onderwijs, gezondheid, informatie en communicatie, mobiliteit, veiligheid en rechtszekerheid, vrije tijd en cultuur, mag niet uit het oog verloren worden. De integratie van onderdanen van derde landen die legaal op het grondgebied van de Unie verblijven, moet eveneens tot een goed einde worden gebracht.
Een geslaagde uitbreiding op sociaal gebied
24. De uitbreiding vormt een uitdaging voor de Europese Unie, vooral op sociaal gebied. De Unie moet krachtig de inspanningen ondersteunen die de kandidaat-lidstaten reeds leveren om hun sociale stelsels aan te passen en te wijzigen, en moet het op gang brengen van een proces van convergentie in vooruitgang bevorderen. Zij staan immers niet alleen voor de immense taak om hun systemen aan te passen en te hervormen, maar worden bovendien geconfronteerd met de meeste problemen die ook in de huidige lidstaten van de Europese Unie worden aangepakt. De komende uitbreiding moet dus op alle terreinen van het sociaal beleid meespelen.
De sociale dimensie van de mondialisering bevestigen
25. De mondialisering van het handels- en financieel verkeer vereist steeds meer concurrentievermogen, hetgeen zijn weerslag heeft op het sociaal beleid (bijvoorbeeld de impact van de loonlasten op het salarisniveau). De multilaterale onderhandelingen krijgen steeds vaker een sociale dimensie (bijvoorbeeld debat over de sociale grondrechten, uitdagingen inzake sanitaire veiligheid). De Europese Unie dient zich zodanig te organiseren dat in de internationale onderhandelingen rekening wordt gehouden met de sociale uitdagingen.
4. Uitvoering
26. Om deze nieuwe taken te kunnen volbrengen, moet de agenda worden afgestemd op de modernisering en versterking van het Europese sociaal model en moet op alle terreinen van het sociaal beleid de nadruk gelegd worden op kwaliteitsbevordering. De kwaliteit van de opleiding, de kwaliteit van het werk, de kwaliteit van de arbeidsverhoudingen en de kwaliteit van het sociaal beleid in zijn geheel zijn essentiële factoren voor de Europese Unie om de gestelde doelen inzake concurrentievermogen en volledige werkgelegenheid te bereiken. Bij de uitvoering van deze initiatieven en de acties op communautair niveau,
moet, met inachtneming van het subsidiariteitsbeginsel en voldoende aandacht voor de sociale dialoog, de verwezenlijking van gemeenschappelijke doelstellingen voorop staan.
27. Alle actoren, de Instellingen van de Europese Unie (Europees Parlement, Raad, Commissie), de lidstaten, de regionale en plaatselijke overheden, de sociale partners, de civiele samenleving en het bedrijfsleven, hebben een rol te vervullen.
29. In de agenda wordt erkend dat ten volle rekening moet worden gehouden met het subsidiariteitsbeginsel en de verschillen in traditie en omstandigheden, op sociaal en werkgelegenheidsgebied, tussen de lidstaten.
31. De versterking en de modernisering van het Europese sociaal model teneinde nieuwe uitdagingen te kunnen aangaan, houdt in dat bij de uitstippeling van het beleid van de Unie alle consequenties worden aanvaard van de interactie tussen economische groei, werkgelegenheid en sociale samenhang. Het is op die basis dat de strategische beleidskeuzen ter zake moeten worden bepaald.
32. In het licht van de door de Europese Raad in Lissabon en Feira vastgelegde richtsnoeren en op basis van de mededeling van de Commissie geeft de Raad Werkgelegenheid en Sociaal Beleid de Europese Raad van Nice in overweging zijn goedkeuring te hechten aan:
De volgende richtsnoeren voor het sociale beleid:
II. Anticiperen op en gebruik maken van de verandering van het arbeidskader door een nieuw evenwicht tussen flexilibiteit en zekerheid te ontwikkelen
III. Alle vormen van uitsluiting en discriminatie bestrijden om de sociale integratie te bevorderen
IV. Modernisering van de sociale bescherming
V. Bevordering van de gelijkheid van mannen en vrouwen
VI. Versterking van de sociale aspecten van de uitbreiding en van de buitenlandse betrekkingen van de Europese Unie.
De wijze waarop deze richtsnoeren moeten worden uitgevoerd:
De Commissie wordt verzocht:
passende voorstellen in te dienen en haar bevoegdheden inzake de uitvoering en het toezicht op de toepassing van het gemeenschapsrecht uit te oefenen, overeenkomstig de rol die haar bij het Verdrag is verleend;
overeenkomstig de conclusies van de Europese Raad van Lissabon betreffende de nieuwe open coördinatiemethode, deze te ondersteunen door middel van passende initiatieven, met name op het gebied van de ontwikkeling van indicatoren, in overleg met het Comité voor de werkgelegenheid en het Comité voor sociale bescherming.
De Raad,
wordt in de formatie Werkgelegenheid en Sociaal Beleid, met deelneming van de andere Raadsformaties, belast met de uitvoering van de sociale agenda;
behandelt, met het oog op aanneming ervan, gedurende de looptijd van de sociale agenda de passende Commissievoorstellen met deelneming van het Europees Parlement volgens de bepalingen van het Verdrag;
stelt overeenkomstig de conclusies van de Europese Raad van Lissabon betreffende de nieuwe open coördinatiemethode de richtsnoeren en de passende of gemeenschappelijke doelstellingen vast en werkt deze bij; stelt in voorkomend geval kwantitatieve en kwalitatieve indicatoren, alsmede evaluatiecriteria vast; draagt het Comité voor de werkgelegenheid en het Comité voor sociale bescherming op de werkzaamheden van de Raad te ondersteunen en daarbij bijdragen te stimuleren van de sociale partners en, wat de sociale uitsluiting betreft, van niet-gouvernementele organisaties; is ingenomen met de wens van het Europees Parlement om ten volle bij de uitvoering van de sociale agenda te worden betrokken en om passende contacten te leggen.
De sociale partners wordt verzocht:
ten volle gebruik te maken van de mogelijkheden die het Verdrag biedt voor contractuele betrekkingen en gemeenschappelijke acties, en om voor elke voorjaarsbijeenkomst van de Europese Raad de gezamenlijk ondernomen of geplande acties kenbaar te maken;
in deze context een eerste gezamenlijke bijdrage voor te leggen aan de Europese Raad van Stockholm in maart van volgend jaar.
De lidstaten
zien toe op de uitvoering op nationaal niveau van de door de Raad goedgekeurde besluiten;
zetten deze richtsnoeren en passende of gemeenschappelijke doelstellingen, overeenkomstig de conclusies van de Europese Raad van Lissabon betreffende de open coördinatiemethode, om in nationaal, regionaal of lokaal beleid, door specifieke doelstellingen te bepalen en maatregelen aan te nemen waarin met de nationale, regionale en lokale verscheidenheid rekening wordt gehouden.
Follow-up en bijwerking:
De Commissie wordt verzocht:
in haar jaarlijks syntheseverslag aan de Europese Raad de door haar genomen initiatieven te presenteren en de nadruk te leggen op de bijdragen van alle actoren voor de modernisering en de verbetering van het Europese sociale model, teneinde de in Lissabon vastgestelde strategische doelstelling te bereiken;
in dit kader te zorgen voor de door de Europese Raad van Lissabon gevraagde follow-up van en controle op de uitvoering van de sociale agenda in het kader van haar mededeling van 28 juni 2000 en van de onderstaande beleidslijnen, en voor de herziening halverwege daarvan in 2003; met het oog daarop in het vooruitzicht van de bijeenkomst van de Europese Raad in het voorjaar een jaarlijks scorebord voor te leggen van de vooruitgang die bij de uitvoering van de acties is geboekt;
De Raad,
in de formatie Werkgelegenheid en Sociaal Beleid,
- bespreekt de verslagen en het scorebord van de Commissie;
- levert, in coördinatie met de andere betrokken Raadsformaties, een bijdrage aan de Europese Raad van het voorjaar om de in Lissabon bepaalde strategische doelstelling te bereiken. Een eerste bijdrage wordt ingewacht voor de Europese Raad van Stockholm.
o
o o
I. MEER EN BETERE BANEN
Het perspectief van verwezenlijking van volledige werkgelegenheid dient vergezeld te gaan van vastberaden inspanningen om zoveel mogelijk mensen bij het arbeidsproces te betrekken, hetgeen met name inhoudt dat het beleid wordt versterkt om de gelijkheid van vrouwen en mannen in het beroepsleven te bevorderen, beroeps- en gezinsleven beter op elkaar af te stemmen, oudere werknemers voor de arbeidsmarkt te behouden, langdurige werkloosheid te bestrijden en integratieperspectieven te bieden aan de zwaksten door mobilisatie van alle actoren, met name in de sociale en solidaire economie. De keuze voor een kennismaatschappij veronderstelt een investering in menselijk kapitaal om de kwalificatie en de mobiliteit van werknemers te stimuleren. Terzelfder tijd dient de kwaliteit van de arbeid te worden bevorderd en dienen voor zoveel mogelijk mensen strategieën met betrekking tot levenslang onderwijs en opleiding te worden ontwikkeld.
a) De arbeidsparticipatie vergroten door versterking van het beleid dat ten doel heeft het gezins- en het beroepsleven, zowel voor mannen als voor vrouwen, beter op elkaar af te stemmen alsmede de toegang tot of het behoud van een baan voor bepaalde categorieën te bevorderen (met name de langdurig werklozen, de gehandicapten, de oudere werknemers, de minderheden): vergelijkende analyse door de Commissie vóór 2002 van de structurele factoren die participatie in de arbeidsmarkt kunnen stimuleren, en aanpassing van de richtsnoeren voor
de werkgelegenheid, met name door een nieuwe benchmark vast te stellen voor betere kinderopvang.
b) De gecoördineerde werkgelegenheidsstrategie versterken en voortzetten op basis van de werkzaamheden van het Comité voor de Werkgelegenheid. In 2002 de strategie opnieuw bezien en het effect ervan evalueren, om een duidelijker beeld te krijgen van de toekomstige ontwikkelingen ervan.
d) Bestrijding van de langdurige werkloosheid door actieve preventie- en reïntegratiestrategieën te ontwikkelen die gebaseerd zijn op vroegtijdige onderkenning van individuele behoeften en verbetering van de inzetbaarheid.
e) Ondersteuning in deze context van de lokale en regionale dimensie van de werkgelegenheidsstrategie. De regionale dimensie zal een strategische aanpak op alle niveaus - ook het Europese - vereisen, en kan gevarieerd en gericht beleid voor diverse regios vereisen teneinde de in Lissabon vastgestelde doeleinden en een versterkte regionale samenhang te verwezenlijken.
f) Verbetering van de daadwerkelijke toegang tot levenslang onderwijs en opleiding, met name op het vlak van de nieuwe technologieën, om tekortkomingen in de kwalificaties te voorkomen. Strategieën op dit gebied moeten voorzien in de coördinatie van de gedeelde verantwoordelijkheid van de overheid, de sociale partners, en de individuele burger, met een passende bijdrage van de civiele samenleving. De sociale partners wordt verzocht te onderhandelen over maatregelen ter verbetering van postsecundair onderwijs en van opleiding om het aanpassingsvermogen daarvan te verhogen. Daarnaast wordt de sociale partners en de regeringen verzocht vóór eind 2001 de Raad Werkgelegenheid en Sociaal Beleid mee te delen welke bepalingen zijn aangenomen, zowel op Europees als op nationaal niveau in het kader van de nationale actieplannen voor de werkgelegenheid. In 2002 zal een conferentie met alle betrokken actoren over dit onderwerp worden georganiseerd. Er zal een Europese prijs voor bijzonder progressieve bedrijven worden ingesteld.
g) Bevordering van de identificatie en de verspreiding van goede praktijken, op het gebied van werkgelegenheid- en de sociale dimensie van de informatiemaatschappij in nauwe samen-werking met de desbetreffende Groep op hoog niveau en verdere ontwikkeling van de "menselijk kapitaal"-aspecten van het actieplan e-Europa.
h) Vergemakkelijken van de mobiliteit van de Europese burgers:
- een Europa van de kennis ontwikkelen via afschaffing van de hinderpalen voor de mobiliteit van docenten, wetenschappers, studenten, opleiders en leerlingen, met name in het kader van het actieplan inzake mobiliteit en de aanbeveling die door de Raad zijn aangenomen;
- de erkenning op Europees niveau van de in de lidstaten verworven competenties en vaardigheden bevorderen overeenkomstig de bepalingen van het Verdrag;
- het vrije verkeer van personen bevorderen: vóór 2003 de inhoud van de richtlijnen inzake verblijfsrecht aanpassen, de regelgeving inzake het vrije verkeer van werknemers verbeteren;
- voor de looptijd van de agenda de regels inzake de handhaving van het recht op sociale zekerheid van migrerende werknemers moderniseren; de toepassing van de wetgeving ter zake bevorderen, met name door het gebruik van de nieuwe informatie- en communicatietechnologieën te stimuleren;
- vóór eind 2002 de mogelijkheden tot vrijwaring van de rechten op een aanvullend pensioen van werknemers die zich binnen het grondgebied van de Europese Unie verplaatsen, verbeteren.
i) Tijdens de looptijd van de sociale agenda zich bezinnen over het verband tussen migratiestromen en werkgelegenheidsbeleid.
II. ANTICIPEREN OP EN GEBRUIK MAKEN VAN DE VERANDERING VAN HET ARBEIDSKADER DOOOR EEN NIEUW EVENWICHT TUSSEN FLEXIBILITEIT EN ZEKERHEID TE ONTWIKKELEN
De ingrijpende veranderingen van economie en arbeid, die met name verband houden met de opkomst van de kenniseconomie en de mondialisering, gaan in alle lidstaten steeds sneller. Zij nopen tot nieuwe collectieve antwoorden die rekening houden met de verwachtingen van de werknemers. De sociale dialoog en het overleg moeten de voorwaarden scheppen voor een deelneming van de werknemers aan de veranderingen, door te anticiperen op de ontwikkelingen in de ondernemingen, in de industriële sectoren en in wijder verband. Het zoeken naar een innoverend collectief kader dat aangepast is aan de nieuwe vormen van werkgelegenheid, moet de mobiliteit en de investering van individuen mogelijk maken in steeds gediversifieerder beroepssituaties door een overgang mogelijk te maken tussen de op elkaar volgende situaties of banen. Bij de te nemen acties om deze veranderingen in goede banen te leiden, dient op evenwichtige wijze een beroep te worden gedaan op de verschillende bestaande communautaire instrumenten, met name de open coördinatiemethode, en dient de sociale partners ruim baan te worden gegeven voor het nemen van initiatieven.
a) De rol van de werknemers bij het sturen van het veranderingsproces moet worden versterkt door de verbetering, voor 2002, van het communautaire kader betreffende het recht op informatie, raadpleging en participatie van de werknemers (herziening van de richtlijn betreffende de Europese ondernemingsraad, voortzetting van de besprekingen over de richtlijnen betreffende informatie en raadpleging en betreffende de sociale aspecten van de Europese vennootschap).
b) Er moet met name op basis van een mededeling van de Commissie in 2002 een communautaire strategie inzake de gezondheid en de veiligheid op het werk worden ontwikkeld:
- de bestaande normen codificeren, aanpassen en eventueel vereenvoudigen;
- inspelen op nieuwe risico's, zoals stress op het werk, door normeringsinitiatieven te nemen en goede praktijken uit te wisselen;
- de toepassing van de wetgeving in het MKB bevorderen, rekening houdend met de bijzondere vereisten waaraan het moet voldoen, met name door middel van een specifiek programma;
- met ingang van 2001 de uitwisseling van goede praktijken en de samenwerking tussen de arbeidsinspectiediensten bevorderen om beter te voldoen aan de gemeenschappelijke fundamentele eisen.
c) In het kader van de groeiende onderlinge afhankelijkheid van de Europese economieën rekening houden met de veranderingen in het arbeidskader en de arbeidsverhoudingen; dit houdt in:
- op communautair niveau, voor de looptijd van de Europese sociale agenda, uitwisseling van innoverende ervaringen organiseren op het gebied van arbeidsverhoudingen die zekerheid voor de werknemers verenigen met flexibiliteit voor de ondernemingen, en alle relevante elementen van de modernisering en de verbetering van de arbeidsbetrekkingen voorleggen aan de sociale partners;
- reeds in 2001 overeenkomstig de voorstellen van de sociale partners een "Europees waarnemingscentrum voor het veranderingsproces" instellen in het kader van de Stichting van Dublin;
- de sociale dialoog over de problemen in verband met de arbeidsorganisatie en de nieuwe arbeidsvormen voort te zetten;
- de besprekingen op gang te brengen die kunnen leiden tot onderhandelingen over de gedeelde verantwoordelijkheid van de ondernemingen en de werknemers wat betreft de inzetbaarheid en het aanpassingsvermogen van de werknemers, met name vanuit het oogpunt van de mobiliteit;
d) De initiatieven in verband met de sociale verantwoordelijkheid van de ondernemingen en het beheer van de verandering ondersteunen, door middel van een mededeling van de Commissie.
e) De werking van de door de Europese Raad van Keulen ingestelde macro-economische dialoog verbeteren opdat die ten volle bijdraagt tot de positieve en dynamische interactie van het economisch, het sociaal en het werkgelegenheidsbeleid. Informatie-uitwisseling bevorderen, tussen de communautaire instellingen en de sociale partners over ontwikkelingen die gaande zijn op het gebied van loonvorming en -opbouw.
f) Vóór 2004 een gedachtewisseling houden over individueel ontslag, en daarbij rekening houden met de socialezekerheidsuitkeringen en de nationale kenmerken van de arbeidsmarkt.
g) In 2001 moet de communautaire wetgeving op het gebied van de arbeidstijd worden voltooid door de laatste hand te leggen aan de bepalingen betreffende de sector van het wegvervoer. Voorts moet er vooruitgang worden geboekt met de teksten betreffende de harmonisatie van de sociale bepalingen voor het zeevervoer en het luchtvervoer.
III. ALLE VORMEN VAN UITSLUITING EN DISCRIMINATIE BESTRIJDEN OM DE SOCIALE INTEGRATIE TE BEVORDEREN
De terugkeer naar een aanhoudende economische groei en het vooruitzicht van volledige werkgelegenheid binnen afzienbare termijn, betekenen niet dat armoede en uitsluiting in de Europese Unie spontaan zullen afnemen, maar maken het nog minder aanvaardbaar dat die verschijnselen voortbestaan. De Europese Raad van Lissabon heeft benadrukt dat het van belang is stappen te zetten om de armoede definitief uit te roeien. Die wil moet op het hoogste niveau in elk van de staten worden uitgedragen en op het terrein worden geconcretiseerd door alle plaatselijke actoren, met name de NGO's en de sociale diensten, te mobiliseren, en moet voorts gepaard gaan met acties om alle derdelanders die legaal op het grondgebied van de Unie verblijven, een gelijke behandeling te garanderen.
a) Vóór juni 2001 moet er, overeenkomstig de door de Europese Raad van Lissabon bepaalde open coördinatiemethode, worden begonnen met de uitvoering van een nationaal actieplan voor een periode van 2 jaar ter bestrijding van armoede en sociale uitsluiting, op basis van de gemeenschappelijk vastgestelde doelstellingen. Dat plan preciseert de met de nationale beleidsmaatregelen nagestreefde vorderingen en vermeldt de voor de beoordeling van de resultaten gehanteerde indicatoren; vanaf 2001, op basis van de indicatoren waarvoor de staten in hun nationale actieplan gekozen hebben, moet verder werk worden gemaakt van de onderlinge afstemming van deze indicatoren en het vaststellen van indicatoren in onderling overleg.
b) De mogelijkheden die de nieuwe informatie- en communicatietechnologieën bieden om de sociale uitsluiting te verminderen en de toegang van eenieder tot de kennismaatschappij te stimuleren, moeten worden benut; hiertoe moet het actieplan van de Commissie "e-Europa 2002 - Een informatiemaatschappij voor iedereen", dat door de Europese Raad van Feira werd goedgekeurd, worden uitgevoerd.
c) Bij het afsluiten van de eerste nationale actieplannen moet worden gezorgd voor de follow-up van de aanbeveling van 1992 betreffende het gegarandeerde minimuminkomen dat door de stelsels van sociale bescherming moet worden gewaarborgd en de mogelijke initiatieven om de vooruitgang op dat punt te flankeren, moeten worden onderzocht.
d) Via de uitwisseling van ervaringen moeten de inspanningen van de lidstaten op het vlak van het stedelijk beleid ter bestrijding van de sociale en ruimtelijke segregatie, worden ondersteund.
e) Evaluatie van het effect van het ESF, met inbegrip van het communautair initiatief Equal, in de bevordering van de sociale insluiting.
f) Er moet worden toegezien op de daadwerkelijke uitvoering van de communautaire wetgeving betreffende de bestrijding van alle vormen van discriminatie op grond van geslacht, ras of etnische afstamming, godsdienst of levensovertuiging, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid. Om deze beleidspunten te versterken moeten de uitwisselingen van ervaringen en goede praktijken worden ontwikkeld.
g) Overeenkomstig de conclusies van de Europese Raad van Tampere moet worden begonnen met een meer voortvarend beleid voor de integratie van de derdelanders die legaal op het grondgebied van de Unie verblijven, dat tot doel heeft hun rechten en plichten te geven die vergelijkbaar zijn met die van de burgers van de Europese Unie. De uitwisselingen van ervaringen over het op nationaal niveau gevoerde integratiebeleid moeten worden ontwikkeld.
h) Het pakket maatregelen om personen met een handicap beter te integreren op alle gebieden van het maatschappelijk leven, moet met name in het kader van het Europees Jaar van de Gehandicapten (2003) verder worden uitgebouwd.
i) De voorwaarden moeten worden geschapen voor een doeltreffend partnerschap met de sociale partners, de niet-gouvernementele organisaties, territoriale samenwerkingsverbanden en de beheersorganen van de sociale diensten. De ondernemingen moeten bij dit partnerschap worden betrokken om hun sociale verantwoordelijkheid te versterken.
IV. MODERNISERING VAN DE SOCIALE BESCHERMING
De stelsels van sociale bescherming, die een essentieel bestanddeel van het Europees sociaal model vormen, blijven weliswaar tot de verantwoordelijkheid van de lidstaten behoren, doch worden geconfronteerd met gemeenschappelijke uitdagingen. Om met grotere doeltreffendheid op deze uitdagingen te reageren moet de samenwerking tussen de lidstaten worden versterkt. De modernisering van de stelsels van sociale bescherming moet de solidariteitseisen kracht bijzetten: dat is waaraan moet worden gewerkt, zowel op het gebied van het pensioen en de gezondheidszorg als om tot een actieve welvaartsstaat te komen die krachtdadig de arbeidsmarktparticipatie in de hand werkt.
a) De samenwerking en gedachtewisseling tussen de lidstaten inzake strategieën om voor de toekomst voor veilige en houdbare pensioenen te zorgen moeten worden voortgezet: indiening van nationale bijdragen met het oog op de Europese Raad van Stockholm (maart 2001), voorlegging van een studie hierover door de Raad (Werkgelegenheid en Sociaal Beleid) aan de Europese Raad van Göteborg (juni 2001), die de volgende fasen ervan zal vaststellen.
b) Uitgaande van het door elk van de lidstaten gevoerde beleid, moet worden geanalyseerd welke wijzigingen in de stelsels van sociale bescherming zijn aangebracht en welke vorderingen er nog gemaakt moeten worden om werk lonender te maken, een vast inkomen te bieden (2002) en het beroeps- en het gezinsleven beter te kunnen combineren.
c) Vóór 2003 moet het beraad worden afgerond over hoe, met inachtneming van de solidariteitseisen, een kwalitatief hoogwaardige en betaalbare gezondheidszorg kan worden gegarandeerd, rekening houdend met het effect van de vergrijzing (langdurige zorg): verslag van de Raad (Werkgelegenheid en Sociaal Beleid) in samenwerking met de Raad (Volksgezondheid).
d) Aan de hand van voor de Commissie verrichte studies moet de ontwikkeling worden onderzocht van de situatie met betrekking tot de toegang tot kwalitatieve gezondheidszorg en -producten over de grenzen heen.
e) Voor de looptijd van de agenda moet worden gezorgd voor de follow-up en evaluatie van de verdiepte samenwerking op het gebied van de sociale bescherming, er moeten passende indicatoren op dit gebied worden overwogen en uitgewerkt.
V. BEVORDERING VAN DE GELIJKHEID VAN MANNEN EN VROUWEN
Bevordering van de gelijkheid van de geslachten moet horizontaal op alle punten van de sociale agenda worden nagestreefd; in aanvulling daarop moet er een aantal specifieke maatregelen worden genomen om vrouwen toegang tot de besluitvorming te geven en om de rechten op het gebied van gelijkheid en van de combinatie van gezins- en beroepsleven te versterken.
a) Het begrip gelijkheid van vrouwen en mannen moet op alle relevante gebieden, met name van de sociale agenda, worden geïntegreerd, in het ontwerp, de follow-up en de evaluatie van het beleid door de vaststelling van passende mechanismen en instrumenten, zoals, in voorkomend geval, gender-effectevaluatie, en toezichtinstrumenten en benchmarking.
b) De toegang van vrouwen tot het besluitvormingsproces moet worden verbeterd door in elke lidstaat adequate doelstellingen of streefdoelen met termijnen te bepalen, zowel voor de overheidssector als voor de economische en sociale sector.
c) De mededeling van de Commissie "Naar een communautaire raamstrategie inzake de gelijkheid van mannen en vrouwen (2001-2005)" moet worden uitgevoerd, de wijzigingen die zijn voorgesteld voor de richtlijn van 1976 betreffende gelijke behandeling moeten worden besproken met het oog op de aanneming ervan, en de rechten op het gebied van de gelijkheid moeten worden versterkt door vóór 2003 een richtlijn op basis van artikel 13 van het EG-Verdrag aan te nemen om de gelijkheid van mannen en vrouwen op andere gebieden dan werkgelegenheid en beroep te bevorderen.
d) Er moet worden gewerkt aan verbetering van de kennis, aan bundeling van de middelen en aan uitwisseling van de ervaringen, met name door een Europees genderinstituut en een netwerk van deskundigen tot stand te brengen. De haalbaarheidsstudie moet in 2001 worden gerealiseerd.
e) De initiatieven en maatregelen om de gelijkheid van vrouwen en mannen in het beroepsleven te bevorderen, met name inzake beloning moeten worden uitgebreid en versterkt. Het bestaande initiatief voor vrouwelijke ondernemers moet verder worden ontwikkeld.
f) Zorgen voor een betere combinatie van gezins- en beroepsleven, met name door een goede opvang van kinderen en afhankelijke personen te stimuleren.
VI. DE SOCIALE ASPECTEN VAN DE UITBREIDING EN VAN DE BUITENLANDSE BETREKKINGEN VAN DE EUROPESE UNIE VERSTERKEN
De uitbreiding en de buitenlandse betrekkingen vormen, in meer dan één opzicht, een uitdaging en een mogelijkheid voor het communautair optreden op sociaal gebied. Het delen van ervaringen en strategieën met de kandidaat-lidstaten, meer bepaald om doeltreffender te reageren op de uitdagingen van de volledige werkgelegenheid en strijd tegen de uitsluiting, moet verder ontwikkeld worden; en er moet een geïntegreerde economische en sociale agenda worden bevorderd die overeenstemt met de Europese aanpak in de internationale instanties.
a) De uitbreiding moet worden voorbereid teneinde de economische en sociale vooruitgang in de uitgebreide Unie te bevorderen:
- er moet geregeld, in overleg met de sociale partners, van gedachten worden gewisseld over alle sociale aspecten van de uitbreiding;
- er moet worden bevorderd dat de kandidaat-lidstaten zich instellen op de Europese werkgelegenheidsstrategie, de verwezenlijking van de doelstellingen gericht op de bestrijding van armoede en sociale uitsluiting en de nauwere samenwerking op het gebied van sociale bescherming;
- er moet worden bijgedragen tot de ontwikkeling van de betrokken NGOs in de kandidaat-lidstaten.
b) Er moet een onderling afgestemde aanpak worden ontwikkeld met betrekking tot internationale sociale aangelegenheden in het kader van de multilaterale instellingen (Verenigde Naties, Wereldgezondheidsorganisatie, Raad van Europa, Internationale Arbeidsorganisatie en, in voorkomend geval, WTO, OESO).
c) De sociale dimensie van het samenwerkingsbeleid moet worden versterkt, in het bijzonder de bestrijding van de armoede, de ontwikkeling van volksgezondheid en onderwijs, en het in overweging nemen van de gelijkheid van mannen en vrouwen (meer bepaald in het kader van het Europees-mediterraan proces).
_______________
BIJLAGE II
VERKLARING
OVER DE DIENSTEN VAN ALGEMEEN ECONOMISCH BELANG
Uit het openbaar debat in de Raad (Interne markt/Consumenten/Toerisme) van 28 september 2000 en de schriftelijke bijdragen van de lidstaten zijn de volgende elementen naar voren gekomen:
Artikel 16 van het Verdrag, dat de rol consacreert die de diensten van algemeen economisch belang vervullen in de gemeenschappelijke waarden van de Europese Unie, luidt als volgt:
"Onverminderd de artikelen 73, 86 en 87 en gezien de plaats die de diensten van algemeen economisch belang in de gemeenschappelijke waarden van de Unie innemen, alsook de rol die zij vervullen bij het bevorderen van sociale en territoriale samenhang, dragen de Gemeenschap en de lidstaten er, in het kader van hun onderscheiden bevoegdheden en binnen het toepassingsgebied van dit Verdrag, zorg voor dat deze diensten functioneren op basis van beginselen en voorwaarden die hen in staat stellen hun taken te vervullen.".
In maart 2000 in Lissabon heeft de Europese Raad een integrale economische en sociale strategie voor de Europese Unie vastgesteld om, getrouw aan het Europees sociaal model, ervoor te zorgen dat deze diensten goed worden ingepast in het nieuwe economische tijdperk dat met de snelle ontwikkeling van de informatietechnologie zijn intrede heeft gedaan. In onze door mededinging gekenmerkte economieën is voor de diensten van algemeen economisch belang een fundamentele rol weggelegd: zij moeten de algemene concurrentiekracht van de Europese economie vrijwaren, die aantrekkelijk is vanwege de kwaliteit van de infrastructuur, de hoge opleidingsgraad van de werknemers, de versterkte en ontwikkelde netwerken op heel het grondgebied, en moeten de veranderingen die zich thans voltrekken begeleiden zodat de sociale en territoriale samenhang behouden blijft.
In dit verband is zeer positief gereageerd op de nieuwe, bijgewerkte mededeling van de Commissie over de diensten van algemeen belang, met name vanwege de volgende punten:
- de reikwijdte van de diensten van algemeen economisch belang moet niet onwrikbaar vastliggen maar rekening houden met de snelle ontwikkelingen die ons economisch, wetenschappelijk en technologisch klimaat doormaakt;
- de opening van de markt voor bepaalde diensten van algemeen economisch belang, die is ondernomen in het kader van het interne-marktprogramma, heeft positieve gevolgen gehad voor de beschikbaarheid, de kwaliteit en de prijs van deze diensten;
- de bijdrage van de diensten van algemeen economisch belang aan het Europese concurrentievermogen correspondeert met specifieke doelstellingen: bescherming van de consumentenbelangen, veiligheid van de gebruikers, sociale cohesie en ruimtelijke ordening, duurzame ontwikkeling;
- het belang van de beginselen van neutraliteit, vrijheid en evenredigheid wordt nogmaals bevestigd. Die beginselen garanderen dat de lidstaten vrij kunnen bepalen wat de taken zijn van de diensten van algemeen economisch belang en hoe deze diensten worden beheerd en gefinancierd, terwijl de Commissie erop toeziet dat de regels van de interne markt en de mededingingsregels worden geëerbiedigd;
- de diensten van algemeen economisch belang moeten hun taken vervullen met inachtneming van de legitieme verwachtingen van de consumenten en de burgers, die betaalbare prijzen in het kader van een transparant prijsstelsel willen, en streven naar een gelijke toegang tot kwaliteitsdiensten die onontbeerlijk zijn voor hun economische, territoriale en sociale integratie.
Daarnaast zijn een aantal bedenkingen geuit:
- De regels van de interne markt en de mededingingsregels moeten zo worden toegepast dat de diensten van algemeen economisch belang bij het vervullen van hun taken verzekerd zijn van de rechtszekerheid en de economische levensvatbaarheid die nodig zijn voor onder andere de beginselen van gelijke behandeling, kwaliteit en continuïteit van deze diensten. In dat verband moet met name worden gepreciseerd hoe de diensten van algemeen economisch belang kunnen worden gefinancierd op een wijze die verenigbaar is met de regels inzake overheidssteun. Met name steun ter compensatie van de extra kosten die voortvloeien uit de vervulling van taken van algemeen economisch belang moet met volledige inachtneming van artikel 86, lid 2, als verenigbaar worden aangemerkt.
- De bijdrage van de diensten van algemeen economisch belang aan de economische groei en het maatschappelijk welzijn wettigt een periodieke evaluatie, met inachtneming van het subsidiariteitsbeginsel, van de wijze waarop zij hun taken vervullen, met name op het gebied van kwaliteit van dienstverlening, toegankelijkheid, veiligheid en billijke en transparante prijzen. Die evaluatie kan plaatsvinden op basis van uitwisseling van goede praktijken of peer review, bijdragen van de lidstaten en verslagen van de Commissie, zulks op het passende niveau, bijvoorbeeld in het kader van het proces van Cardiff. De raadpleging van burgers en consumenten kan onder andere ook plaatsvinden in het kader van een forum zoals dat over "de interne markt ten dienste van de burgers en het bedrijfsleven".
Deze debatten, die in het kader van het bepaalde in artikel 16 van het Verdrag zijn gevoerd, hebben aangetoond dat het van belang is dat over deze thema's verder wordt nagedacht.
______________
BIJLAGE III
De Raad,
A. overwegende dat in de beginselen van het EG-Verdrag staat dat het optreden van de Gemeenschap gericht moet zijn op een hoog niveau van bescherming van de menselijke gezondheid, van de consumenten en van het milieu en dat deze doelstellingen moeten worden geïntegreerd in het beleid en het optreden van de Europese Unie;
B. overwegende dat in artikel 174, lid 2, van het Verdrag wordt gesteld dat het voorzorgsbeginsel deel uitmaakt van de beginselen waarmee rekening dient te worden gehouden in het milieubeleid van de Gemeenschap; overwegende dat dit beginsel eveneens van toepassing is op de menselijke gezondheid en op het gebied van dier- en plantgezondheid;
C. overwegende dat het dienstig kan zijn te gelegener tijd en in de passende fora de noodzaak en de mogelijkheid te bestuderen om, overeenkomstig de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, het voorzorgsbeginsel ook in andere verdragsbepalingen die met name verband houden met gezondheid en consumentenbescherming formeel te verankeren;
D. eraan herinnerend dat dit beginsel in het kader van de duurzame ontwikkeling past;
E. eraan herinnerend dat dit beginsel in verschillende internationale teksten wordt vermeld, in het bijzonder in de Verklaring van Rio van 1992, het Klimaatverdrag van 1992, het Biodiversiteitsverdrag van 1992, het Protocol inzake bioveiligheid van 2000 en verscheidene verdragen inzake de bescherming van het mariene milieu;
F. wijzend op het belang van de lopende besprekingen terzake in het kader van de Codex Alimentarius;
G. overwegende dat het voorzorgsbeginsel niet gebruikt mag worden om verkapte handelsbeperkingen op te leggen;
H. gelet op de algemene doelstellingen in de preambule van de Overeenkomst tot oprichting van de Wereldhandelsorganisatie (WTO), met name duurzame ontwikkeling en bescherming en behoud van het milieu; gelet op de algemene uitzonderingen in artikel XX van de GATT-Overeenkomst, artikel XIV van de Algemene overeenkomst inzake de handel in diensten (GATS) alsmede op artikel 5, lid 7, van de Overeenkomst inzake sanitaire en fytosanitaire maatregelen (SPS), waarin voorschriften worden gegeven met betrekking tot de procedure die gevolgd moet worden in het geval van risico en van onvoldoende wetenschappelijk bewijs; voorts gelet op de Overeenkomst inzake technische handelsbelemmeringen (TBT), waarin het mogelijk wordt gemaakt rekening te houden met de risico's voor de gezondheid en de veiligheid van mensen, het leven van planten of dieren en voor het milieu, die door de niet-toepassing van maatregelen zouden kunnen worden veroorzaakt;
I. overwegende dat de Europese Unie groot belang stelt in steun aan ontwikkelingslanden, met het oog op toetreding van deze landen tot de SPS-Overeenkomst en de TBT-Overeenkomst, rekening houdend met de bijzondere moeilijkheden die ze in dit verband ondervinden;
J. herinnerend aan de aanbevelingen van de panels van de WTO, met name van de beroepsinstantie inzake "hormonen", betreffende het recht van de leden van de WTO om het door hen passend geachte niveau van bescherming van de gezondheid vast te stellen, dat hoger kan zijn dan in de bestaande normen, richtlijnen en aanbevelingen, alsook rekening te houden met de meningen van een minderheid van de deskundigen;
K. zich ervan bewust dat de verantwoordelijkheid om voor een hoog niveau van bescherming van de gezondheid en het milieu te zorgen bij de overheden berust en dat deze moeten ingaan op de toenemende bezorgdheid onder het publiek over de gevaren waaraan het kan worden blootgesteld;
----------------------
1. is ingenomen met het initiatief van de Commissie om een mededeling in te dienen over het voorzorgsbeginsel en sluit zich bij de hoofdlijnen daarvan aan;
2. is van oordeel dat het voorzorgsbeginsel van toepassing is op het beleid en het optreden van de Gemeenschap en haar lidstaten en dat het betrekking heeft op het optreden van de overheden, zowel op het niveau van de communautaire instellingen als op het niveau van de lidstaten; dat deze overheden alles in het werk moeten stellen om te bereiken dat dit in de relevante internationale fora ten volle wordt erkend;
3. constateert dat het voorzorgsbeginsel geleidelijk de status verwerft van volkenrechtelijk beginsel op het gebied van de gezondheids- en milieubescherming;
4. is van mening dat de voorschriften van de WTO het a priori mogelijk maken rekening te houden met het voorzorgsbeginsel;
5. is van mening dat de Gemeenschap en de lidstaten volgens het volkenrecht het recht hebben om een beschermingsniveau te verwezenlijken dat zij in het kader van het risicobeheer passend achten; dat zij voor dit doel passende maatregelen kunnen treffen uit hoofde van het voorzorgsbeginsel; en dat het niet altijd mogelijk is van tevoren voor alle situaties vast te stellen welk beschermingsniveau noodzakelijk is;
6. acht het noodzakelijk dat er richtsnoeren voor de toepassing van het voorzorgsbeginsel opgesteld worden om de wijze van uitvoering ervan duidelijk aan te geven;
---------------------------
7. is van mening dat gebruik moet worden gemaakt van het voorzorgsbeginsel wanneer de mogelijkheid van schadelijke gevolgen voor de gezondheid of het milieu wordt vastgesteld en wanneer na een eerste wetenschappelijke risico-evaluatie, op basis van de beschikbare gegevens, onzekerheid blijft bestaan over het risiconiveau;
8. is van mening dat er bij een wetenschappelijke risico-evaluatie een logische benadering moet worden gevolgd waarbij wordt gepoogd het gevaar te bepalen en de aard ervan te omschrijven, de blootstelling te meten en de aard van het risico te omschrijven, aan de hand van bestaande door de Gemeenschap of internationaal erkende procedures, en is van oordeel dat die stappen wegens onvoldoende gegevens en de aard of de urgentie van het gevaar, soms niet stelselmatig kunnen worden voltooid;
9. is van oordeel dat de overheid ervoor moet zorgen dat zij voor het uitvoeren van de risico-evaluatie over een passend onderzoekskader beschikt, door met name een beroep te doen op wetenschappelijke comités en op in nationaal en internationaal verband verricht onderzoek; dat de overheid verantwoordelijk is voor de organisatie van de risico-evaluatie die op multidisciplinaire, contradictoire, onafhankelijke en doorzichtige wijze moet worden verricht;
10. is van mening dat eventuele minderheidsadviezen in de risico-evaluatie moeten worden opgenomen. Deze adviezen moeten tot uitdrukking kunnen worden gebracht en moeten ter kennis worden gebracht van de betrokken actoren, vooral voorzover erin wordt gewezen op het ontbreken van wetenschappelijke zekerheid;
11. bevestigt dat er een functionele scheiding moet zijn tussen degenen die verantwoordelijk zijn voor de wetenschappelijke risico-evaluatie en degenen die belast zijn met het risicobeheer, maar dat tussen hen wel een voortdurende dialoog dient te worden ontwikkeld;
12. is van oordeel dat de maatregelen inzake risicobeheer moeten worden genomen door de verantwoordelijke overheden op basis van een politieke beoordeling van het nagestreefde beschermingsniveau;
13. is van mening dat bij de keuze van de te nemen maatregelen inzake risicobeheer het hele scala van maatregelen moet worden bekeken waarmee het nagestreefde beschermingsniveau bereikt kan worden;
---------------------------
14. is van mening dat alle fasen op transparante wijze dienen te worden verwezenlijkt, met name de evaluatie- en risicobeheerfase, met inbegrip van de follow-up van de genomen maatregelen;
15. is van oordeel dat de civiele samenleving bij een en ander moet worden betrokken en dat aan het raadplegen van alle betrokken partijen in een zo vroeg mogelijk stadium bijzondere aandacht moet worden besteed;
16. is van mening dat de wetenschappelijke adviezen en de maatregelen inzake risicobeheer op passende wijze moeten worden meegedeeld;
---------------------------
17. is van mening dat bij de maatregelen die worden genomen het evenredigheidsbeginsel in acht moet worden genomen; door rekening te houden met de risico's op korte en lange termijn en het beoogde hoge beschermingsniveau na te streven;
18. is van mening dat de maatregelen bij hun toepassing niet tot willekeurige of onverantwoorde discriminatie mogen leiden; wanneer er meer mogelijkheden bestaan om hetzelfde niveau van gezondheid en milieu te bereiken, moeten de maatregelen genomen worden die het minst restrictief zijn voor het handelsverkeer;
19. is van mening dat de maatregelen samenhang zouden moeten vertonen met maatregelen die eerder in soortgelijke situaties zijn genomen of waarbij een soortgelijke aanpak wordt gevolgd, rekening houdend met de meest recente wetenschappelijke ontwikkelingen en de evolutie van het nagestreefde beschermingsniveau;
20. benadrukt dat bij de maatregelen die worden genomen ervan wordt uitgegaan dat de voordelen en de kosten die voortvloeien uit het handelen of nalaten, zijn bestudeerd. Deze studie moet rekening houden met de sociale en de milieukosten, alsook met de aanvaardbaarheid voor de bevolking van de verschillende mogelijke opties, en dient wanneer dat haalbaar is, een economische analyse te omvatten, met dien verstande dat de vereisten die aan de bescherming van de volksgezondheid verbonden zijn, de effecten van het milieu op de volksgezondheid daaronder begrepen, als prioritair moeten worden erkend;
21. is van oordeel dat de uit hoofde van het voorzorgsbeginsel genomen besluiten zullen moeten worden herzien naar gelang van de ontwikkeling van de wetenschappelijke kennis. Daartoe moet worden gezorgd voor een follow-up van de effecten van deze besluiten en moet aanvullend onderzoek worden verricht om het niveau van onzekerheid te verlagen;
22. is van mening dat de bevoegde overheid, bij de vaststelling van de maatregelen die uit hoofde van het voorzorgsbeginsel worden genomen en in het kader van de follow-up daarvan, de mogelijkheid heeft op basis van op passend niveau vastgestelde duidelijke regels per geval te bepalen wie de wetenschappelijke elementen moet verschaffen die nodig zijn voor een vollediger risico-evaluatie;
Een dergelijke verplichting kan per geval verschillen en moet erop gericht zijn een bevredigend evenwicht tot stand te brengen tussen de overheidsinstanties, de wetenschappelijke organen en de marktdeelnemers, waarbij met name rekening moet worden gehouden met de verplichtingen die op de marktdeelnemers rusten vanwege hun activiteiten.
---------------------------
23. verbindt zich ertoe de beginselen van deze resolutie toe te passen;
24. verzoekt de Commissie
·
haar richtsnoeren over de voorwaarden voor de hantering van het voorzorgsbeginsel systematisch toe te passen, rekening houdend met de specifieke kenmerken van de verschillende sectoren waarin zij waarschijnlijk zullen worden toegepast;·
wanneer nodig het voorzorgsbeginsel in haar wetgevingsvoorstellen en in alle aspecten van haar optreden te integreren;25. verzoekt de lidstaten en de Commissie:
·
bijzonder belang te hechten aan het ontwikkelen van de wetenschappelijke deskundigheid en aan de noodzakelijke institutionele coördinatie;·
te bewerkstelligen dat het voorzorgsbeginsel in de op het gebied van gezondheid, milieu en internationale handel bevoegde internationale fora volledig wordt erkend, met name op basis van de in deze resolutie voorgestelde principes, deze doelstelling te bevorderen en ervoor te zorgen dat er meer acht op wordt geslagen, in het bijzonder in WTO-verband, en haar tegelijk te verduidelijken;·
de bevolking en de verschillende actoren zoveel mogelijk voor te lichten over de stand van de wetenschappelijke kennis, over de inzet en over de risico's waaraan zij, evenals hun omgeving, worden blootgesteld;·
zich actief in te zetten om met de internationale partners overeenstemming te bereiken over de toepassing van het beginsel;·
deze resolutie een zo groot mogelijke verspreiding te geven.
____________
BIJLAGE IV
VERKLARING OVER DE SPECIFIEKE KENMERKEN VAN DE SPORT
EN DE MAATSCHAPPELIJKE FUNCTIE DAARVAN IN EUROPA,
WAARMEE BIJ DE UITVOERING VAN HET COMMUNAUTAIRE BELEID
REKENING MOET WORDEN GEHOUDEN
1. De Europese Raad heeft nota genomen van het verslag over sport dat de Commissie in december 1999 aan de Europese Raad van Helsinki heeft voorgelegd om de bestaande sportstructuren in stand te houden en de sport zijn sociale functie in de Europese Unie te laten behouden. De verantwoordelijkheid op sportgebied ligt in de eerste plaats bij de sportorganisaties en de lidstaten. Ook al beschikt de Gemeenschap niet over rechtstreekse bevoegdheden op dit gebied, toch moet zij bij haar optreden uit hoofde van de verschillende Verdragsbepalingen rekening houden met de maatschappelijke, educatieve en culturele functie van de sport, die het specifieke karakter ervan bepaalt, teneinde de ethiek en de solidariteit die noodzakelijk zijn voor het behoud van de maatschappelijke rol van de sport, te eerbiedigen en te bevorderen.
2. De Europese Raad wenst met name dat de samenhang en de banden van solidariteit tussen alle niveaus van sportbeoefening, het eerlijke verloop van de wedstrijden, de morele en materiële belangen alsmede de lichamelijke integriteit van de sporters, met name jonge, minderjarige sporters, worden beschermd.
Amateursport en sport voor allen
3. Sport is een menselijke activiteit die berust op essentiële maatschappelijke waarden van educatieve en culturele aard. Sport is een factor die bijdraagt tot integratie, deelneming aan het maatschappelijk leven, verdraagzaamheid, aanvaarding van verschillen en naleving van de regels.
4. Sportbeoefening moet toegankelijk zijn voor allen, met inachtneming van de ambities en capaciteiten van eenieder en uitgaande van de verscheidenheid aan sportbeoefening, in wedstrijdverband of op recreatieve grondslag, in clubverband of individueel.
5. De beoefening van fysieke en sportieve activiteiten is voor lichamelijk of geestelijk gehandicapten een middel dat bij uitstek geschikt is voor individuele ontplooiing, revalidatie, maatschappelijke integratie en solidariteit en moet derhalve worden aangemoedigd. In dit verband is de Europese Raad verheugd over de waardevolle en voorbeeldige bijdrage van de Paralympics in Sydney.
6. De lidstaten bevorderen het vrijwilligerswerk op sportgebied, door maatregelen die bijdragen tot passende bescherming en erkenning van de economische en sociale rol van de vrijwilligers, zo nodig met de steun van de Gemeenschap binnen het kader van haar bevoegdheden.
De rol van de sportbonden
7. De Europese Raad verklaart veel waarde te hechten aan de autonomie van de sportorganisaties en aan hun recht op zelfbestuur door middel van passende verenigingsstructuren. Hij erkent dat sportorganisaties, onder inachtneming van de nationale en communautaire wetgeving en op basis van een democratisch en transparant functioneren, de taak hebben hun tak van sport te organiseren en te bevorderen, met name wat betreft de spelregels en de samenstelling van de nationale ploegen, op de wijze die zij het meest in overeenstemming achten met hun doelstellingen.
8. Hij constateert dat de sportbonden een centrale rol spelen bij de noodzakelijke solidariteit tussen de verschillende niveaus omdat de verschillende niveaus van de sportbeoefening, van recreatiesport tot topsport, daarin naast elkaar bestaan: de bonden maken de toegang van een groot publiek tot sportevenementen mogelijk, alsmede de menselijke en financiële ondersteuning van de amateursport, de bevordering van gelijke toegang van vrouwen en mannen tot sportbeoefening op alle niveaus, de opleiding van jongeren, de bescherming van de gezondheid van sporters, de bestrijding van doping, de bestrijding van geweld en uitingen van racisme en vreemdelingenhaat.
9. Deze maatschappelijke functie geeft de bonden bijzondere verantwoordelijkheden en ligt ten grondslag aan de erkenning van hun bevoegdheid op het vlak van de wedstrijdorganisatie.
10. Zonder dat voorbij mag worden gegaan aan de ontwikkelingen in de sportwereld, moeten de bonden het sleutelelement blijven van een vorm van organisatie die een waarborg biedt voor samenhang en participerende democratie op sportgebied.
Behoud van het beleid ten aanzien van de opleiding van sporters
11. Het beleid inzake de opleiding van jonge sporters is noodzakelijk voor de vitaliteit van de sport, de nationale ploegen en de topsport, en moet worden gestimuleerd. De sportbonden worden geacht, zo nodig in samenwerking met de overheid, de noodzakelijke maatregelen te nemen voor het behoud van de opleidingscapaciteit van de bij hen aangesloten clubs en voor de kwaliteit van de vorming, onder inachtneming van de nationale en communautaire wetgeving en praktijken.
Bescherming van jeugdige sporters
12. De Europese Raad onderstreept de positieve effecten van sportbeoefening voor jongeren en beklemtoont dat vooral door de sportorganisaties bijzondere aandacht moet worden besteed aan het onderwijs en de beroepsopleiding van jonge topsporters, opdat hun integratie in het beroepsleven niet in gevaar wordt gebracht door hun sportcarrière, en aan hun psychologisch evenwicht, hun gezinsbanden en hun gezondheid, vooral wat betreft het voorkomen van dopinggebruik. Hij waardeert de bijdrage van de verenigingen en organisaties die in hun opleidingswerk aan deze vereisten voldoen en aldus een waardevolle maatschappelijke bijdrage leveren.
13. De Europese Raad geeft uiting aan zijn bezorgdheid over commerciële transacties met minderjarige sporters, ook uit derde landen, voor zover dergelijke transacties niet in overeenstemming zijn met de bestaande arbeidswetgeving dan wel de gezondheid en het welzijn die jonge sporters in gevaar brengen. Hij roept de sportorganisaties en de lidstaten op onderzoek te doen naar dergelijke praktijken, op dit punt waakzaam te zijn en zo nodig passende maatregelen te overwegen.
Economische aspecten van de sport en solidariteit
14. De Europese Raad is van oordeel dat het eerlijke verloop van de competitie in het gedrang kan komen wanneer de eigendom of de economische controle van verscheidene sportclubs die in dezelfde tak van sport aan dezelfde competitie deelnemen bij een en dezelfde financiële macht berust. De sportbonden worden aangespoord om zo nodig regelingen te treffen voor toezicht op het beheer van de clubs.
15. De verkoop van televisierechten vormt op dit moment voor een aantal takken van sport een van de belangrijkste bronnen van inkomsten. De Europese Raad is van oordeel dat de initiatieven om de onderlinge verdeling - op de juiste niveaus en rekening houdende met de nationale praktijken - van een deel van de opbrengst van die verkoop te bevorderen, een gunstig effect hebben op het beginsel van solidariteit tussen alle niveaus van sportbeoefening en alle takken van sport.
Transfers
16. De Europese Raad spreekt met kracht zijn steun uit voor de dialoog tussen de sportwereld, in het bijzonder de voetbalorganisaties, de vertegenwoordigende organisaties van beroepssporters, de Gemeenschap en de lidstaten, over de ontwikkeling van de transferregeling, waarbij rekening wordt gehouden met de specifieke behoeften van de sport onder inachtneming van het Gemeenschapsrecht.
**********
17. De communautaire instellingen en de lidstaten wordt verzocht om onder inachtneming van het Verdrag en volgens hun respectieve bevoegdheden hun beleid aan de hand van deze algemene beginselen te blijven onderzoeken.
_______________
BIJLAGE V
RESOLUTIE VAN DE RAAD
EN DE VERTEGENWOORDIGERS VAN DE REGERINGEN VAN DE LIDSTATEN,
IN HET KADER VAN DE RAAD BIJEEN
van 14 december 2000
houdende een Actieplan voor de mobiliteit
DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE EN DE VERTEGENWOORDIGERS VAN DE REGERINGEN VAN DE LIDSTATEN, IN HET KADER VAN DE RAAD BIJEEN,
ERVAN OVERTUIGD dat de totstandbrenging van een werkelijke Europese kennisruimte een prioriteit van de Europese Gemeenschap is en dat de Europeanen zich door middel van het onderwijs de gemeenschappelijke culturele referenties eigen zullen maken die de grondslag vormen voor een Europees burgerschap en een politiek Europa.
ERVAN OVERTUIGD dat deze idee berust op de wederzijdse ontdekking van onze verscheidenheid en onze complementariteit en dat dit inhoudt dat persoonlijke contacten en de uitwisseling van kennis en ervaringen worden ontwikkeld.
ERVAN OVERTUIGD dat het derhalve van fundamenteel belang is dat begrijpelijke en door alle lidstaten gedragen acties worden ondernomen voor jongeren, middelbare scholieren, studenten, onderzoekers, en wie ook maar een opleiding volgt, en voor hun docenten; dat wij door gestalte te geven aan het Europa van de intelligentie bij de mensen een werkelijk gevoel zullen creëren dat zij deel uitmaken van Europa.
ZICH ERVAN BEWUST dat dit Europa van de kennis tevens een economische noodzaak is; dat in een internationaal geworden economie die steeds meer op kennis is gebaseerd, het openstaan voor vreemde culturen en de mogelijkheid om zich in een meertalige omgeving te vormen en daarin te werken van essentieel belang zijn voor het concurrentievermogen van de Europese economie.
ERVAN OVERTUIGD dat de ontwikkeling van de mobiliteit van jongeren, middelbare scholieren, studenten, onderzoekers, wie ook maar een opleiding volgt en van hun docenten in Europa derhalve een zeer belangrijke politieke doelstelling vormt; dat daarvoor een engagement en inspanningen van zowel de Europese Gemeenschap als van de lidstaten nodig zijn.
NEMEN ER AKTE VAN dat Europa om dit doel te bereiken nu reeds beschikt over een waardevol instrumentarium: in dit verband hebben de communautaire programma's SOCRATES, LEONARDO da VINCI en JEUGD veel betekend, en de essentiële rol die zij spelen zal met de tweede programmageneratie nog toenemen.
ERVAN OVERTUIGD dat op de ingeslagen weg moet worden voortgegaan; het aantal mobiele personen neemt weliswaar toe, maar blijft klein; het gaat bijvoorbeeld bij studenten om een klein percentage; er zijn nog belangrijke hinderpalen zoals: ongelijke toegang tot informatie, financiële obstakels, administratieve moeilijkheden op fiscaal gebied en inzake sociale bescherming, complexe verblijfsformaliteiten, nadelen qua statuut en loopbaan.
NEMEN ER AKTE VAN dat de buitengewone Europese Raad van Lissabon van 23 en 24 maart 2000 heeft gewezen op de urgentie om deze hinderpalen weg te nemen en de mobiliteit in de hand te werken, en in zijn conclusies de Raad en de Commissie verzoekt om "tegen eind 2000 te bepalen met welke middelen de mobiliteit van studenten, docenten en opleidings- en onderzoekspersoneel kan worden bevorderd, zowel door optimaal gebruik te maken van de bestaande communautaire programma's, door obstakels weg te nemen, als door een grotere transparantie wat de erkenning van kwalificaties en tijdvakken van studie en opleiding betreft" (punt 26).
VERBINDEN ZICH ERTOE, teneinde in te spelen op de hoge verwachtingen van hun medeburgers, om, met de steun van de Commissie, elk op hun gebied, en met volledige naleving van het subsidiariteitsbeginsel, de nodige bepalingen aan te nemen om de obstakels voor de mobiliteit weg te werken en de ontwikkeling daarvan aan te moedigen.
ZIJN VAN OORDEEL dat deze resolutie geenszins vooruitloopt op het belangrijke werk dat de Commissie en de Raad reeds in gang hebben gezet om de bevordering van de mobiliteit in een passend juridisch kader in te bedden - met name niet op het voorstel voor een aanbeveling betreffende de mobiliteit, waarvan een spoedige aanneming wenselijk is -, maar daarentegen tot doel heeft de uitvoering van communautaire initiatieven op dit gebied te vergemakkelijken door mogelijke concrete acties in overweging te geven. Deze zullen worden uitgevoerd in nauwe samenwerking met alle betrokken actoren en instellingen, meer bepaald de universiteiten, waarvan de deelname essentieel is, wil men hiermee succes behalen.
STAAN POSITIEF tegenover bijgaand actieplan voor mobiliteit, dat op 30 september 2000 op de Sorbonne is voorgelegd aan de ministers van Onderwijs. Dit plan voldoet aan drie grote doelstellingen:
- de mobiliteit in Europa definiëren en democratiseren,
- passende vormen van financiering aanmoedigen,
- de mobiliteit verhogen en de voorwaarden ervoor verbeteren.
De in het actieplan genoemde maatregelen zijn opgezet als een "kit" met 42 maatregelen, die bestaat uit 4 grote hoofdstukken waarvan de draagwijdte en de combinatie ten doel hebben de hinderpalen die gegadigden voor een mobiliteitsactie waar dan ook kunnen tegenkomen, te onderkennen en weg te werken.
Het eerste hoofdstuk heeft betrekking op acties die de mobiliteit moeten bevorderen door middel van maatregelen inzake de opleiding van personen die bijdragen tot de uitvoering van de mobiliteit, de ontwikkeling van meertaligheid en de toegang tot nuttige informatie.
Het tweede hoofdstuk heeft te maken met de financiering van de mobiliteit en in het kader daarvan wordt getracht een reeks maatregelen te omschrijven om alle beschikbare financiële bronnen aan te boren.
Het derde hoofdstuk behelst de verhoging en verbetering van de mobiliteit door deze in zoveel mogelijk verschillende vormen te gieten en door de opvang en de organisatie van tijdschema's te verbeteren.
Het vierde hoofdstuk tot slot omschrijft de maatregelen die erop gericht zijn de mobiliteitsperiodes en de opgedane ervaring te erkennen.
ERVAN OVERTUIGD dat, waar alle lidstaten, met medewerking van de Commissie, op vrijwillige basis uitvoering zullen geven aan die acties waarmee de belemmeringen voor de mobiliteitskandidaten huns inziens het best uit de weg kunnen worden geruimd, alle het er nu reeds over eens zijn dat de volgende maatregelen uit het actieplan van bijzonder belang zijn:
- de meertaligheid ontwikkelen;
- een portaalsite opzetten die toegang verschaft tot de verschillende Europese informatiebronnen over mobiliteit;
- de mobiliteitsperiodes erkennen in de opleidingen voor een diploma;
- de docenten en het administratief personeel opleiden tot werkelijke actoren van de mobiliteit die mobiliteitsprojecten kunnen adviseren, oriënteren en opstellen;
- een kwaliteitshandvest opstellen en aannemen dat de opvang van onderdanen in opleiding van andere landen in opleiding garandeert;
- een inventaris opstellen van bestaande mobiliteitstrajecten en goede praktijken, van uitwisselingen van studenten, personen in opleiding en docenten;
- de financieringsmiddelen voor mobiliteit van de Unie, de lidstaten, de plaatselijke overheid, de overheids- en de privé-sector op elkaar afstemmen;
STELLEN VOOR dat, in het kader van de voortschrijdende agenda zoals ingesteld door de Raad in zijn Resolutie van 17 december 1999 ( 1), en met het oog op een regelmatige evaluatie van de bij de verwezenlijking van de doelstellingen geboekte vooruitgang, de Raad, in samenwerking met de andere betrokken Europese instellingen, op gezette tijden - in beginsel om de twee jaar - een balans van de situatie opmaakt.
HERINNEREN ERAAN dat dit plan ook maatregelen met een grotere reikwijdte omvat die een bredere coördinatie vergen binnen elke lidstaat alsook tussen de Commissie en de overheidsinstanties van de lidstaten.
Overeenkomstig de conclusies van de buitengewone Europese Raad van Lissabon wordt deze resolutie voorgelegd aan de Europese Raad van Nice.
_______________
BIJLAGE VI
VERSLAG VAN HET VOORZITTERSCHAP
OVER HET EUROPEES VEILIGHEIDS- EN DEFENSIEBELEID
Inleiding
De inspanningen die sinds de Europese Raden van Keulen, Helsinki en Feira zijn gedaan, hebben tot doel de Europese Unie de middelen te verschaffen om haar rol op het internationale toneel volwaardig te spelen en haar verantwoordelijkheid in crisissituaties te dragen, door haar naast het instrumentarium waarover zij reeds beschikt, de bevoegdheid te verlenen om in veiligheids- en defensieaangelegenheden autonoom te besluiten en op te treden. Het specifieke karakter van de Unie in haar houding ten aanzien van crisissituaties ligt in haar vermogen om een breed scala van zowel civiele als militaire middelen en instrumenten in te zetten, waardoor zij over een alomvattend crisisbeheersings- en conflictpreventievermogen beschikt, ten behoeve van de doelstellingen van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid.
Door deze bevoegdheid om autonoom te besluiten en op te treden te ontwikkelen en, wanneer de NAVO als dusdanig niet optreedt, als reactie op internationale crises onder leiding van de Europese Unie militaire operaties te starten en uit te voeren, zal de Europese Unie in staat zijn de Petersbergtaken, zoals deze bepaald zijn in het Verdrag betreffende de Europese Unie, in hun geheel te vervullen: humanitaire en reddingsopdrachten, vredeshandhavingsopdrachten en opdrachten van strijdkrachten op het gebied van crisisbeheersing, met inbegrip van het tot stand brengen van vrede. Dat betekent niet dat er een Europees leger wordt opgericht. Willen de lidstaten bij dergelijke operaties nationale middelen inzetten, dan beslissen zij daartoe soeverein. Voor de betrokken lidstaten blijft de NAVO de grondslag van de collectieve defensie van haar leden en zal deze organisatie een belangrijke rol blijven spelen in de crisisbeheersing. De ontwikkeling van het Europees veiligheids- en defensiebeleid (EVDB) draagt bij aan de vitaliteit van een hernieuwde transatlantische band en krijgt tevens vorm door een werkelijk strategisch partnerschap tussen de EU en de NAVO op het gebied van crisisbeheersing, waarbij de beslissingsautonomie van beide organisaties geëerbiedigd wordt.
De ontwikkeling van het Europees veiligheids- en defensiebeleid verstevigt de bijdrage van de Unie aan de internationale vrede en veiligheid, conform de beginselen van het Handvest van de Verenigde Naties. De Europese Unie erkent de primaire verantwoordelijkheid van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties voor de handhaving van de internationale vrede en veiligheid.
Tijdens de besprekingen die gedurende het voorzitterschap zijn gevoerd, is gewezen op het nut van de samenwerking tussen de Unie en de Verenigde Naties, alsmede met de OVSE en de Raad van Europa, naarmate de Unie haar vermogens op het gebied van crisisbeheersing en conflictpreventie ontwikkelt. In dat verband heeft de secretaris-generaal van de Verenigde Naties ook een voorstel gedaan voor nauwere samenwerking tussen de EU en de Verenigde Naties. De Europese Unie is ingenomen met de recente contacten tussen de secretaris-generaal van de VN, de secretaris-generaal/hoge vertegenwoordiger, het voorzitterschap en de trojka van de EU.
De ontwikkeling van de Europese crisisbeheersingsvermogens verruimt het instrumentarium waarover de internationale gemeenschap beschikt om op crisissituaties te reageren. Door de inspanningen die worden gedaan, zullen de Europeanen met name efficiënter en coherenter kunnen reageren op verzoeken van leidende organisaties zoals de VN of de OVSE. Deze ontwikkeling vormt een integrerend bestanddeel van de versterking van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid.
In het kader van de presentatie van dit verslag heeft het voorzitterschap er nota van genomen dat Denemarken het aan het Verdrag van Amsterdam gehechte Protocol nr. 5 betreffende de positie van Denemarken heeft gememoreerd.
De voornaamste uitdaging voor de lidstaten is de ontwikkeling van militaire vermogens die voor crisisbeheersing ter beschikking van de EU kunnen worden gesteld. Het is van belang de inspanningen van de lidstaten op dit gebied te mobiliseren.
Tijdens de Conferentie over de toezegging van vermogens, die op 20 november in Brussel is gehouden, is gebleken dat de Europeanen in staat zijn op kwantitatief vlak geheel te voorzien in de behoeften die zijn vastgesteld voor de uitvoering van de verschillende soorten crisisbeheersingstaken in het kader van het in Helsinki vastgestelde hoofddoel.
Bij deze gelegenheid hebben de lidstaten ook te kennen gegeven dat zij vastbesloten zijn de nodige inspanningen te leveren om hun operationele vermogens nog verder te verbeteren, teneinde volledig te kunnen voldoen aan de eisen van de meest veeleisende Petersbergtaken, met name wat betreft beschikbaarheid, inzetbaarheid, voortzettingsvermogen en interoperabiliteit. Met betrekking tot hun collectieve doelstellingen zijn de lidstaten overeengekomen hun inspanningen op het gebied van bevelvoering en controle, inlichtingen en lucht- en zeemachtvermogens voor strategisch transport voort te zetten.
De Raad heeft zijn goedkeuring gehecht aan de verklaring betreffende de toezegging van militaire vermogens, die na afloop van zijn bijeenkomst van 20 november bekend is gemaakt, alsmede aan de omschrijving van een evaluatiemechanisme voor de militaire vermogens.
Door dit mechanisme kan de EU voor de follow-up zorgen en gemakkelijker vooruitgang boeken met de verwezenlijking van de toezeggingen die zijn gedaan om het hoofddoel te bereiken, haar doelstellingen in het licht van de gewijzigde omstandigheden herzien, en ook bijdragen tot de samenhang tussen de in het kader van de EU gedane toezeggingen en, voor de betrokken landen, de doelstellingen die zijn aanvaard in het kader van de NAVO-planning en van het plannings- en toetsingsproces van het partnerschap voor de vrede. Deze documenten gaan in de bijlage bij dit verslag.
Tijdens de ministeriële ontmoetingen met de Europese NAVO-landen die geen EU-lidstaten zijn en andere kandidaat-lidstaten van de EU, die in het verlengde van de conferentie over de toezegging van vermogens hebben plaatsgevonden, zijn aanvullende bijdragen van deze landen aangekondigd, met het oog op hun deelneming aan door de EU geleide operaties. De lidstaten zijn ingenomen met deze bijdragen, die de voor de door de EU geleide crisisbeheersingsoperaties beschikbare vermogens verbreden en versterken.
De Europese Unie heeft de ontwikkeling van de civiele vermogens voortgezet op de vier door de Europese Raad van Feira als prioritair aangemerkte gebieden: politie, versterking van de rechtsstaat, versterking van het civiele bestuur en de civiele bescherming. De werkzaamheden waren gericht op de verwezenlijking van de concrete politiedoelstelling dat de lidstaten vóór 2003 5000 politieagenten voor internationale missies ter beschikking moeten kunnen stellen, waarvan er 1000 binnen 30 dagen moeten kunnen worden ingezet, alsmede op het formuleren van concrete doelstellingen op het gebied van de versterking van de rechtsstaat. Tijdens de werkzaamheden van het Comité voor de civiele aspecten van crisisbeheersing is er aanzienlijke vooruitgang geboekt op het gebied van de uitwerking van de politiedoelstelling. Er zijn methodes ontwikkeld en er zijn inzetconcepten uitgewerkt. Nu gaat het erom vorm te geven aan de toezeggingen van de lidstaten door een oproep voor vrijwillige bijdragen. Voorts heeft men het noodzakelijk geacht bij het secretariaat-generaal van de Raad een permanente expertise op het gebied van politie te ontwikkelen.
Op basis van de werkzaamheden over de versterking van de rechtsstaat, de tweede prioriteit van Feira, zullen concrete doelstellingen kunnen worden bepaald die sporen met de ontwikkeling van de politievermogens van de Unie. Het seminar dat daarover op 25 oktober in Brussel is gehouden, heeft de eerste denkbeelden en beleidsvoornemens voor de voortzetting van de werkzaamheden in het Comité voor de civiele aspecten van crisisbeheersing opgeleverd. Zo wordt er bij het secretariaat-generaal van de Raad een gegevensbank in het leven geroepen ter inventarisering van de vermogens van de lidstaten om de justitiële en penitentiaire stelsels te herstellen.
Er zijn besprekingen gestart over de samenwerking met de VN, de OVSE en de Raad van Europa, die zullen worden voortgezet.
De bijdrage van niet-lidstaten van de EU aan civiele crisisbeheersingsoperaties van de EU, met name EU-politiemissies, zal in welwillende overweging worden genomen volgens nog te bepalen modaliteiten.
De bijlage bevat een document met de belangrijkste elementen van de besprekingen over de civiele aspecten van crisisbeheersing.
Het proces dat sinds de Europese Raad van Keulen op gang is gekomen heeft tot doel dat de Europese Unie voor de crisisbeheersing in het geheel kan instaan. Om haar rol op het internationale toneel volwaardig te spelen, moet de EU kunnen beschikken over het complete instrumentarium dat nodig is voor een algehele aanpak van crisisbeheersing, en moet zij met name:
- een samenhangende Europese aanpak inzake crisisbeheersing en conflictpreventie ontwikkelen;
- de synergie tussen de civiele en militaire aspecten van crisisbeheersing waarborgen;
- het volledige scala van de Petersbergtaken bestrijken.
Opdat de Europese Unie haar verantwoordelijkheden ten volle kan dragen, heeft de Europese Raad besloten de volgende permanente politieke en militaire organen in te stellen, die operationeel moeten worden gemaakt:
- het Politiek en Veiligheidscomité (PVC);
- het Militair Comité van de Europese Unie;
- de Militaire Staf van de Europese Unie (EUMS).
De documenten met een beschrijving van de samenstelling, de bevoegdheden en de werking van deze instanties gaan in bijlage dezes.
De middelen die nodig zijn voor de werking van deze instanties, met name van de Militaire Staf, zullen onverwijld moeten worden opgevoerd.
Ten behoeve van de doeltreffendheid en de samenhang van de civiele en militaire aspecten van crisisbeheersing is het noodzakelijk een structuur in het leven te roepen die synergie tussen de civiele en militaire instrumenten mogelijk maakt.
Daartoe heeft de secretaris-generaal/hoge vertegenwoordiger een document voorgelegd (doc. 13957/1/00 REV 1 + COR 1) dat als referentiekader geldt en waarvan met belangstelling nota is genomen. Het secretariaat-generaal van de Raad heeft voorts een ander document verspreid, over de procedures voor crisisbeheersing met een bijlage over het situatiecentrum. Dit document zal grondig worden geanalyseerd, vervolgens uitgetest en getoetst, en eventueel aangepast aan de ervaring en vervolgens bekrachtigd.
In deze crisisbeheersingsstructuur heeft het PVC een sleutelrol te spelen bij de vaststelling en de follow-up van de reactie van de EU op een crisis. De secretaris-generaal/hoge vertegenwoordiger, die het PVC kan voorzitten, speelt een belangrijke stuwende rol. Hij draagt ook bij aan de doeltreffendheid en de zichtbaarheid van het optreden en het beleid van de Unie.
Het project van de EU is een open project. Voor een doeltreffende crisisbeheersing wil de Europese Unie profiteren van de bijdragen van de Europese NAVO-landen die geen EU-lidstaten zijn en andere kandidaat-lidstaten van de EU, met name die welke zich bereid en in staat hebben getoond aanzienlijke middelen in te zetten om aan de Petersbergtaken deel te nemen. Bij deze openheid moet natuurlijk het beginsel van de beslissingsautonomie van de Europese Unie geëerbiedigd worden.
Voor de uitvoering van de in Feira overeengekomen regelingen, heeft het voorzitterschap met de betrokken landen een regelmatige inhoudelijke dialoog over het EVDB aangegaan en verder ontwikkeld. Zo hebben er op 21 november ministeriële ontmoetingen plaatsgevonden in het verlengde van de Conferentie over de toezegging van vermogens. Deze dialoog is tevens gevoerd in het IPVC, dat vergaderingen in de alomvattende structuur heeft gehouden op 27 juli, 2 oktober en 17 november, alsmede via vergaderingen van militaire deskundigen ter voorbereiding van de bijdragen van de derde landen aan de vermogensdoelstellingen. Dat overleg kwam bovenop de vergaderingen uit hoofde van de politieke dialoog van de Unie met haar partners.
Het document inzake de regelingen betreffende de Europese NAVO-leden die geen EU-lidstaten zijn en andere kandidaat-lidstaten van de EU, is opgenomen in de bijlage bij dit verslag. Deze regelingen maken het overeenkomstig de aangegane verplichtingen mogelijk die landen buiten crisisperioden om regelmatig te raadplegen en hen in tijden van crisis in zo ruim mogelijke mate te betrekken bij de door de EU geleide militaire operaties.
IV. PERMANENTE REGELINGEN INZAKE OVERLEG EN SAMENWERKING TUSSEN DE EU EN DE NAVO
Op basis van de door de Europese Raad van Feira genomen besluiten heeft de Europese Unie onder het Franse voorzitterschap in nauw overleg met de NAVO de totstandbrenging van een permanente en doeltreffende relatie tussen beide organisaties verder voorbereid. De bijgevoegde documenten over de regelingen inzake het overleg, de samenwerking en de transparantie met de NAVO en de modaliteiten van de toegang van de EU tot de middelen en vermogens van de NAVO (Berlijn plus) vormen de bijdrage van de EU aan de besprekingen over de toekomstige regelingen tussen de twee organisaties. De EU verwacht van de NAVO dat zij positief reageert zodat deze regelingen kunnen worden uitgevoerd op een wijze die beide partijen tot voldoening stemt.
Het overleg en de samenwerking tussen de twee organisaties zullen worden ontwikkeld wat betreft veiligheids-, defensie- en crisisbeheersingsvraagstukken van gemeenschappelijk belang teneinde een optimale militaire reactie op een crisis en een doeltreffende crisisbeheersing mogelijk te maken, met volledige eerbiediging van de beslissingsautonomie van de NAVO en de EU.
De EU herinnert eraan hoe belangrijk zij het acht dat zij in voorkomend geval gebruik kan maken van de gegarandeerde toegang tot de planningsvermogens en de veronderstelde beschikbaarheid van de middelen en vermogens van de NAVO als bedoeld in het communiqué van de Top van Washington. De Europese Unie zal een beroep doen op de NAVO voor de operationele planning van een operatie waarbij gebruik gemaakt wordt van de middelen en vermogens van de NAVO. Wanneer de Unie de opties met het oog op een operatie onderzoekt, kan bij de uitwerking van haar strategische militaire opties een bijdrage geleverd worden door de planningsvermogens van de NAVO.
De EU onderstreept het belang van passende regelingen inzake de toegang, voor de lidstaten die dat wensen, tot de structuren van het Bondgenootschap teneinde zo nodig de effectieve deelneming van alle lidstaten aan door de EU geleide operaties, met gebruikmaking van de middelen en vermogens van de NAVO, te vergemakkelijken.
De op 19 september en 9 november gehouden ontmoetingen tussen het Interim Politieke en Veiligheidscomité en de Atlantische Raad vormden een mijlpaal in de ontwikkeling van een vertrouwensrelatie tussen de EU en de NAVO. De in Feira ingestelde ad hoc groepen en de deskundigengroep inzake de militaire vermogens (HTF Plus) hebben vorderingen gemaakt ten aanzien van de transparantie en de samenwerking tussen de twee organisaties. Het tussen de twee secretarissen-generaal gesloten tussentijdse veiligheidsakkoord heeft de ontwikkeling van deze betrekkingen bevorderd door eerste uitwisselingen van documenten toe te staan, en heeft de weg geopend naar een definitieve regeling tussen de Europese Unie en de NAVO.
V. INTEGRATIE IN DE EU VAN PASSENDE TAKEN VAN DE WEU
De EU heeft bevestigd voornemens te zijn de crisisbeheersingstaak van de WEU over te nemen. Zij heeft in dit verband nota genomen van de maatregelen die door de Raad van Ministers van de WEU in Marseille zijn vastgesteld om voor deze organisatie de consequenties te trekken van de ontwikkelingen in de EU.
De Raad heeft de volgende beginselbesluiten inzake de integratie van passende WEU-taken in de Petersbergtaken aangenomen:
- de instelling in de vorm van agentschappen van een satellietcentrum en een instituut voor veiligheidsstudies, waarin de overeenkomstige onderdelen van de huidige WEU-structuren opgenomen worden;
- de rechtstreekse aansturing door de EU van een missie voor technische politiesamenwerking in Albanië die in de plaats komt van de multinationale advieseenheid voor de politie in Albanië, waarvan de Raad de uitvoering aan de WEU had toevertrouwd op basis van artikel 17 van het VEU. De Raad heeft nota genomen van de inschatting dat de mijnopruimingsmissie in Kroatië in haar huidige WEU-vorm bij het verstrijken van haar mandaat haar doelstellingen zal hebben verwezenlijkt.
De Raad is tevens overeengekomen de transatlantische dialoog nader inhoud te geven door aan het Instituut voor veiligheidsstudies de opdracht te geven soortgelijke activiteiten te ontwikkelen als die welke momenteel in het transatlantische forum worden uitgevoerd, volgens nader overeen te komen modaliteiten die alle betrokken staten in staat stellen aan die activiteiten deel te nemen.
VI. REGELINGEN INZAKE OVERLEG EN DEELNEMING VAN ANDERE MOGELIJKE PARTNERS
In Feira is gememoreerd dat Rusland, Oekraïne, andere Europese staten waarmee de Unie een politieke dialoog onderhoudt, en andere betrokken staten, zoals Canada, uitgenodigd kunnen worden deel te nemen aan door de EU geleide operaties.
Met het oog daarop is de Unie voornemens de dialoog, de samenwerking en het overleg over veiligheids- en defensievraagstukken met de betrokken landen in het kader van de bestaande akkoorden te versterken op basis van de onderstaande beginselen.
In normale tijden ziet de Unie toe op de uitwisseling van informatie over vraagstukken in verband met het EVDB en militaire crisisbeheersing in vergaderingen die daarover in de regel een keer per half jaar op het niveau van de Trojka van het PVC worden gehouden. Indien nodig besluit de Raad tot het beleggen van extra vergaderingen. In crisissituaties, wanneer de mogelijkheid van een militaire crisisbeheersingsoperatie wordt onderzocht, biedt dat overleg, dat in Trojka-vorm of door de secretaris-generaal/hoge vertegenwoordiger wordt gevoerd, de gelegenheid van gedachten te wisselen en te discussiëren over de eventuele deelneming van potentiële partners.
De Europese Unie heeft reeds haar voldoening uitgesproken over de belangstelling van Canada. In tijden van crisis zal met Canada intensief overleg worden gepleegd. De deelneming van Canada is van bijzonder belang bij operaties waarbij de EU een beroep doet op de middelen en vermogens van de NAVO. In dat geval zal de Unie, wanneer zij zich diepgaand beraadt over een optie waarbij een beroep wordt gedaan op de middelen en vermogens van de NAVO, bijzondere aandacht besteden aan het overleg met Canada.
Voor de dagelijkse aansturing van de operatie kunnen de landen die hieraan deelnemen bij de generale staven verbindingsofficieren voor de planning aanwijzen en kunnen zij tezamen met de EU-leden in het Comité van contribuanten zitting hebben, met dezelfde rechten en plichten als de overige deelnemende staten.
Deze eerste beginselen laten mogelijke bijzondere raadplegings- en/of deelnemingsmechanismen met bepaalde betrokken landen onverlet. Zo heeft de EU met Rusland een gemeenschappelijke verklaring aangenomen betreffende de versterking van de dialoog over politieke en veiligheidskwesties in Europa, die met name voorziet in specifiek overleg over veiligheids- en defensieaangelegenheden.
VII. CONFLICTPREVENTIE
De Europese Raden van Keulen, Helsinki en vervolgens Feira, hebben besloten dat de Unie haar verantwoordelijkheden inzake conflictpreventie volledig op zich moest nemen. Daarom heeft de Europese Raad van Feira de secretaris-generaal/hoge vertegenwoordiger en de Commissie verzocht om de Europese Raad van Nice concrete aanbevelingen voor te leggen over hoe de coherentie en de doeltreffendheid van het optreden van de Europese Unie op het gebied van conflictpreventie kan worden verbeterd.
Het verslag is voorgelegd aan de Europese Raad, die zich tevreden heeft getoond over de concrete aanbevelingen van de secretaris-generaal/hoge vertegenwoordiger en de Commissie, en erop gewezen heeft dat de werkzaamheden moeten worden voortgezet.
VIII. MANDAAT VOOR HET VOLGENDE VOORZITTERSCHAP
1. Op basis van dit verslag wordt het Zweedse voorzitterschap verzocht om in samenwerking met de secretaris-generaal/hoge vertegenwoordiger de werkzaamheden met betrekking tot de ontwikkeling van het Europees veiligheids- en defensiebeleid in de Raad Algemene Zaken voort te zetten en op de volgende gebieden de nodige maatregelen te nemen.
a) Het doel is de EU snel operationeel te maken. Een besluit daartoe van de Europese Raad zal zo spoedig mogelijk in de loop van 2001 worden genomen en ten laatste tijdens de Europese Raad van Laken.
Het Zweedse voorzitterschap wordt derhalve verzocht:
- de nodige maatregelen te treffen voor de uitvoering en bekrachtiging van de regeling voor crisisbeheersing, met inbegrip van de structuren en de procedures;
- de besprekingen met de NAVO voort te zetten, zodat er regelingen tussen de EU en de NAVO kunnen komen;
- verslag uit te brengen aan de Europese Raad van Göteborg.
b) De follow-up van de militaire vermogensdoelstellingen en van de toezeggingen die zijn gedaan in de verklaring betreffende de toezegging van vermogens, met name door de vaststelling van de modaliteiten van het follow-up- en evaluatiemechanisme, waarvan de grote lijnen zijn opgenomen in het bijvoegsel bij bijlage I bij dit verslag.
c) De voortzetting van de werkzaamheden met betrekking tot de civiele aspecten van crisisbeheer, waaronder de ontwikkeling van het vermogen om politieoperaties te plannen en uit te voeren, een oproep voor vrijwillige bijdragen voor de politie, en de uitwerking van andere concrete doelstellingen.
d) De uitvoering van de besluiten van deze Europese Raad over de permanente regelingen met de Europese NAVO-leden die geen EU-lidstaten zijn en de kandidaat-lidstaten van de EU, en de indiening van voorstellen met betrekking tot de modaliteiten voor deelneming van derde landen aan de civiele aspecten van crisisbeheer.
e) De uitvoering van de regelingen van het overleg met en de participatie van andere potentiële partners, waarvan de beginselen door deze Europese Raad worden vastgesteld.
f) De instelling, in de vorm van agentschappen binnen de EU, van een satellietcentrum (belast met de exploitatie van satelliet- en luchtbeelden) en van een instituut voor veiligheidsstudies, waarin de overeenkomstige onderdelen van de huidige WEU-structuren worden opgenomen.
g) Nagaan op welke gebieden en hoe er tussen de Europese Unie en de Verenigde Naties op het gebied van crisisbeheersing kan worden samengewerkt.
h) Het formuleren van voorstellen om de coherentie en de doeltreffendheid van het optreden van de Europese Unie op het gebied van conflictpreventie te verbeteren.
2. Het Zweedse voorzitterschap wordt verzocht om over deze punten tijdens de Europese Raad van Göteborg verslag uit te brengen.
_______________
Bijlage I bij BIJLAGE VI
VERKLARING BETREFFENDE DE TOEZEGGING VAN MILITAIRE VERMOGENS
1. Sinds de Europese Raad van Keulen van juni 1999 en met name dankzij de inspanningen van het Finse en het Portugese voorzitterschap is een van de prioriteiten van de Unie de ontwikkeling en de opbouw van de civiele en militaire middelen en vermogens die de Unie nodig heeft om beslissingen te nemen over alle conflictpreventie- en crisisbeheersingstaken die in het Verdrag betreffende de Europese Unie zijn gedefinieerd (de zg. Petersbergtaken ( 2)), en om die taken uit te voeren. De Unie heeft in dat opzicht benadrukt dat zij vastbesloten is een autonoom vermogen te ontwikkelen om besluiten te nemen en, in gevallen waarbij de NAVO als geheel niet betrokken is, door de Unie geleide militaire operaties te starten en uit te voeren als reactie op internationale crises. Daartoe hebben de lidstaten besloten doeltreffender militaire vermogens te ontwikkelen. Dit proces zonder onnodige doublures impliceert niet de oprichting van een Europees leger. Deze ontwikkelingen vormen een integrerend bestanddeel van de versterking van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid. Aldus zal de Unie in staat zijn meer bij te dragen aan de internationale veiligheid overeenkomstig de beginselen van het Handvest der Verenigde Naties, het Handvest van de OVSE en de slotakte van Helsinki. De Unie erkent de primaire verantwoordelijkheid van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties voor de handhaving van de internationale vrede en veiligheid.
2. Met betrekking tot de militaire vermogens, die een aanvulling gaan vormen op de andere instrumenten die de Unie ter beschikking staan, hebben de lidstaten in de Europese Raad van Helsinki van december 1999 zich als hoofddoel (Headline Goal) gesteld dat ze uiterlijk in 2003 in staat moeten zijn binnen 60 dagen strijdkrachten tot en met legerkorpsniveau (60.000 manschappen) in te zetten en gedurende ten minste 1 jaar operationeel te houden. Deze troepen moeten militair zelfvoorzienend zijn, met de nodige vermogens voor bevelvoering en controle, inlichtingen, logistiek, andere inzetondersteunende diensten en daarnaast, waar van toepassing, lucht- en zeemachtelementen.
Te Helsinki hebben de lidstaten tevens besloten snel collectieve vermogensdoelstellingen te ontwikkelen, met name op de gebieden bevelvoering en controle, inlichtingen en strategisch transport. Tijdens de Europese Raad van Feira van juni 2000 heeft de Unie tevens de kandidaat-lidstaten van de EU en de Europese NAVO-leden die geen EU-lidstaten zijn, aangemoedigd om bij te dragen aan de verbetering van de Europese vermogens. Dankzij de besprekingen sinds de Europese Raad van Feira heeft de Unie inmiddels het scala van middelen kunnen bepalen die nodig zijn om alle Petersbergtaken, ook de meest veeleisende, te kunnen volbrengen. Tevens heeft de Unie daardoor nauwkeurig de militaire vermogens en strijdkrachten in kaart kunnen brengen die nodig zijn om het hoofddoel te bereiken. Voor de vastgestelde behoeften is een vermogenscatalogus opgesteld. Zoals overeengekomen in de Europese Raad van Feira, is daarbij gebruik gemaakt van de militaire knowhow van de NAVO.
3. De lidstaten hebben op 20 november 2000 in Brussel deelgenomen aan een conferentie voor de toezegging van vermogens, die het mogelijk heeft gemaakt de concrete nationale toezeggingen voor de door de Europese Raad van Helsinki vastgestelde militaire doelstellingen te bundelen ( 3). Tijdens die conferentie zijn ook een aantal gebieden vastgesteld waarop aan verbetering van de bestaande middelen, aan investering en aan ontwikkeling en coördinatie zal worden gewerkt om geleidelijk de vermogens te verwerven of te verbeteren die nodig zijn voor een autonoom optreden van de Unie. De lidstaten hebben nu daaromtrent hun eerste toezeggingen gedaan.
Deze conferentie is de eerste stap in een ambitieus proces van versterking van de militaire vermogens voor crisisbeheersing door de Unie dat ertoe strekt het voor 2003 gestelde hoofddoel te bereiken, en dat ook na die datum zal worden gecontinueerd met het oog op de verwezenlijking van de collectieve vermogensdoelstellingen. In de Europese Raad van Helsinki hadden de lidstaten immers ook besloten snel collectieve vermogensdoelstellingen te ontwikkelen op de gebieden bevelvoering, controle en inlichtingen, en strategisch vervoer, en hadden zij zich ingenomen betoond met de door bepaalde lidstaten reeds aangekondigde besluiten in die richting: - ontwikkeling en coördinatie van militaire voorzieningen voor monitoring en vroegtijdige waarschuwing; - openstelling van bestaande gezamenlijke
nationale hoofdkwartieren voor officieren van andere lidstaten; - versterking van de snellereactievermogens van de bestaande Europese multinationale strijdkrachten; - voorbereiding van een Europees luchttransportcommando; - verhoging van het aantal snel inzetbare manschappen; - vergroting van het vermogen voor strategisch maritiem transport. Die inspanningen zullen worden voortgezet. Voor de geloofwaardigheid en de doeltreffendheid van het Europese veiligheids- en defensiebeleid blijft het namelijk essentieel dat de militaire crisisbeheersingsvermogens van de Unie versterkt worden, zodat de Unie met of zonder gebruikmaking van de middelen van de NAVO kan optreden.
4. Tijdens de Conferentie voor de toezegging van vermogens hebben de lidstaten, overeenkomstig de besluiten van de Europese Raden van Helsinki en Feira, toegezegd op vrijwillige basis nationale bijdragen te leveren die corresponderen met de snellereactievermogens die voor de verwezenlijking van het hoofddoel vereist zijn. Die toezeggingen zijn gebundeld in de zgn. "strijdkrachtencatalogus". Uit die catalogus kan worden opgemaakt dat de Unie in 2003 overeenkomstig het in Helsinki gestelde hoofddoel in staat zal zijn om alle Petersbergtaken uit te voeren, zij het dat bepaalde vermogens zowel kwantitatief als kwalitatief moeten worden verbeterd om de vermogens ter beschikking van de Unie te optimaliseren. In dat opzicht hebben de ministers nogmaals uitdrukking gegeven aan hun verbintenis om de door de Europese Raad van Helsinki geformuleerde doelstellingen volledig te verwezenlijken. Daartoe zullen zij zo spoedig mogelijk aanvullende initiatieven vaststellen die zij vervolgens op nationaal niveau of in samenwerking met partners kunnen ontplooien om in de waargenomen behoeften te voorzien. Dit zijn extra inspanningen, naast de reeds vastgelegde bijdragen. Voor de betrokken landen gaat het om een wederzijdse versterking van deze inspanningen en die welke ze leveren in het kader van het initiatief betreffende de defensievermogens van de NAVO.
A) Strijdkrachten
Kwantitatief gezien zijn de door de lidstaten aangekondigde vrijwillige bijdragen ruimschoots voldoende om het hoofddoel van Helsinki te bereiken (60.000 manschappen, inzetbaar binnen 60 dagen en gedurende ten minste één jaar). Deze bijdragen, die in de catalogus van de strijdkrachten worden vermeld, zijn goed voor een totaal van 100.000 manschappen en ongeveer 400 gevechtsvliegtuigen en 100 schepen, waarmee volledig kan worden voorzien in de behoeften die zijn vastgesteld voor de uitvoering van de verschillende soorten crisisbeheersingstaken in het kader van het hoofddoel.
Zodra de bevoegde politieke en militaire organen van de Unie in staat zullen zijn onder het gezag van de Raad de politieke controle en de strategische leiding van de door de Unie uitgevoerde operaties op zich te nemen, zal de Unie derhalve tussen nu en 2003 geleidelijk Petersbergtaken op zich kunnen gaan nemen naarmate haar militaire vermogens toenemen. Er is evenwel gebleken dat de beschikbaarheid, de inzetbaarheid, het voortzettingsvermogen en de interoperabiliteit van de strijdkrachten verder verbeterd moeten worden om volledig in de behoeften van de meest veeleisende Petersbergtaken te kunnen voorzien. Ook zal er nog werk moeten worden verzet op specifieke gebieden, zoals militaire uitrusting, inclusief wapens en munitie, en ondersteunende diensten, ook op medisch gebied, alsmede preventie van operationele risicos en bescherming van de strijdkrachten.
B) Strategische vermogens
Voor bevelvoering, controle en communicatie hebben de lidstaten een bevredigend aantal nationale of multinationale defensiestaven toegezegd op strategisch, operationeel, strijdmacht- en strijdmachtdeelniveau. Die toezeggingen moeten op een later tijdstip op hun kwaliteit beoordeeld worden, opdat de EU, naast de mogelijkheid om de vermogens van de NAVO aan te spreken, over optimale middelen voor bevelvoering en controle kan beschikken. De Unie heeft in dit opzicht gememoreerd dat zij veel belang hecht aan een spoedige afronding van de lopende besprekingen over de toegang tot de vermogens en middelen van de NAVO. De Militaire Staf van de Unie, die in de loop van 2001 over een eerste operationeel vermogen zal beschikken, zal het collectieve snellereactievermogen van de Unie versterken, en het voorzien van een vermogen tot situatiebeoordeling en tot strategische planning voorafgaand aan besluitvorming.
Op inlichtingengebied hebben de lidstaten naast de beeldinterpretatievermogens van het satellietcentrum in Torrejon een aantal middelen aangeboden die kunnen bijdragen aan het vermogen tot situatieanalyse en -monitoring van de Unie. Niettemin hebben ze opgemerkt dat er op dit gebied grote inspanningen vereist zijn om in de toekomst over meer strategische inlichtingen te kunnen beschikken.
Wat betreft de lucht- en zeemachtvermogens voor strategisch vervoer waarover de Unie beschikt, zijn er verbeteringen nodig om te waarborgen dat de Unie, ongeacht het scenario, kan voldoen aan de behoeften van een veeleisende operatie uit het hoogste deel van het gamma van de Petersbergtaken, zoals vastgesteld in Helsinki.
5. Overeenkomstig de besluiten van de Europese Raden van Helsinki en Feira over de collectieve vermogensdoelstellingen hebben de lidstaten zich tevens verbonden tot inspanningen op middellange en lange termijn om zowel hun operationele als hun strategische vermogens te verbeteren. De lidstaten hebben toegezegd om met name in het kader van de lopende hervormingen van hun krijgsmacht hun eigen vermogens verder te versterken, en voort te werken aan bestaande of aanstaande projecten ter uitvoering van multinationale oplossingen, ook wat de samenvoeging van middelen betreft.
Deze projecten beogen het volgende:
- verbetering van de prestaties van de Europese strijdkrachten op het gebied van beschikbaarheid, inzetbaarheid, voortzettingsvermogen en interoperabiliteit;
- ontwikkeling van de "strategische" vermogens: strategische mobiliteit om de strijdkrachten snel naar het gebied van inzet te vervoeren; defensiestaven voor bevelvoering over en controle van de strijdkrachten en bijbehorende informatie- en communicatiesystemen; middelen om de strijdkrachten van inlichtingen te voorzien;
- versterking van de essentiële operationele vermogens in het kader van een crisisbeheersingsoperatie. Hierbij werden de middelen genoemd voor opsporings- en reddingsoperaties onder operationele omstandigheden, de verdedigingsmiddelen tegen grond-grondraketten, de precisiewapens, de logistieke ondersteuning en de simulatie-instrumenten.
De herstructurering van de Europese defensie-industrieën, die zich in sommige lidstaten voltrekt, is in dit opzicht een positieve factor. Zij is bevorderlijk voor de ontwikkeling van de Europese vermogens. Ter illustratie hebben de betrokken lidstaten erop gewezen dat zij momenteel werken aan een aantal essentiële projecten die zullen bijdragen aan de versterking van de vermogens van de Unie: toekomstig transportvliegtuig (Airbus A 400M), schepen voor zeetransport, helikopters voor troepenvervoer (NH 90). Ook hebben sommige lidstaten aangekondigd dat ze hun inspanningen willen voortzetten om zich te voorzien van uitrusting ter versterking van de veiligheid en de doeltreffendheid van militair optreden. Tenslotte hebben de lidstaten toegezegd de gegarandeerde toegang van de Unie tot satellietbeelden te verbeteren, met name door de ontwikkeling van nieuwe optische en radarsatellietapparatuur (Helios II, SAR Lupe en Cosmos skymed).
6. Om ervoor te zorgen dat Europa zijn vermogens blijft versterken, zijn de lidstaten overeengekomen dat het van belang is een evaluatiemechanisme vast te stellen voor de follow-up en de bevordering van vooruitgang bij het concretiseren van de toezeggingen - kwantitatief en kwalitatief die met het oog op de verwezenlijking van het hoofddoel zijn gedaan.
Met dat mechanisme, waarvan de hoofdlijnen zullen worden goedgekeurd door de Europese Raad van Nice (zie bijvoegsel bij bijlage I), wordt beoogd de Unie in staat te stellen tot evaluatie en follow-up van haar doelstellingen (op basis van de HTF, Headline Goal Task Force) op basis van een methode van overleg tussen de lidstaten. Om onnodige doublures te voorkomen, zal dat mechanisme voor de betrokken lidstaten steunen op de technische gegevens die voortkomen uit de bestaande mechanismen van de NAVO, zoals het defensieplanningsproces en het plannings- en toetsingsproces (PARP). Met ondersteuning van de Militaire Staf van de Unie (EUMS) zal van dat mechanisme gebruik worden gemaakt door middel van overleg tussen deskundigen in een werkgroep die op dezelfde wijze zal worden samengesteld als de Groep die de vermogenscatalogus heeft opgesteld (HTF Plus). Voorts zal op passende wijze voor informatievoorziening en transparantie tussen de Unie en de NAVO worden gezorgd door de tussen beide organisaties ingestelde werkgroep die maatregelen zal treffen om een samenhangende ontwikkeling te waarborgen van de vermogens van de Unie en de NAVO daar waar deze elkaar overlappen (met name de vermogens die resulteren uit de door de Europese Raad van Helsinki vastgestelde doelstellingen en uit het initiatief betreffende de defensievermogens van de NAVO).
Dat mechanisme zal berusten op de volgende principes:
a) behoud van onafhankelijke besluitvorming door de Unie, met name bij het vaststellen, evalueren, controleren en volgen van de vermogensdoelstellingen;
b) erkenning van het politieke en vrijwillige karakter van de toezeggingen, hetgeen impliceert dat de lidstaten verantwoordelijk zijn voor de eventuele bijstellingen van de toezeggingen in het licht van de verrichte evaluatie;
c) transparantie, eenvoud en duidelijkheid, met name om vergelijkingen tussen de toezeggingen van de lidstaten mogelijk te maken;
d) voortdurende regelmatige evaluatie van de gemaakte vorderingen aan de hand van rapporten op grond waarvan de ministers de passende besluiten kunnen nemen;
e) de nodige flexibiliteit om de toezeggingen aan te passen aan waargenomen nieuwe behoeften.
Betrekkingen met de NAVO
De regelingen betreffende transparantie, samenwerking en dialoog tussen de Unie en de NAVO moeten worden vastgelegd in het document betreffende de permanente regelingen tussen de EU en de NAVO. Het evaluatiemechanisme neemt de volgende bijkomende beginselen in acht:
f) de noodzaak voor de betrokken landen om te zorgen voor samenhang tussen de in het kader van de Unie gedane toezeggingen en de in het kader van de NAVO-defensieplanning of het PARP aanvaarde doelstellingen inzake strijdkrachten;
g) de noodzaak van een wederzijdse versterking van de vermogensdoelstellingen van de Unie en de doelstellingen die voor de betrokken landen voortvloeien uit het initiatief betreffende de defensievermogens van de NAVO;
h) de noodzaak om onnodige doublures van procedures en verzoeken om informatie te voorkomen.
Betrekkingen met derde landen
i) Via het mechanisme wordt rekening gehouden met de bijdragen van de Europese NAVO-leden die geen EU-lidstaten zijn, en met die van de kandidaat-lidstaten van de EU, om hun bijkomende toezeggingen, die zullen bijdragen tot de verbetering van de Europese vermogens, te kunnen evalueren en hun eventuele deelname aan overeenkomstig de besluiten van Helsinki en Feira door de Unie uitgevoerde operaties te vergemakkelijken.
De bestudering van de werkzaamheden binnen de Unie zal worden ondersteund door EUMS overeenkomstig zijn mandaat, en er zal verslag over worden uitgebracht aan de Raad.
* * *
De lidstaten zijn ingenomen met de voornemens die de kandidaat-lidstaten van de Unie en de Europese NAVO-landen die geen EU-lidstaten zijn, hebben geuit in het vooruitzicht van de ministeriële bijeenkomsten van 21 november 2000, als reactie op het door de Europese Raad van Feira tot hen gerichte verzoek om in de vorm van bijkomende toezeggingen hun bijdrage te leveren tot de verbetering van de Europese vermogens.
De bijdragen, die tijdens de ministeriële bijeenkomsten van 21 november 2000 werden gebundeld, zullen het gamma van de beschikbare vermogens voor door de Unie uitgevoerde operaties uitbreiden, waardoor het vermogen van de EU om op te treden optimaal naargelang van de omstandigheden kan worden versterkt. Ze zullen worden aanvaard als waardevolle extra vermogens naast die welke door de lidstaten worden geboden. In dat verband zijn de lidstaten overeengekomen die vermogens te evalueren aan de hand van dezelfde criteria als die welke voor de lidstaten gelden, en de landen in kwestie bij die evaluatie te betrekken.
_____________
Bijvoegsel bij Bijlage I bij BIJLAGE VI
HET BEREIKEN VAN HET HOOFDDOEL
MECHANISME VOOR EVALUATIE VAN DE MILITAIRE VERMOGENS
INLEIDING
1. De Europese Raad van Helsinki van 10 en 11 december 1999 heeft besloten om de verwezenlijking van de vermogensdoelstellingen (een hoofddoel en collectieve doelen op het gebied van bevelvoering en controle, inlichtingen en strategisch transport) voort te zetten, om aldus het geheel van de in het Verdrag van Amsterdam opgenomen Petersbergtaken, ook de meest veeleisende daarvan, te kunnen volbrengen.
2. Tevens heeft de Europese Raad de Raad Algemene Zaken opgedragen om het hoofddoel en de vermogensdoelstellingen uit te werken alsook een "consultatiemethode waarmee deze doeleinden blijvend kunnen worden bereikt en waarmee door elke lidstaat nationale bijdragen kunnen worden bepaald waaruit de politieke wil en het engagement voor deze doelstellingen blijken; er zal regelmatig worden bekeken welke vooruitgang er is geboekt."
3. De Europese Raad van Feira heeft nota genomen van de geboekte vooruitgang en heeft bevestigd hoe belangrijk het is een "evaluatiemechanisme in te stellen om de vorderingen naar deze doelstellingen te meten".
VOORUITGANG SEDERT HELSINKI
4. Sedert Helsinki
a) hebben de militaire deskundigen van de lidstaten het hoofddoel uitgewerkt en hebben zij, wanneer nodig daarin bijgestaan door NAVO-deskundigen, een gedetailleerd kwantitatief en kwalitatief overzicht of "catalogus van de strijdkrachten" opgesteld, nodig voor het uitvoeren van het hele gamma van voorgenomen Petersbergtaken. De lidstaten hebben hun nationale bijdragen meegedeeld en aangegeven waar er nog voortgang moet worden gemaakt om de behoeften van de meest veeleisende Petersbergtaken volledig te kunnen dekken;
b) hebben de lidstaten op de conferentie betreffende de toezegging van militaire vermogens van 20 november 2000 toezeggingen gedaan, zowel met betrekking tot de bestaande middelen als wat betreft maatregelen in de resterende behoeften te voorzien;
c) zijn de bijdragen inzake vermogens en strijdkrachten van de Europese NAVO-landen die geen EU-lidstaten zijn en van de kandidaat-lidstaten van de EU verdisconteerd; deze bijdragen zijn gunstig onthaald omdat zij een meerwaarde leveren voor de verbetering van de Europese militaire vermogens.
DOELSTELLINGEN VAN HET EVALUATIEMECHANISME VAN DE UNIE
5. Nu het hoofddoel in een gedetailleerde catalogus van de vereiste vermogens is uitgewerkt en de nationale toezeggingen daarvoor bekend zijn, moet het evaluatiemechanisme dat in Helsinki gepland is meer in detail worden gedefinieerd. Het heeft drie specifieke doeleinden:
a) de Unie in staat stellen te zorgen voor de follow-up en de voortgang bij het nakomen van de gedane toezeggingen met het oog op het bereiken van het hoofddoel, dit zowel vanuit kwantitatief als kwalitatief oogpunt;
b) de Unie in staat stellen haar vermogensdoelstellingen - die werden gedefinieerd om alle behoeften van de lijst van Petersbergtaken te dekken - te evalueren en zo nodig in het licht van gewijzigde omstandigheden te herzien;
c) het bevorderen van de samenhang tussen de toezeggingen die in EU-kader zijn gedaan en, voor de betrokken landen, de strijdkrachtdoelstellingen die in het kader van de NAVO-planning of het Partnerschap voor de vrede (PARP) zijn aanvaard.
Zoals in Helsinki is overeengekomen, zullen de betrokken staten onder meer gebruik maken van de bestaande defensieplanningsprocedures waaronder, indien nodig, die van de NAVO en het plannings- en toetsingsproces (PARP) van het Partnerschap voor de vrede.
BEGINSELEN
6. De overlegmethode en de evaluatieprocedure waarop in Helsinki is aangedrongen, moeten de volgende beginselen in acht nemen:
a) behoud van onafhankelijke besluitvorming door de EU, met name bij het vaststellen, evalueren, controleren en volgen van de vermogensdoelstellingen;
b) erkenning van het politieke en vrijwillige karakter van de toezeggingen, hetgeen impliceert dat de lidstaten verantwoordelijk zijn voor eventuele bijstellingen van de toezeggingen na evaluatie;
c) transparantie, eenvoud en duidelijkheid, met name om vergelijkingen tussen de toezeggingen van de lidstaten mogelijk te maken;
d) voortdurende en regelmatige evaluatie van de gemaakte vorderingen, aan de hand van rapporten op grond waarvan de ministers de passende besluiten kunnen nemen;
e) de nodige flexibiliteit om de toezeggingen aan te passen aan nieuwe behoeften.
Betrekkingen met de NAVO
De regelingen betreffende transparantie, samenwerking en dialoog tussen de EU en de NAVO zijn gedefinieerd in het document betreffende de permanente regelingen tussen de EU en de NAVO. Het evalutatiemechanisme zal rekening houden met de volgende bijkomende beginselen:
f) de betrokken landen zorgen voor samenhang tussen de in het kader van de EU gedane toezeggingen en de in het kader van de NAVO-defensieplanning of het PARP aanvaarde doelstellingen inzake strijdkrachten;
g) de vermogensdoelstellingen van de Unie en die welke voor de betrokken staten voortvloeien uit het initiatief betreffende de defensievermogens van de NAVO (DCI) versterken elkaar wederzijds;
h) onnodige doublures van procedures en verzoeken om informatie worden voorkomen.
Betrekkingen met derde staten
i) in het mechanisme zal rekening worden gehouden met de bijdragen van de Europese NAVO-landen die geen EU-lidstaten zijn en met die van de kandidaat-lidstaten van de EU, om hun bijkomende toezeggingen, die bijdragen tot de verbetering van de Europese vermogens, te kunnen evalueren en hun eventuele deelname aan overeenkomstig de besluiten van Helsinki en Feira door de EU uitgevoerde operaties te vergemakkelijken.
EVALUATIEPROCEDURE VAN DE EU: TAKEN
7. De sedert Helsinki gemaakte voortgang vormt een van de eerste fasen van een plannings- en toetsingsoefening die op regelmatige basis zal plaatsvinden.
Het proces blijft gebaseerd op de methode die met succes bij de oorspronkelijke uitwerking van het hoofddoel is gebruikt, met name het betrekken van deskundigen uit de lidstaten en de NAVO via de deskundigengroepen in de samenstellingen Headline Goal Task Force/Headline Goal Task Force Plus (HTF/HTF Plus). In dit proces zal de EUMS overeenkomstig zijn mandaat, een bijdrage leveren aan het proces van uitwerking, evaluatie en herziening van de vermogensdoelstellingen.
Over alle werkzaamheden zal verslag worden uitgebracht aan het Militair Comité van de EU (EUMC), dat zo nodig aanbevelingen aan het Comité politie en veiligheidsvraagstukken (PVC) zal doen.
Het mechanisme van de EU bestaat uit de volgende hoofdtaken.
a) Vaststellen van de vermogensdoelstellingen van de EU voor militaire crisisbeheersing. De oorspronkelijk door de Europese Raad van Helsinki vastgestelde doelstellingen zullen indien nodig getoetst en herzien worden. Nieuwe vermogensdoelstellingen en een passend tijdpad zullen door de Europese Raad worden vastgesteld, wanneer deze het nodig acht om de politieke besluiten van de EU in de verdere ontwikkeling van het EVDB te vertalen.
b) De follow-up, onder leiding van het Militair Comité van de EU van een "catalogus" van benodigde strijdkrachten en vermogens die voortvloeien uit de doelstellingen. Deze follow-up zal uitgevoerd worden op basis van voorbereidingen, analyse van hypothesen en scenarioplanning door een groep nationale deskundigen, bijgestaan door de militaire staf van de EU (HTF); op de expertise van de NAVO zal een beroep worden gedaan via de deskundigengroep in de samenstelling HTF Plus.
c) Vaststellen en afstemmen van de nationale bijdragen op de vereiste vermogens. Aanvankelijk is deze taak uitgevoerd tijdens de ministeriële conferentie inzake vermogenstoezeggingen van november 2000, die werd voorafgegaan door een herhaald proces onder leiding van het MCEU, met onder meer de inventarisering van het oorspronkelijke aanbod van de lidstaten, de kwantitatieve en kwalitatieve toetsing daarvan, de vaststelling van de behoeften die nog niet helemaal gedekt zijn en de inventarisering van het aanvullende aanbod. De nationale bijdragen zullen opnieuw geëvalueerd en aangepast moeten worden in het licht van de inmiddels herziene gefiatteerde behoeften. Voor de betrokken landen moet dit zodanig worden uitgevoerd dat de coherentie met het defensieplanningsproces (DPP) en met het plannings- en toetsingsproces (PARP) gewaarborgd is.
d) Kwantitatieve en kwalitatieve toetsing van de voortgang bij het bereiken van de eerder afgesproken nationale toezeggingen, waaronder de behoeften op het gebied van interoperabiliteit van de strijdkrachten (C3, oefeningen, training, uitrusting) ( 4) en normen inzake beschikbaarheid van strijdkrachten. Deze evaluatie zal gebeuren door het Militair Comité van de EU op basis van een gedetailleerde studie van de deskundigengroep (HTF), die op zijn beurt, indien nodig, bijgestaan wordt door de NAVO-deskundigen in de samenstelling HTF Plus. Het Militair Comité van de EU zal elke lacune aan het licht moeten brengen en het PVC aanbevelingen doen over de maatregelen waarmee de door de lidstaten gedane toezeggingen op de behoeften kunnen worden afgestemd.
e) Wijziging van de nationale toezeggingen indien nodig.
EVALUATIEPROCEDURE VAN DE EU: MECHANISMEN
8. In het licht van de positieve ervaring die sedert Helsinki is opgedaan bij het uitwerken van de vermogensdoelstellingen, moeten de diverse formaties van militaire deskundigen, met name die uit de hoofdsteden, bijgestaan door de militaire staf van de EU en die van de NAVO/SHAPE en de internationale militaire staf (in de samenstellingen HTF en HTF +) in staat zijn om op regelmatige basis hun werkzaamheden voort te zetten zodat onder andere:
- de nodige informatie kan worden uitgewisseld (in het bijzonder informatie afkomstig van het DPP en het PARP ten behoeve van de betrokken lidstaten en om nutteloze overlappingen te vermijden);
- een technische evaluatie mogelijk is van de voortgang qua toezeggingen, onder meer op het stuk van kwalitatieve kwesties zoals inzetbaarheid, normen en interoperabiliteit.
Het Militair Comité van de EU zal uit de gedachtewisseling op deskundigenniveau de conclusies trekken om het PVC de passende aanbevelingen te kunnen voorleggen.
9. Een groep inzake EU/NAVO-vermogens, die voortbouwt op de ad hoc groep ingesteld door de Europese Raad van Feira, zal maatregelen nemen om ervoor te zorgen dat de EU- en de NAVO-vermogens zich daar waar zij elkaar overlappen, coherent ontwikkelen (in het bijzonder die welke voortvloeien uit het hoofddoel van de Unie en het DCI ( 5) van de NAVO). Die groep zal ook een rol spelen bij de transparantie, de informatie-uitwisseling en de dialoog tussen beide organisaties.
Zij zal een bijdrage leveren op de volgende gebieden:
- de informatie-uitwisseling over vermogenskwesties;
- het wederzijdse inzicht in de toestand van de respectieve vermogens;
- het totaalbeeld van de coherentie tussen de doelen van de EU en, voor de betrokken landen, die welke voortvloeien uit het planningsproces van de NAVO, met inbegrip van de defensieplanning en het PARP;
- de bespreking tussen deskundigen over kwalitatieve kwesties zoals beschikbaarheid, normen en interoperabiliteit.
Het is aan de betrokken lidstaten, en ook aan de EU en de NAVO, om uit de werkzaamheden van de groep de passende conclusies te trekken.
BETREKKINGEN MET DERDE STATEN
10. De aanvullende bijdragen van de Europese NAVO-landen die geen EU-lidstaten zijn en van andere kandidaat-lidstaten van de EU zullen worden meegerekend en worden toegejuicht als bijdragen die een meerwaarde voor de Europese militaire vermogens opleveren. Deze bijdragen zullen in samenwerking met de betrokken naties worden bekeken op basis van dezelfde criteria die voor de bijdragen van de lidstaten gelden.
Voorts zal ook kunnen worden gerapporteerd aan de enige overlegstructuur, waarvan ook landen die geen EU-lidstaten zijn deel uitmaken.
11. Later zal de opstelling van een gedetailleerd tijdpad worden bestudeerd, rekening houdend met het feit dat de betrokken naties moeten zorgen voor de coherentie met het NAVO-planningssysteem. In beginsel zal op basis van het hierboven beschreven mechanisme ten minste om de zes maanden aan de Raad worden gerapporteerd over de voortgang bij de verwezenlijking van de vermogensdoelstellingen. Het EU-mechanisme zal in ieder geval tijdens de aanvangsfase wellicht een vrij frequent toezicht vereisen van de ministers van Defensie, die, met het oog op het verwezenlijken van het hoofddoel voor 2003, moeten nagaan hoever het staat met de collectieve en nationale toezeggingen. Zulks hoeft evenwel niet tot een algehele evaluatie van alle elementen van het hoofddoelproces te leiden. De modaliteiten van dit evaluatiemechanisme voor militaire vermogens, die tijdens het volgende voorzitterschap gepreciseerd moeten worden, zouden eveneens op basis van de opgedane ervaring herzien kunnen worden.
___________________
Bijlage II bij BIJLAGE VI
VERSTERKING VAN DE VERMOGENS VAN DE EUROPESE UNIE
OP HET GEBIED VAN DE CIVIELE ASPECTEN VAN CRISISBEHEERSING
I. INLEIDING
Om een effectief antwoord te kunnen bieden op de uitdagingen van crisisbeheersing heeft de Europese Unie zich in het kader van de uitvoering van het Europees veiligheids- en defensiebeleid ertoe verbonden haar vermogens te verbeteren en te versterken, ook wat de civiele aspecten van crisisbeheersing betreft. In het licht hiervan heeft de Europese Raad van Santa Maria da Feira politie, versterking van de rechtsstaat, versterking van het civiel bestuur en civiele bescherming aangemerkt als de vier prioritaire speerpunten waarvoor de Unie concrete vermogens wil ontwikkelen die kunnen worden ingezet in het kader van operaties van leidinggevende organisaties, zoals de Verenigde Naties of de OVSE, dan wel in het kader van autonome, door de EU geleide missies.
Door haar optreden op deze gebieden zal de Unie haar bijdrage aan conflictvoorkoming en crisisbeheersing kunnen vergroten in overeenstemming met de beginselen van het Handvest der Verenigde Naties.
Op basis van de aanbevelingen van de Europese Raad van Santa Maria da Feira heeft het Comité voor de civiele aspecten van crisisbeheersing, dat is opgericht bij een besluit van de Raad van 22 mei 2000, zijn besprekingen voortgezet en daarbij de voorrang gegeven aan de uitvoering van de concrete doelstelling inzake politie. Het comité heeft de versterking van de rechtsstaat behandeld met het oog op de omschrijving van concrete doelstellingen terzake. Er werd een ontmoeting met de vertegenwoordigers van de Verenigde Naties, de OVSE en de Raad van Europa georganiseerd, teneinde gebieden en beginselen voor samenwerking met deze organisaties vast te stellen.
Dit document bevat de belangrijkste elementen van de besprekingen in het Comité voor de civiele aspecten van crisisbeheersing.
II. POLITIEVERMOGENS
In Feira hebben de lidstaten zich ertoe verbonden om tegen 2003 in het kader van een vrijwillige samenwerking tot 5000 politiefunctionarissen in te zetten, van wie 1000 binnen een termijn van 30 dagen kunnen worden ingezet, voor internationale missies in het kader van het hele scala van conflictpreventie- of crisisbeheersingsoperaties.
Om dit concrete doel te realiseren, heeft het Comité voor de civiele aspecten van crisisbeheersing een methode bepaald "die het mogelijk maakt de in de tijd gespreide doelstellingen te verwezenlijken en te handhaven dankzij vrijwillige bijdragen". Overeengekomen werd dat dit document een basis zal zijn voor de werkzaamheden onder de opeenvolgende voorzitterschappen.
In het kader van deze methode worden vier stappen onderscheiden:
·
opstelling van algemene scenario's voor planning en bepaling van de daaruit voortvloeiende missies;·
bepaling van de vermogens die nodig zijn om deze missies uit te voeren;·
oproep voor bijdragen van de lidstaten en telling van de aangeboden vermogens;·
eventuele maatregelen voor de follow-up van de concrete doelstellingen.Op basis van een pragmatische aanpak hebben de besprekingen in het comité aldus geleid tot een betere omschrijving van de beginselen waarop de aanpak van de Unie op het vlak van de politieaspecten in de crisisbeheersing is gebaseerd, tot de bestudering van concepten voor het inzetten van de Europese politiemachten en tot aanzienlijke vooruitgang in het bepalen van de aard van de vereiste vermogens.
1. Hoofdbeginselen
De onderstaande hoofdbeginselen werden bepaald.
1) Het hele scala van missies: de Europese Unie moet in staat zijn politiemissies uit te voeren, van advies-, bijstands- of opleidingsmissies tot missies ter vervanging van de lokale politie. De lidstaten beschikken hiertoe over het hele gamma van de benodigde politievermogens, die complementair en rekening houdende met hun specifieke kenmerken ingezet moeten kunnen worden.
Er zal rekening worden gehouden met bijzondere regelingen van de lidstaten voor het inzetten van politie en met het type van politie-expertise dat zij kunnen leveren. De verscheidenheid aan politiemachten in de lidstaten is een belangrijke troef omdat ze de Unie in staat stelt een breed scala van politiemissies uit te voeren.
2) Een duidelijke opdracht en een passend mandaat: de inzet van EU-politiemachten veronderstelt duidelijke richtsnoeren betreffende hun taken en bevoegdheden, alsmede een passend mandaat.
3) Een geïntegreerde aanpak: het optreden van de Europese Unie in het kader van de zogenaamde Petersbergtaken vereist een nauwe synergie tussen het militaire bestanddeel en het civiele bestanddeel (politie, rechtsstaat, civiel bestuur, civiele bescherming). Het militaire en het civiele bestanddeel moeten dan ook indien nodig deel uitmaken van een geïntegreerd planningproces en zij moeten op het terrein op hecht gecoördineerde wijze worden aangewend in omstandigheden die rekening houden met de beperkingen inzake het inzetten van de politiemachten van de lidstaten.
4) Nauwe coördinatie met de internationale organisaties: de Europese Unie zal erop toezien dat haar eigen inspanningen en die van de Verenigde Naties, de OVSE en de Raad van Europa coherent zijn en elkaar versterken, zonder overlappingen. De Europese Unie zou met name rekening moeten houden met de aanbevelingen uit het verslag van de groep deskundigen over de vredesoperaties van de Verenigde Naties (het Brahimi-verslag).
2. Concepten van politiemachten
Om de vereiste vermogens te bepalen, zijn er, uitgaande van recente ervaringen in Guatemala, Kroatië, Albanië, Mostar en El Salvador, alsmede in Bosnië-Herzegovina, Oost-Timor en Kosovo twee algemene concepten bepaald: versterking van de lokale politiemachten en vervanging van de lokale politiemachten.
Versterking van lokale politievermogens is essentieel bij conflictpreventie, crisisbeheersing en rehabilitatie na conflicten. In dit verband worden onderdelen van de politiemachten van de Europese Unie hoofdzakelijk uitgezonden in het kader van scholing-, opleidings-, vormings-, bijstands-, toezichts- of adviesmissies: het gaat erom de vermogens en het optreden van de lokale politiemachten op een niveau te brengen dat overeenstemt met de internationale normen en standaarden, met name wat de mensenrechten betreft, en hun doeltreffendheid te vergroten. Dankzij het inzetten van hooggekwalificeerd politiepersoneel kunnen de resultaten van deze missies bestendigd worden, waarbij de verstrekte opleiding het volledige scala van politieactiviteiten moet kunnen omvatten en zich tot alle niveaus moet kunnen richten.
In het tweede concept dient de politiemacht van de Europese Unie als vervanging van de lokale politie, met name wanneer de lokale structuren tekortschieten. Zo kan een complexe crisissituatie à la Kosovo uit drie fasen bestaan:
- een initiële fase van een in hoofdzaak militaire operatie om zich van de algemene controle over het terrein te verzekeren;
- een overgangsfase, gericht op het herstellen van de openbare veiligheid als eerste voorwaarde voor de terugkeer naar het gewone leven;
- een fase om uit de crisis te raken, die overeenstemt met de civiele wederopbouw en het geleidelijk herstellen van de goede werking van de lokale instellingen.
In dit verband dienen de militaire en de politiële component van een crisisbeheersingsoperatie deel uit te maken van een geïntegreerd planningproces voor de uitvoering van dergelijke operaties, teneinde bij te dragen aan een samenhangende en doeltreffende algemene respons van de EU. De belangrijkste taak van de politiemachten, die zo vroeg mogelijk moeten worden ingezet, is bijdragen tot het herstel van de openbare veiligheid (ordehandhaving, bescherming van goederen en personen). Het gaat hier om het bestrijden van geweld, het verminderen van spanningen, het neutraliseren van geschillen op alle niveaus, met name door de heractivering van de justitiële en strafrechtelijke voorzieningen te vergemakkelijken.
Bij internationale vervangingsmissies moeten de internationale politiemachten uitvoerende taken verrichten. Dergelijke taken kunnen door alle soorten van EU-politiemachten worden verricht. Het kan nodig zijn snel geïntegreerde, soepele en interoperabele politie-eenheden in te zetten, op basis van samenwerking tussen een aantal lidstaten in bepaalde gevallen. Onder voorbehoud van hun nationale regels en wetgevingen kunnen deze politiemachten in sommige gevallen tijdelijk worden geplaatst onder de verantwoordelijkheid van de militaire autoriteit die met de bescherming van de bevolking is belast.
Om de functies van de lokale politie zo spoedig mogelijk te kunnen herstellen, zal de Europese Unie tegelijkertijd indien nodig ook steun verlenen op het gebied van onderricht, advies, bijstand en opleiding van politie.
3. Vereiste vermogens
De twee concepten (versterking en vervanging van lokale politiemachten) doen een beroep op alle in de lidstaten beschikbare specialistische politietechnieken (N.B.: in deze tekst omvat de term "politiemachten" de politie met civiele status en de politie met militaire status, zoals rijkswacht/gendarmerie). Geconstateerd werd dat de Europese politie op basis van homogene professionele criteria uiteenlopende bekwaamheden heeft ontwikkeld die in diverse stadia van de crisisbeheersing kunnen worden aangewend.
Meer specifiek omvat het scala van de vereiste vermogens in het kader van de versterking van de lokale politie onder andere de volgende gebieden:
- toezicht en advies, dagelijks en zo dicht mogelijk bij het optreden van de lokale politie, met inbegrip van de gerechtelijke politie. Deze activiteit kan worden uitgebreid tot aanbevelingen inzake de reorganisatie van de politiestructuren;
- opleiding van politiefunctionarissen volgens internationale normen, zowel op hoog niveau als voor het uitvoerend personeel. Bijzondere nadruk moet, indien nodig, worden gelegd op opleiding inzake de beroepsethiek van de politie en mensenrechten;
- de opleiding van instructeurs, meer bepaald in de vorm van samenwerkingsprogramma's.
In het kader van vervangingsmissies omvat het scala van de vereiste vermogens onder andere de volgende gebieden:
- openbaar toezicht, verkeersregeling, grensbewaking en algemene inlichtingen;
- gerechtelijke politie, die de vaststelling van inbreuken, het opsporen van de daders van deze inbreuken en de uitlevering aan de bevoegde justitiële instanties omvat;
- bescherming van personen en goederen en ordehandhaving in geval van ordeverstoring op de openbare weg. In dit kader moet rekening worden gehouden met het risico van ontsporingen die ertoe kunnen leiden dat militaire steun noodzakelijk wordt.
Om de voor het uitvoeren van beide soorten missies vereiste vermogens te ontwikkelen, zijn de volgende behoeften als prioritair aangemerkt:
- handhaving en ontwikkeling van de gegevensbank betreffende de politievermogens, die is opgesteld door het coördinatiemechanisme dat door de Europese Raad van Helsinki is opgericht;
- informatie-uitwisseling tussen de lidstaten via een netwerk van contactpunten;
- kwantitatieve en kwalitatieve omschrijving van de politievermogens die volgens de overwogen scenario's moeten worden ingezet;
- bijwerking van algemene documenten, met gebruikmaking van de resultaten van de Verenigde Naties, ter flankering van politiemissies (regels voor het inzetten van de politiemacht, operationele standaardprocedures, juridisch kader ...);
- planning van de logistieke behoeften voor een snelle uitvoering van operaties van de internationale politie, integratie daarvan in het algemene planningproces, logistieke steun voor de volledige duur van de missie (uitrusting, personeel, ...);
- bevordering van de samenwerking tussen de lidstaten op het gebied van de opleiding voor politiemissies;
- bepaling van voorafgaande elementen (verkenningsteams, parate leiding en logistieke vermogens) voor politieoperaties van de EU;
- interactie met de militaire structuren.
Het optreden van de Unie op politiegebied moet al tijdens de planningfase worden geïntegreerd in een samenhangend en algemeen crisisbeheersingsmechanisme. Deze vereiste veronderstelt dat bij het secretariaat-generaal van de Raad zo spoedig mogelijk een permanente expertise op het gebied van politie wordt ontwikkeld. Voorbereidende werkzaamheden betreffende de ontwikkeling van een capaciteit voor planning en aansturing van politieoperaties zijn verricht in het kader van de "diepgaande studie naar de haalbaarheid en de implicaties van de autonome politiemissies van de EU".
III. VERSTERKING VAN DE RECHTSSTAAT
Overeenkomstig de aanbevelingen van Feira is bijzondere aandacht besteed aan het vergroten van de doelmatigheid van de politiemissies door middel van gelijktijdige inspanningen, teneinde de plaatselijke justitiële en penitentiaire stelsels te versterken en te herstellen.
In dat verband is een gegevensbank in het leven geroepen ter inventarisering van de vermogens van de lidstaten om gespecialiseerd justitieel en penitentiair personeel ter beschikking te stellen. Ze wordt regelmatig bijgewerkt door het coördinatiemechanisme en vormt een eerste stap in de bepaling van concrete doelstellingen op dit gebied.
Op 25 oktober 2000 is een seminar gehouden met als titel "Versterking van de rechtsstaat en crisisbeheersing. Concrete doelstellingen voor de Europese Unie.". De eerste uitwisselingen tussen de EU en vertegenwoordigers van de Verenigde Naties, de OVSE en de Raad van Europa betroffen vier gebieden: concrete ervaringen, lessen en vooruitzichten, beschouwingen betreffende het juridisch kader, methodologie en onderwerpen met toegevoegde waarde. De aanwezigheid van vertegenwoordigers van de Verenigde Naties, de OVSE en de Raad van Europa op het seminar heeft een verrijking van de discussies van de Europese Unie bewerkstelligd, op basis van de concrete ervaringen van deze internationale organisaties.
Uit de besprekingen zijn de volgende oriënteringen naar voren gekomen.
- De noodzaak in bepaalde crisissituaties ingeval van een normatief en institutioneel vacuüm te steunen op een juridisch kader, dat met onmiddellijke ingang, op voorlopige basis zou gelden voor alle onderdelen van een internationale politiemissie en voor de lokale actoren. In dit verband zou de Europese Unie met name rekening moeten houden met de aanbevelingen van het verslag van de deskundigengroep over de vredesoperaties van de Verenigde Naties (het Brahimi-verslag).
- In dit perspectief moet, op basis van de specifieke doelstellingen die de Europese Unie heeft vastgesteld, een sterke synergie worden ontwikkeld tussen de acties ter ondersteuning van de rechtsstaat en die van de politiemissie. Het gaat erom zo spoedig mogelijk bij een crisisoperatie te beschikken over een geëigende strafrechtelijke infrastructuur, om elk juridisch vacuüm te vermijden dat nog meer moeilijkheden zou kunnen meebrengen die opgelost moeten worden.
- Indien in sommige niet gestabiliseerde situaties een onmiddellijke vervangingsactie nodig is die prioritair gericht is op de gebieden openbare orde en strafrecht, moet voor een duurzame regeling worden gezorgd door zo spoedig mogelijk het lokale justitiële en penitentiaire stelsel te herstellen. De ervaring met een aantal recente crisissituaties leert dat er continuïteit moet zijn tussen noodacties op korte termijn en initiatieven op langere termijn.
- De wederopbouw, het herstel en de verbetering van het justitieel en penitentiair stelsel zouden onder andere de vorm kunnen aannemen van opleiding van lokale magistraten en personeel en van het verstrekken van advies en knowhow aan lokale overheden en regeringsinstellingen voor de opstelling van wetten en regelgeving overeenkomstig de internationale normen. Daarbij moet rekening worden gehouden met complexe sociale, etnische, culturele, economische en politieke situaties, welke een gecoördineerd optreden op verscheidene fronten (politie, gerecht, lokale administratie) kunnen vereisen.
- De selectie van internationaal personeel moet volgens algemene normen plaatsvinden. In dit verband moet bij de besprekingen van de Europese Unie terdege rekening worden gehouden met het acquis dat is ontwikkeld door de Verenigde Naties, de OVSE en de Raad van Europa.
IV. FOLLOW-UP
De besprekingen die zijn geopend over de versterking van de civiele aspecten van crisisbeheersing moeten resoluut worden voortgezet, zodat de Europese Unie haar civiele instrumenten doeltreffender kan gebruiken met het oog op conflictpreventie en crisisbeheersing.
Door de vooruitgang van de besprekingen over de politievermogens kan nu gedacht worden aan de derde etappe van de methode ter verwezenlijking van het concrete doel. Het gaat erom vorm te geven aan de toezeggingen van de lidstaten door een oproep voor een vrijwillige bijdrage die spoedig, volgens nog te bepalen voorwaarden, zou moeten worden georganiseerd. Hiertoe zouden de werkzaamheden gericht moeten zijn op voortzetting van de kwalitatieve omschrijving van de vereiste vermogens en de behoeften moeten preciseren op het vlak van planning en leiding van operaties van Europese politiemachten. Het volgende voorzitterschap, samen met de secretaris-generaal/hoge vertegenwoordiger, wordt verzocht voorstellen in die zin in te dienen.
Betreffende de rechtsstaat is overeengekomen dat het voor de Europese Unie voortaan mogelijk is op dit gebied concrete doelstellingen te bepalen in samenhang met de ontwikkeling van de politievermogens. Hiertoe zouden op recente ervaringen gebaseerde scenario's kunnen worden bestudeerd om de nodige vermogens te preciseren, zowel in termen van middelen van de lidstaten als knowhow binnen de Europese Unie. De toekomstige besprekingen van het Comité voor de civiele aspecten van crisisbeheersing moeten o.m. worden geïnspireerd door de onderwerpen van het seminar op 25 oktober 2000.
Op deze twee gebieden zullen de Commissie en het bij het secretariaat-generaal van de Raad ingestelde coördinatiemechanisme hun bijdragen aan de begonnen werkzaamheden voortzetten.
In de komende besprekingen van het Comité voor de civiele aspecten van crisisbeheersing zal moeten worden gewaakt over de samenhang en de coördinatie met de lopende werkzaamheden in andere organen op aanverwante gebieden.
Wat de versterking van het civiel bestuur en de civiele bescherming betreft, zal de Europese Unie haar beraad moeten voortzetten op basis van de aanbevelingen van de Europese Raad van Feira om concrete doelstellingen te formuleren en de EU te voorzien van de aangepaste middelen waarmee ingewikkelde politieke crises doeltreffend aangepakt kunnen worden.
Bijdragen van niet-lidstaten van de EU aan civiele crisisbeheersingsoperaties van de EU, met name EU-politiemissies, zullen volgens nog te bepalen regels in welwillende overweging worden genomen.
Tot slot zal de Europese Unie haar samenwerking met de Verenigde Naties, de OVSE en de Raad van Europa verder ontwikkelen, meer bepaald in het licht van de ontmoeting welke met deze organisaties binnen het Comité voor de civiele aspecten van crisisbeheersing georganiseerd werd en het seminar over de versterking van de rechtsstaat.
____________________
Bijlage III bij BIJLAGE VI
POLITIEK EN VEILIGHEIDSCOMITÉ (PVC)
De in Helsinki gekozen benadering maakt van het PVC de spil van het Europees veiligheids- en defensiebeleid (EVDB) en van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid (GBVB): "Dit PVC gaat over alle aspecten van het GBVB, met inbegrip van het EVDB ". Het PVC heeft een centrale rol te vervullen in de bepaling en de follow-up van de reactie van de EU op een crisis, onverminderd artikel 207 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap.
Het PVC is belast met de taken die in artikel 25 van het VEU omschreven zijn. Het kan bijeenkomen in de samenstelling van de directeuren Politieke Zaken.
Na raadpleging van het voorzitterschap kan de secretaris-generaal/hoge vertegenwoordiger voor het GBVB het PVC voorzitten, onverminderd artikel 18 van het VEU, met name in geval van crisis.
1. Het PVC heeft met name de volgende taken:
- de internationale situatie op de onder het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid vallende gebieden volgen, bijdragen tot de beleidsbepaling door op verzoek van de Raad of op eigen initiatief adviezen aan de Raad uit te brengen, en toezien op de uitvoering van het overeengekomen beleid; het PVC doet dit onverminderd artikel 207 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap en de bevoegdheden van het voorzitterschap en de Commissie;
- ten aanzien van het PVC toekomende kwesties de ontwerp-conclusies van de Raad Algemene Zaken bestuderen;
- richtsnoeren inzake GBVB-aangelegenheden geven aan andere comités;
- een bevoorrecht gesprekspartner zijn van de secretaris-generaal/hoge vertegenwoordiger (SG/HV) en van de speciale vertegenwoordigers;
- het Militair Comité (EUMC) richtlijnen geven; de adviezen en aanbevelingen van het EUMC ontvangen. De voorzitter van het EUMC, die de contacten met de Militaire Staf (EUMS) onderhoudt, neemt indien nodig deel aan de vergaderingen van het PVC;
- inlichtingen, aanbevelingen en adviezen ontvangen van het Comité Civiele Aspecten Crisisbeheersing en aan dit comité richtlijnen inzake GBVB-aangelegenheden geven;
- de GBVB-werkzaamheden van de verschillende groepen coördineren, superviseren en controleren; het PVC kan richtlijnen geven aan deze groepen en bespreekt hun verslagen;
- op zijn niveau, overeenkomstig de regels van het Verdrag, de politieke dialoog voeren;
- het bevoorrechte forum zijn in de dialoog over EVDB-aangelegenheden met de 15 en de 6, evenals met de NAVO, overeenkomstig de in de desbetreffende documenten vastgestelde regels;
- zich onder het gezag van de Raad belasten met de politieke leiding van de ontwikkeling van militaire vermogens, met inachtneming van de aard van de crises waarop de Unie wil reageren. In het kader van de ontwikkeling van militaire vermogens krijgt het PVC advies van het EUMC, dat door de EUMS wordt bijgestaan.
2. In geval van crisis is het PVC voorts de Raadsinstantie die crisissituaties behandelt en alle mogelijke opties voor de reactie van de Unie onderzoekt, binnen het ene institutionele kader en onverminderd de besluitvormings- en uitvoeringsprocedures die eigen zijn aan elke pijler. Zo hebben de Raad, waarvan de werkzaamheden door het Coreper worden voorbereid, en de Commissie, elk op het gebied van hun respectieve bevoegdheden en overeenkomstig de door de Verdragen vastgestelde procedures, de exclusieve bevoegdheid om juridisch bindende besluiten te nemen. De Commissie oefent haar bevoegdheden, met inbegrip van haar initiatiefrecht overeenkomstig de Verdragen, uit. Het Coreper vervult de rol die het overeenkomstig artikel 207 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap en artikel 19 van het Reglement van orde van de Raad is toevertrouwd. Daartoe worden aangelegenheden tijdig door het PVC aan het Coreper voorgelegd.
In geval van crisis is nauwe coördinatie tussen deze instanties bijzonder noodzakelijk; deze coördinatie komt met name tot stand door:
- de eventuele deelname van de voorzitter van het PVC aan de vergaderingen van het Coreper;
- de rol van de raden Buitenlandse Betrekkingen die belast zijn met de "doeltreffende en voortdurende coördinatie" van de werkzaamheden op GBVB-gebied en die in andere pijlers (bijlage bij de conclusies van de Raad van 11 mei 1992).
Om de reactie van de EU op een crisis voor te bereiden dient het PVC aan de Raad de door de Unie na te streven politieke doelstellingen voor te leggen en een samenhangend pakket opties aan te bevelen dat tot een oplossing van de crisis bijdraagt. Het PVC kan met name een advies uitbrengen waarmee de Raad wordt aanbevolen een gemeenschappelijk optreden aan te nemen. Zonder afbreuk te doen aan de rol van de Commissie ziet het PVC toe op de uitvoering van de maatregelen waartoe besloten is en evalueert het de gevolgen. De Commissie licht het PVC in over de maatregelen die zij heeft genomen of van plan is te nemen. De lidstaten brengen het PVC op de hoogte van de maatregelen die zij op nationaal niveau genomen hebben of van plan zijn te nemen.
Het PVC oefent "de politieke controle [ ] en de strategische leiding" van de militaire reactie van de EU op een crisis uit. Hiertoe evalueert het met name op grond van adviezen en aanbevelingen van het EUMC de aan de Raad voor te leggen essentiële elementen (strategische militaire opties met inbegrip van de commandostructuur, het operationele concept en het operatieplan).
Het PVC speelt een centrale rol in de intensivering van het overleg, met name met de NAVO en de betrokken derde landen.
Op basis van de werkzaamheden van het PVC stuurt de secretaris-generaal/hoge vertegenwoordiger de activiteiten van het Situatiecentrum. Dit centrum ondersteunt het PVC en geeft het informatie onder aan crisisbeheersing aangepaste voorwaarden.
Om ervoor te zorgen dat het PVC volledig de "politieke controle en strategische leiding" van een militaire crisisbeheersingsoperatie kan uitoefenen, worden de volgende bepalingen toegepast.
- Teneinde een operatie te starten doet het PVC een op het advies van het EUMC gebaseerde aanbeveling aan de Raad toekomen, volgens de gewone voorbereidingsprocedures van de Raad. Op basis hiervan besluit de Raad een operatie op te starten in het kader van een gemeenschappelijk optreden.
- Dit gemeenschappelijk optreden bepaalt met name, overeenkomstig de artikelen 18 en 26 van het VEU, de rol van de secretaris-generaal/hoge vertegenwoordiger bij de uitvoering van de maatregelen die vallen onder de door het PVC uitgeoefende "politieke controle en strategische leiding". Hiertoe treedt de secretaris-generaal/hoge vertegenwoordiger op met instemming van het PVC. Indien een nieuw besluit van de Raad wenselijk wordt geacht, kan een beroep worden gedaan op de vereenvoudigde schriftelijke procedure (art. 12, lid 4, van het Reglement van orde van de Raad).
- In de loop van de operatie wordt aan de Raad gerapporteerd via verslagen van het PVC die door de secretaris-generaal/hoge vertegenwoordiger in zijn hoedanigheid van voorzitter van het PVC worden gepresenteerd.
_______________
Bijlage IV bij BIJLAGE VI
MILITAIR COMITÉ VAN DE EUROPESE UNIE
(EUMC)
1. Inleiding
In Helsinki besloot de Europese Raad binnen de Raad nieuwe permanente politieke en militaire instanties in te stellen die de EU in staat stellen zich te kwijten van haar verantwoordelijkheden voor het hele pakket van in het EU-Verdrag omschreven conflictpreventie- en crisisbeheersingstaken, de Petersbergtaken.
Overeenkomstig het verslag van Helsinki bestaat het binnen de Raad ingestelde Militair Comité van de Europese Unie (EUMC) uit de Chefs Defensiestaven (CDS) die vertegenwoordigd worden door hun militaire vertegenwoordigers (MILREP's). Het EUMC vergadert op het niveau van de CDS'en indien en wanneer nodig. Het EUMC verstrekt militair advies, doet aanbevelingen aan het Politiek en Veiligheidscomité (PVC) en geeft militaire leiding aan de Militaire Staf van de Europese Unie (EUMS). De voorzitter van het EUMC (CEUMC) woont de Raadszittingen bij wanneer besluiten met gevolgen op defensiegebied moeten worden genomen.
Het EUMC is de hoogste binnen de Raad ingestelde militaire instantie.
Het mandaat van het EUMC luidt als volgt.
2. Opdracht
Het EUMC heeft tot opdracht militair advies te verstrekken en aanbevelingen te doen aan het PVC inzake alle militaire aangelegenheden binnen de EU. Het EUMC oefent de militaire leiding uit over alle militaire activiteiten binnen EU-verband.
3. Rol en taken
Het EUMC is de bron van militair advies op basis van consensus.
Het EUMC is het forum voor militair overleg en militaire samenwerking tussen de lidstaten van de EU op het gebied van conflictpreventie en crisisbeheersing.
Het EUMC verstrekt militair advies en doet aanbevelingen aan het PVC, op verzoek hiervan of op eigen initiatief, en binnen de door het PVC verstrekte richtlijnen, in het bijzonder met betrekking tot de:
- ontwikkeling van het algehele concept van crisisbeheersing wat betreft de militaire aspecten;
- militaire aspecten in verband met de politieke controle en strategische leiding van crisisbeheersingsoperaties en -situaties;
- risicobeoordeling van mogelijke crises;
- militaire dimensie van een crisissituatie en de implicaties daarvan, met name in de daaropvolgende beheersingsfase; daartoe ontvangt het informatie van het Situatiecentrum;
- opstelling, evaluatie en herziening van vermogensdoelstellingen overeenkomstig overeengekomen procedures;
- militaire betrekkingen van de EU met Europese NAVO-landen die geen EU-lidstaten zijn, met andere kandidaat-lidstaten van de EU, en met andere staten en organisaties, waaronder de NAVO;
- financiële raming van operaties en oefeningen.
a) In crisisbeheersingssituaties
Op verzoek van het PVC doet het EUMC een initieel richtsnoer aan de directeur-generaal van de EUMS (DGEUMS) uitgaan, met het oog op de opstelling en voorlegging van strategische militaire opties.
Het EUMC evalueert de door de EUMS ontwikkelde strategische militaire opties en zendt die samen met zijn evaluatie en militair advies door aan het PVC.
Op basis van de door de Raad gekozen militaire optie geeft het EUMC opdracht tot een initiële planningsrichtlijn voor de operationele commandant.
Op basis van de evaluatie van de EUMS verstrekt het EUMC advies en doet het aanbevelingen aan het PVC over:
- het door de operationele commandant ontwikkelde operationele concept (CONOPS);
- het door de operationele commandant opgestelde ontwerp-operatieplan (OPLAN).
Het EUMC geeft advies aan het PVC over de optie voor beëindiging van een operatie.
b) Tijdens een operatie
Het EUMC begeleidt de correcte uitvoering van militaire operaties die plaatsvinden onder de verantwoordelijkheid van de operationele commandant.
De EUMC-leden hebben zitting of zijn vertegenwoordigd in het Comité van contribuanten.
4. Voorzitter van het EUMC (CEUMC)
Het EUMC heeft een vaste voorzitter wiens verantwoordelijkheden hierna worden beschreven.
De CEUMC is een benoemde viersterrenvlag- of opperofficier, bij voorkeur een voormalig Chef Defensiestaf van een EU-lidstaat.
Hij wordt volgens goedgekeurde procedures gekozen door de CDS'en van de lidstaten en wordt door de Raad benoemd op aanbeveling van het EUMC dat daartoe bijeenkomt op CDS-niveau.
Zijn ambtstermijn is in beginsel drie jaar, behalve onder uitzonderlijke omstandigheden.
Hij ontleent zijn gezag aan het EUMC, waaraan hij verantwoording verschuldigd is. In zijn internationale hoedanigheid vertegenwoordigt de CEUMC het EUMC in het PVC en de Raad, naar gelang van het geval.
Als voorzitter van het EUMC:
- zit hij de EUMC-vergaderingen voor op het niveau van de MILREP's en de CDS'en;
- is hij de woordvoerder van het EUMC en in die hoedanigheid:
neemt hij in voorkomend geval deel aan het PVC, met spreekrecht, en woont hij de Raadszittingen bij waarop besluiten met gevolgen op defensiegebied moeten worden genomen, en
vervult hij de taak van militair adviseur van de SG/HR in alle militaire aangelegenheden, met name met het oog op consistentie binnen de EU-crisisbeheersingsstructuur;
- geeft hij onpartijdig en met het oog op consensus leiding aan de werkzaamheden van het EUMC;
- handelt hij namens het EUMC bij het verstrekken van richtlijnen en adviezen aan de DGEUMS;
- treedt hij op als eerste contactpunt (POC) met de operationele commandant tijdens de militaire operaties van de EU;
- overlegt hij met het voorzitterschap bij de ontwikkeling en de uitvoering van zijn werkprogramma.
De CEUMC wordt ondersteund door zijn persoonlijke medewerkers en bijgestaan door de EUMS, met name wat betreft de administratieve ondersteuning binnen het secretariaat-generaal van de Raad.
Bij afwezigheid wordt de CEUMC vervangen door een van de volgende personen:
- de vaste plaatsvervangende voorzitter van het EUMC (DCEUMC), indien besloten wordt een dergelijk ambt in te stellen en te vervullen,
- de vertegenwoordiger van het voorzitterschap of
- het EUMC-lid met de meeste anciënniteit.
5. Diversen
De tussen het EUMC en de militaire autoriteiten van de NAVO in te stellen betrekkingen worden omschreven in het document over permanente regelingen tussen de EU en de NAVO. De betrekkingen tussen het EUMC en Europese NAVO-leden die geen EU-lidstaten zijn en andere kandidaat-lidstaten van de EU, worden omschreven in het document over de betrekkingen van de EU met derde landen.
Het EUMC wordt ondersteund door een militaire werkgroep (EUMCWG), door de EUMS en door andere afdelingen en diensten, naar gelang van het geval.
_______________
Bijlage V bij BIJLAGE VI
ORGANISATIE VAN DE MILITAIRE STAF VAN DE EUROPESE UNIE
(EUMS)
In Helsinki hebben de EU-lidstaten besloten binnen de Raad nieuwe permanente politieke en militaire instanties op te zetten om de EU in staat te stellen haar verantwoordelijkheid op te nemen voor het geheel van taken op het gebied van conflictpreventie en crisisbeheersing als omschreven in het Verdrag betreffende de Europese Unie, de Petersbergtaken. Overeenkomstig het verslag van Helsinki verstrekt de Militaire Staf van de EU (EUMS) "binnen de structuren van de Raad militaire expertise ( ) en steun voor het GEVDB, met inbegrip van de leiding over door de EU geleide militaire crisisbeheersingsoperaties".
In dat opzicht worden de bevoegdheden van de Militaire Staf van de EU (EUMS) als volgt gedefinieerd.
De Militaire Staf heeft opdrachten "op het gebied van vroegtijdige waarschuwing, situatiebeoordeling en strategische planning voor Petersbergtaken, met inbegrip van het aanwijzen van Europese nationale en multinationale strijdkrachten", en hij moet uitvoering geven aan het beleid en de beslissingen overeenkomstig de richtlijnen van het Militair Comité van de EU (EUMC).
- De EUMS voorziet het Situatiecentrum van militaire informatie en is ontvanger van de output daarvan.
- Hij voert de militaire aspecten van de strategische voorplanning voor Petersbergopdrachten uit.
- In coördinatie met de NAVO stelt hij een lijst op van de Europese nationale en multinationale strijdkrachten voor door de EU geleide operaties.
- Hij draagt bij tot de ontwikkeling en voorbereiding (met inbegrip van opleiding en oefeningen) van de door de lidstaten ter beschikking van de EU gestelde nationale en multinationale strijdkrachten. De regels voor de betrekkingen met de NAVO worden in de desbetreffende documenten bepaald.
- Hij organiseert en coördineert de procedures met de nationale, multinationale en NAVO-hoofdkwartieren die de EU ter beschikking staan, waarbij hij zoveel mogelijk zorgt voor verenigbaarheid met de NAVO-procedures.
- Hij programmeert, plant, leidt en evalueert het militaire aspect van de EU-crisisbeheersingsprocedures, inclusief het valideren van EU-NAVO-procedures.
- Hij neemt deel aan de financiële raming van operaties en oefeningen.
- Hij onderhoudt contacten met de nationale hoofdkwartieren en met de multinationale hoofdkwartieren van multinationale strijdkrachten.
- Hij onderhoudt permanente betrekkingen met de NAVO overeenkomstig de permanente regelingen tussen de EU en de NAVO, alsmede passende betrekkingen met aangewezen correspondenten bij de VN en de OVSE, afhankelijk van de instemming van deze organisaties.
a) Aanvullende functies in crisisbeheersingssituaties
- De EUMS vraagt en verwerkt specifieke informatie van de inlichtingenorganisaties en andere relevante informatie van alle beschikbare bronnen.
- Hij steunt het EUMC in diens bijdragen tot de initiële planningsleidraad en de planningsrichtlijnen van het Politiek en Veiligheidscomité (PVC).
- Hij ontwikkelt strategische militaire opties als basis voor het militaire advies van het EUMC aan het PVC, en bepaalt de prioriteiten daarvan, door:
·
ruime initiële opties te definiëren;·
wanneer nodig gebruik te maken van planningsondersteuning van externe bronnen die deze opties nader zullen analyseren en meer in detail zullen ontwikkelen;·
het resultaat van deze meer diepgaande behandeling te evalueren en opdracht te geven voor de eventueel nog noodzakelijke werkzaamheden;·
het EUMC een algemene beoordeling voor te leggen; hij duidt in voorkomend geval prioriteiten en aanbevelingen aan.- Hij kan ook bijdragen tot de niet-militaire aspecten van de militaire opties.
- Hij bepaalt in coördinatie met de nationale planningsstaven en, indien nodig, met de NAVO, de strijdkrachten die aan eventuele door de EU geleide operaties zouden kunnen deelnemen.
- Hij staat de operationele commandant bij in technische uitwisselingen met derde landen die militaire bijdragen aan een door de EU geleide operatie aanbieden, alsook in de voorbereiding van de conferentie voor de vorming van strijdkrachten.
- Hij houdt crisissituaties voortdurend in het oog.
b) Aanvullende functies tijdens operaties
- De EUMS houdt onder leiding van het EUMC voortdurend toezicht op alle militaire aspecten van de operaties. Hij maakt strategische analyses in overleg met de aangewezen operationele commandant om het EUMC te steunen in zijn rol als adviseur van het PVC, dat de strategische leiding in handen heeft.
- Hij reikt in het licht van de politieke en operationele ontwikkelingen aan het EUMC nieuwe opties aan als basis voor het militaire advies van het EUMC aan het PVC.
5. Organisatie
- Hij werkt onder de militaire leiding van het EUMC waaraan hij verantwoording aflegt.
- De EUMS is een afdeling van het secretariaat van de Raad die rechtstreeks aan de secretaris-generaal/hoge vertegenwoordiger is toegevoegd; hij bestaat uit door de lidstaten gedetacheerd personeel dat in internationaal verband optreedt en waarvan het statuut door de Raad moet worden vastgesteld.
- De EUMS wordt geleid door de DGEUMS, een driesterren-vlag- of -opperofficier, en werkt onder het gezag van het EUMC.
- Om het geheel van Petersbergtaken te kunnen beheersen, ongeacht of de EU gebruik maakt van NAVO-hulpmiddelen, wordt de EUMS georganiseerd als in bijlage A.
- In crisisbeheersingssituaties of -oefeningen kan de EUMS crisisactieteams (CAT's) instellen, steunend op eigen expertise, personeel en infrastructuur. Tevens kan hij indien nodig voor een tijdelijke uitbreiding gebruik maken van extern personeel waarom het EUMC de EU-lidstaten zou verzoeken.
6. Betrekkingen met derde landen
- De betrekkingen tussen de EUMS en de Europese NAVO-landen die geen EU-lidstaten zijn en andere kandidaat-lidstaten van de EU, zullen worden omschreven in het document over de betrekkingen van de EU met derde landen.
_______________
AFKORTINGEN
A
ADMIN Onderafdeling Administratie (Administration Branch)
C
CEUMC Voorzitter van het Militair Comité van de Europese Unie (Chairman of the European Union Military Committee)
CIO Onderafdeling CIMIC en Informatie-operaties (CIMIC and Information Operations Branch)
CIS Afdeling Communicatie- en informatiesystemen (Communications and Information Systems Division)
CMC SPT Ondersteuning van de voorzitter van het Militair Comité van de Europese Unie (Support to Chairman of the European Union Military Committee)
CON Onderafdeling Concepten (Concepts Branch)
CRM/COP Onderafdeling Crisisbeheersing/Lopende Operaties (Crisis Management/Current Operations Branch)
D
DDG/COS Adjunct-directeur-generaal en chef-staf van de Militaire Staf van de Europese Unie (Deputy Director General and Chief of Staff of the European Union Military Staff)
DGEUMS Directeur-generaal van de Militaire Staf van de Europese Unie (Director General of the European Union Military Staff)
E
EUMC Militair Comité van de Europese Unie (European Union Military Committee)
EUMS Militaire Staf van de Europese Unie (European Union Military Staff)
EXE Onderafdeling Oefeningen (Exercises Branch)
EX OFFICE Kabinet (Executive Office)
F
FOR Onderafdeling Paraatheid Strijdkrachten (Force Preparedness Branch)
I
INT Afdeling Inlichtingen (Intelligence Division)
INT POL Onderafdeling Inlichtingenbeleid (Intelligence Policy Branch)
ITS Onderafdeling Informatietechnologie en -beveiliging (Information Technology and Security Branch)
L
LEGAL Juridisch adviseur (Legal Adviser)
LOG Onderafdeling Logistiek (Logistics Branch)
LOG/RES Afdeling Logistiek en Middelen (Logistics and Resources Division)
OPS/EXE Afdeling Operaties en Oefeningen (Operations and Exercises Division)
P
PERS Persoonlijke staf (Personal Staff)
POL Onderafdeling Beleid (Policy Branch)
POL/PLS Afdeling Beleid en Plannen (Policy and Plans Division)
POL/REQ Onderafdeling Beleid en Behoeften (Policy and Requirements Branch)
PRD Onderafdeling Productie (Production Branch)
R
REQ Onderafdeling Behoeften (Requirements Branch)
RES SPT Onderafdeling Ondersteuning Middelen (Resources Support Branch)
_______________
Bijlage VI bij BIJLAGE VI
REGELINGEN BETREFFENDE DE EUROPESE NAVO-LEDEN DIE GEEN
EU-LIDSTATEN ZIJN EN ANDERE KANDIDAAT-LIDSTATEN VAN DE EU
I. Richtsnoeren
In Helsinki werd het volgende overeengekomen:
De Unie zorgt voor de vereiste dialoog, overleg en samenwerking met de NAVO en haar leden die geen EU-lidstaten zijn, andere landen die kandidaat zijn voor toetreding tot de EU en andere potentiële partners in door de EU geleide crisisbeheersing, met volledige inachtneming van de beslissingsautonomie van de EU en het ene institutionele kader van de Unie.
Met Europese NAVO-leden die geen EU-lidstaten zijn en met andere landen die kandidaat zijn voor toetreding tot de EU, worden passende structuren in het leven geroepen voor dialoog en informatie over met veiligheids- en defensiebeleid en crisisbeheersing verband houdende vraagstukken. In geval van crisis zullen deze structuren dienen voor overleg in de periode voordat de Raad een besluit neemt.
Indien de Raad besluit een operatie te starten, zullen de Europese NAVO-leden die geen EU-lidstaten zijn, zo zij dat wensen, deelnemen aan een operatie waarvoor NAVO-middelen en -capaciteiten moeten worden ingezet. Zij worden door een besluit van de Raad verzocht deel te nemen aan operaties waarbij de EU geen gebruik maakt van NAVO-middelen.
Andere landen die kandidaat zijn voor toetreding tot de EU kunnen eveneens door de Raad worden verzocht om deel te nemen aan door de EU geleide operaties zodra de Raad besloten heeft een dergelijke operatie te starten.
Alle landen die hebben bevestigd dat zij met inzet van significante militaire middelen aan een door de EU geleide operatie deelnemen, hebben dezelfde rechten en verplichtingen als de deelnemende EU-lidstaten bij de dagelijkse leiding en uitvoering van een dergelijke operatie.
Het besluit om een operatie te beëindigen wordt genomen door de Raad na overleg tussen de deelnemende staten in het comité van contribuanten.
In Feira werden de volgende richtsnoeren overeengekomen:
De Unie zorgt in verband met door de EU geleide crisisbeheersing voor dialoog, overleg en samenwerking met de niet tot de EU behorende Europese NAVO-leden en de kandidaat-EU-lidstaten.
Er worden passende regelingen getroffen voor dialoog en informatie over met veiligheids- en defensiebeleid en crisisbeheersing verband houdende vraagstukken.
De beslissingsautonomie van de EU en haar eengemaakte institutionele kader worden ten volle geëerbiedigd.
Binnen één integrerende structuur kunnen de 15 betrokken landen (de niet tot de EU behorende NAVO-leden en de kandidaat-EU-lidstaten) met de EU dialogeren, overleggen en samenwerken.
Binnen deze structuur wordt er met de niet tot de EU behorende NAVO-leden van gedachten gewisseld wanneer het onderwerp zulks vereist, bijvoorbeeld over aangelegenheden betreffende de aard en de werking van door de EU geleide operaties met gebruikmaking van NAVO-middelen en -vermogen.
II. Definitieve regelingen voor overleg buiten crisistijd
Op grond van hetgeen in Helsinki en Feira is overeengekomen, zullen de regelingen voor overleg in normale tijden op de volgende elementen berusten.
De frequentie van en de regelingen voor het overleg zijn afhankelijk van de behoeften en moeten zijn gebaseerd op pragmatisme en doeltreffendheid, met dien verstande dat er tijdens elk voorzitterschap ten minste twee vergaderingen worden gehouden in de samenstelling EU + 15, over EVDB-vraagstukken en de eventuele implicaties daarvan voor de betrokken landen. In dat kader worden er tijdens elk voorzitterschap ten minste twee vergaderingen gehouden met de zes Europese NAVO-leden die geen EU-lidstaten zijn (samenstelling EU + 6).
Tijdens elk voorzitterschap wordt er een ministeriële bijeenkomst met de 15 en de 6 gehouden.
Het PVC zal een vooraanstaande rol vervullen bij de uitvoering van dit schema, waarin ook plaats is ingeruimd voor ten minste twee vergaderingen op het niveau van de vertegenwoordigers in het Militair Comité, en voor uitwisselingen op het niveau van de militaire deskundigen (met name voor de uitwerking van de vermogensdoelstellingen) die zullen blijven plaatsvinden om Europese NAVO-landen die geen EU-lidstaten zijn en andere kandidaat-lidstaten van de EU in staat te stellen aan de verbetering van de Europese militaire vermogens bij te dragen; er kunnen deskundigenvergaderingen worden belegd in verband met andere onderwerpen dan vermogens, zoals bijvoorbeeld, in crisistijd, de informatieverstrekking inzake de overwogen strategische opties.
Die vergaderingen zullen een aanvulling vormen op de vergaderingen die in het kader van de versterkte politieke dialoog over GBVB-aangelegenheden worden gehouden.
Het gaat hier om een indicatief vergaderschema. Er kunnen extra vergaderingen worden gehouden indien de omstandigheden dat vereisen. Elk voorzitterschap zal het geplande halfjaarlijkse vergaderrooster en de agenda's voor de betrokken vergaderingen meedelen. Ook de betrokken staten zullen voorstellen kunnen indienen.
Elk derde land zal desgewenst binnen zijn missie bij de EU een vertegenwoordiger kunnen aanwijzen voor het volgen van het EVDB en om als gesprekspartner in het PVC op te treden.
Om het gemakkelijker te maken derde landen die dat wensen, bij de militaire activiteiten van de Unie te betrekken, kunnen die landen een bij de militaire staf van de EU geaccrediteerde officier aanwijzen, die als contactpunt zal dienen. Er zullen tijdens elk voorzitterschap ten minste twee informatievergaderingen ten behoeve van die officieren van de 15 en de 6 worden gehouden; die vergaderingen kunnen bijvoorbeeld gaan over de wijze waarop de monitoring van crisissituaties zal worden behandeld. Voorts kunnen er specifieke verbindingsregelingen worden getroffen, met name voor de duur van de NAVO/EU-oefeningen. Die regelingen zullen uitermate belangrijk zijn voor de rol van de 15 en de 6 in de ontwikkeling van de militaire vermogens die de EU voor door haar geleide operaties ter beschikking staan.
III. Regelingen in crisistijd
A) Preoperationele fase
In overeenstemming met Helsinki en Feira worden, in geval van het ontstaan van een crisis, in de periode voordat de Raad een besluit neemt op alle niveaus, ook op ministerieel niveau, de dialoog en het overleg geïntensiveerd. Bij het ontstaan van de crisis zal dankzij dat geïntensiveerde overleg van gedachten kunnen worden gewisseld over de evaluatie van de crisis en de preoccupaties van de betrokken landen aan de orde worden gesteld, met name wanneer die van mening zijn dat hun veiligheidsbelangen in het geding zijn.
Wordt een door de EU geleide militaire crisisbeheersingsoperatie overwogen, dan moet dit overleg, dat op het niveau van de politiek-militaire deskundigen kan worden gevoerd, ertoe leiden dat de landen die mogelijke contribuanten aan een door de EU geleide crisisbeheersingsoperatie zijn, in kennis worden gesteld van de intenties van de Unie, met name omtrent de overwogen militaire opties. In dat opzicht zal er, zodra de Unie een diepgaande studie gaat maken van een optie waarbij een beroep wordt gedaan op de middelen en vermogens van de NAVO, bijzondere aandacht worden geschonken aan het overleg met de zes Europese NAVO-leden die geen EU-lidstaten zijn.
B) Operationele fase
Zodra de Raad de strategische militaire optie of opties heeft gekozen, wordt de operationele planning voorgelegd aan de Europese NAVO-landen die geen EU-lidstaten zijn en aan de andere kandidaat-lidstaten van de EU die hebben verklaard in beginsel aan de operatie te zullen deelnemen, zodat zij de aard en de omvang kunnen vaststellen van de bijdrage die zij aan een door de EU geleide operatie zouden kunnen leveren.
Zodra de Raad het concept van de operatie heeft goedgekeurd, rekening houdend met de resultaten van het overleg met de derde landen die aan de operatie zouden kunnen deelnemen, wordt deze landen formeel verzocht aan de operatie deel te nemen overeenkomstig de bepalingen van Helsinki die als volgt luiden:
- De Europese NAVO-leden die geen EU-lidstaten zijn zullen, zo zij dat wensen, deelnemen aan een operatie waarvoor NAVO-middelen en -vermogens moeten worden ingezet. Zij worden door een besluit van de Raad verzocht deel te nemen aan operaties waarbij de EU geen gebruik maakt van NAVO-middelen.
- Andere landen die kandidaat zijn voor toetreding tot de EU kunnen eveneens door de Raad worden verzocht om deel te nemen aan door de EU geleide operaties zodra de Raad besloten heeft een dergelijke operatie te starten.
De operationele planning zal voor een operatie waarvoor NAVO-middelen en -vermogens moeten worden ingezet, in de planningsorganen van het Bondgenootschap, of, voor een autonome operatie van de EU, in een van de Europese militaire staven op strategisch niveau plaatsvinden. Voor een operatie waarvoor een beroep wordt gedaan op NAVO-middelen, worden de Europese Bondgenoten die geen EU-lidstaten zijn, bij die planning betrokken overeenkomstig de in het kader van de NAVO vastgestelde regelingen. In geval van een autonome operatie waarvoor om hun deelname wordt verzocht, kunnen de kandidaat-lidstaten en de Europese Bondgenoten die geen EU-lidstaten zijn, bij de Europese militaire staven op strategisch niveau verbindingsofficieren plaatsen. Op deze wijze kan informatie worden uitgewisseld over de operationele planning en de overwogen bijdragen. De betrokken staten geven de EU een eerste indicatie van hun bijdrage. Deze zal nader worden gepreciseerd tijdens contacten met de operationele commandant, die wordt bijgestaan door de militaire staf van de EU.
Tijdens die contacten kan worden geconstateerd of de voorgestelde nationale bijdragen significant zijn en of ze beantwoorden aan de behoeften van de door de EU geleide operatie. De betrokken landen bevestigen het niveau en de kwaliteit van hun nationale bijdrage aan de conferentie over de onderlinge afstemming van toegezegde strijdkrachten (force generation conference), na afloop waarvan de operatie formeel wordt gestart en het Comité van contribuanten wordt ingesteld.
C) Comité van contribuanten
Het Comité van contribuanten vervult een essentiële rol bij de dagelijkse leiding en uitvoering van de operatie. Het is het voornaamste forum voor de bespreking van alle problemen in verband met de dagelijkse leiding en uitvoering voor wat betreft de maatregelen terzake van het PVC. Het beraad van het Comité van contribuanten vormt een positieve bijdrage aan dat van het PVC.
Daartoe:
- wordt het nauwkeurig geïnformeerd over de operatie te velde via de instanties van de EU die met de monitoring ervan zijn belast. Het wordt regelmatig op de hoogte gehouden door de operationele commandant, die door het Comité gehoord kan worden;
- behandelt het de diverse vraagstukken in verband met het verloop van de militaire operatie, de aanwending van de strijdkrachten en alle vraagstukken in verband met de dagelijkse leiding en uitvoering die krachtens het door de operationele commandant ontvangen richtsnoer niet uitsluitend onder diens verantwoordelijkheid vallen;
- verstrekt het adviezen en aanbevelingen over de eventuele aanpassingen van de operationele planning, waaronder eventuele aanpassingen van de doelstellingen die van invloed kunnen zijn op de situatie van de strijdkrachten. Het spreekt zich uit over de planning van de beëindiging van de operatie en de terugtrekking van de strijdkrachten.
Op die gebieden zal het Politiek en Veiligheidscomité, dat het politieke gezag en de strategische leiding over de operatie uitoefent, rekening houden met de opvattingen van het Comité van contribuanten.
Alle EU-lidstaten hebben het recht om de besprekingen van het Comité bij te wonen, ongeacht de vraag of ze aan de operatie deelnemen, maar alleen de contribuerende staten nemen deel aan de dagelijkse leiding en uitvoering van de operatie. De Europese Bondgenoten die geen EU-lidstaten zijn en de kandidaat-lidstaten, die significante militaire middelen inzetten in het kader van een door de EU geleide operatie, hebben dezelfde rechten en verplichtingen als de deelnemende EU-lidstaten voor wat betreft de dagelijkse leiding en uitvoering van de operatie.
De besprekingen van het Comité van contribuanten laten het overleg in het kader van de alomvattende structuur die mede de Europese NAVO-landen die geen EU-lidstaten zijn en de kandidaat-lidstaten van de EU omvat, onverlet.
Vanwege de aard van zijn taken kan dit Comité in de passende samenstelling vergaderen. Waar het de lidstaten betreft, kan het de vertegenwoordigers in het PVC en in het Militair Comité omvatten. Normaal gesproken wordt het voorgezeten door een vertegenwoordiger van de secretaris-generaal/hoge vertegenwoordiger of het voorzitterschap, bijgestaan door de voorzitter van het Militair Comité of diens plaatsvervanger. Ook de directeur van de militaire staf en de operationele commandant kunnen in het Comité aanwezig of vertegenwoordigd zijn.
De voorzitter is verantwoordelijk voor het meedelen van de bevindingen van het Comité aan het PVC en het Militair Comité.
Het Comité zal door het Militair Comité en het PVC worden geraadpleegd over vraagstukken in verband met de planning van de beëindiging van de operatie en de terugtrekking van de strijdkrachten. Nadat een operatie is beëindigd, kan aan het Comité van contribuanten worden gevraagd welke lering er naar het oordeel van dit Comité uit de operatie getrokken kan worden.
_________________
Bijlage VII bij BIJLAGE VI
DEFINITIEVE REGELINGEN VOOR HET OVERLEG
EN DE SAMENWERKING TUSSEN DE EU EN DE NAVO
I. Leidende beginselen
Doel van de betrekkingen tussen de EU en de NAVO is, overeenkomstig de conclusies van de Europese Raad van Helsinki, te zorgen voor doeltreffend overleg, samenwerking en transparantie inzake de adequate militaire respons op een crisis, en een doeltreffende beheersing van die crisis te waarborgen. De Europese Raad van Feira heeft besloten dat het overleg met de NAVO op de volgende grondslagen moet berusten.
- Het overleg en de samenwerking tussen de EU en de NAVO moeten met inachtneming van de autonomie van de communautaire besluitvorming worden ontwikkeld.
- De EU en de NAVO hebben zich ertoe verbonden hun samenwerking bij militaire crisisbeheersing verder te versterken en te ontwikkelen op basis van gedeelde waarden, gelijkheid en in een geest van partnerschap. Doel is, te komen tot volledig en effectief overleg en volledige en effectieve samenwerking en transparantie, om snel besluiten te kunnen bepalen en nemen over de meest adequate militaire respons op een crisis en om een efficiënte crisisbeheersing te garanderen. In deze context zullen de EU-doelstellingen op het stuk van militaire vermogens en de doelstellingen die, voor de betrokken landen, voortvloeien uit het NAVO-initiatief betreffende de defensievermogens, elkaar wederzijds versterken.
- De EU en de NAVO versterken elkaar wederzijds bij crisisbeheersing, maar zijn qua aard verschillende organisaties. Daar wordt rekening mee gehouden wanneer zij hun betrekkingen regelen en wanneer de EU de huidige procedures voor de WEU/NAVO-betrekkingen op hun mogelijke aanpassing aan een EU/NAVO-kader beoordeelt.
- De regelingen en modaliteiten voor de EU/NAVO-betrekkingen weerspiegelen het feit dat beide organisaties elkaar op voet van gelijkheid behandelen.
- In de betrekkingen tussen de EU en de NAVO als instellingen wordt geen enkele lidstaat gediscrimineerd.
In die geest zal, opdat het overleg en de samenwerking in kwestie in een heus strategisch partnerschap bij crisisbeheersing tot stand kan komen, de beslissingsautonomie van de NAVO en de EU ten volle in acht genomen worden.
Er zal tussen beide organisaties overleg en samenwerking worden ontwikkeld over veiligheids-, defensie- en crisisbeheersingsvraagstukken van gemeenschappelijk belang, teneinde de meest adequate militaire respons op een crisis en een efficiënte crisisbeheersing mogelijk te maken.
II. Regelingen voor overleg buiten crisistijd
1. Er zal, om het overleg, de samenwerking en de transparantie te waarborgen een regelmatige dialoog tussen beide organisaties worden ingesteld, met name tussen het PVC en de Noord-Atlantische Raad, alsook op ministerieel niveau, met een frequentie van ten minste éénmaal per voorzitterschap en de mogelijkheid voor elke organisatie om te vragen om bijkomende vergaderingen waarvoor zij dan een ontwerp-agenda voorstelt.
Er kunnen zo nodig en op verzoek van een van beide organisaties vergaderingen tussen de militaire comités van de NAVO en de EU worden gehouden met een frequentie van ten minste éénmaal per voorzitterschap. Die vergaderingen worden gehouden op basis van tevoren vastgestelde agendas.
Ook kunnen er vergaderingen worden gehouden tussen subgroepen (zoals de PCG ( 7) en de PMG ( 8), of de werkgroepen van het Militair Comité) in de samenstelling van ad hoc Groep EU/NAVO (bijv. over de vermogens) of in de samenstelling van deskundigen, zoals die in de HTF Plus zijn ingesteld, om gebruik te maken van de deskundigheid van de NAVO inzake specifieke onderwerpen.
Over de wijze van organisatie van de werkzaamheden zal een regeling tussen beide organisaties moeten worden getroffen.
2. Deze dialoog zal zo nodig, met name wanneer de bevoegdheden en de deskundigheid van het Bondgenootschap in het geding zijn, worden aangevuld door NAVO-vertegenwoordigers uit te nodigen, overeenkomstig de bepalingen van het VEU en op basis van wederkerigheid. Uitgenodigd zullen worden de secretaris-generaal van de NAVO voor ministeriële bijeenkomsten - met name bijeenkomsten waaraan de ministers van Defensie deelnemen -, de voorzitter van het Militair Comité van de NAVO voor vergaderingen van het Militair Comité en om de NAVO-verantwoordelijkheden krachtens de Europese pijler alsmede de potentiële rol van de NAVO in door de EU geleide operaties in aanmerking te nemen, en DSACEUR ( 9) voor vergaderingen van het Militair Comité.
3. Nauw contact tussen de secretarissen-generaal, de secretariaten en de militaire staven van de EU en de NAVO zal eveneens nuttig zijn om transparantie en de uitwisseling van gegevens en documenten te waarborgen.
Daartoe wordt voorzien in:
- contacten tussen de secretarissen-generaal of tussen de plaatsvervangend secretaris-generaal voor politieke zaken en de verantwoordelijke voor EVDB-vraagstukken van de Europese Unie;
- contacten tussen het internationaal secretariaat van de NAVO en de voor het EVDB bevoegde diensten van het Raadssecretariaat (EBPVW ( 10), DG E ( 11), Situatiecentrum, ), met name voor de voorbereiding van de vergaderingen en de toezending van de desbetreffende documenten;
- contacten tussen de deskundigen van de Militaire Staf van de EU (EUMS) en hun collega's in de militaire staven van de NAVO, op basis van de richtsnoeren van het Militair Comité, met name voor de voorbereiding van de vergaderingen en de toezending van de desbetreffende documenten (met inbegrip van de documenten inzake beleidsplanning).
Over al die contacten en uitwisselingen zal regelmatig verslag worden uitgebracht aan respectievelijk het PVC en het Militair Comité van de EU (EUMC).
III. NAVO/EU-betrekkingen in crisistijd
A) Bij het uitbreken van een crisis zullen de contacten en de vergaderingen worden geïntensiveerd, mede, in voorkomend geval, op ministerieel niveau, zodat beide organisaties omwille van transparantie, overleg en samenwerking van gedachten kunnen wisselen over de beoordeling van de crisis en de mogelijke ontwikkeling ervan, alsook over eventuele veiligheidsproblemen in verband met die crisis.
De Europese militaire staf wordt op verzoek van het PVC door het EUMC opgedragen om de militaire strategische opties uit te werken en naar prioriteit te rangschikken. Daartoe zal hij na de initiële algemene opties te hebben bepaald, waar nodig een beroep kunnen doen op planningsondersteuning uit externe bronnen, met name op de gegarandeerde toegang tot de planningsvermogens van de NAVO, die deze opties gedetailleerder zullen bestuderen en uitwerken. Die bijdrage zal worden geëvalueerd door de EUMS, die eventueel noodzakelijk extra onderzoek kan laten verrichten.
Indien de Unie overweegt een diepgaande studie te maken van een optie waarbij gebruik wordt gemaakt van tevoren aangewezen NAVO-middelen en -vermogens, stelt het PVC de Noord-Atlantische Raad daarvan in kennis.
B) Indien voor een operatie gebruik wordt gemaakt van NAVO-middelen en -vermogens (zie het bijvoegsel bij deze bijlage)
- richt het PVC op grond van adviezen en aanbevelingen van het Militair Comité, met hulp van de EUMS, via het Militair Comité tot de aangewezen operationele commandant de strategische richtsnoeren, aan de hand waarvan hij de voor de operatie vereiste planningsdocumenten (CONOPS, OPLAN) kan opstellen, waarbij hij een beroep doet op de gegarandeerde toegang tot de planningsvermogens van de NAVO; die planningsdocumenten worden ter goedkeuring voorgelegd aan het PVC;
- vergaderen deskundigen van beide organisaties, in verbinding met de strategisch coördinator DSACEUR, om de voor die operatie benodigde tevoren aangewezen NAVO-middelen en -vermogens te specificeren;
- richt de EU, na het in kaart brengen van de tevoren aangewezen middelen en vermogens die in het kader van de operatie zullen worden ingezet, een verzoek aan de NAVO;
- wordt over de overdracht van de voor de EU-operatie gebruikte tevoren aangewezen middelen en vermogens en de wijze van beschikbaarstelling daarvan, waaronder de eventuele voorwaarden voor terugvordering/-roeping, beslist in een vergadering van het PVC en de Noord-Atlantische Raad;
- zal het Bondgenootschap gedurende de operatie over het gebruik van de NAVO-middelen en -vermogens op de hoogte worden gehouden, o.m. door de mogelijkheid om vergaderingen van het PVC en de Noord-Atlantische Raad te beleggen;
- zal de operationele commandant voor de vergaderingen van het EUMC worden uitgenodigd, zodat hij het MC verslag kan uitbrengen over het verloop van de operatie. Hij kan worden uitgenodigd door het voorzitterschap van het PVC en de RAZ;
C) Operaties van de Europese Unie waarbij geen gebruik wordt gemaakt van NAVO-middelen
Tijdens de hele periode waarin de Europese Unie een operatie zonder NAVO-middelen leidt, of ingeval de NAVO een crisisbeheersingsoperatie leidt, houdt elk van de beide organisaties de andere op de hoogte van het algemene verloop van de operatie.
_________________
Bijvoegsel bij Bijlage VII bij BIJLAGE VI
BIJLAGE BIJ DE DEFINITIEVE REGELINGEN VOOR HET OVERLEG EN DE SAMENWERKING TUSSEN DE EU EN DE NAVO, OVER DE UITVOERING VAN PUNT 10 VAN HET COMMUNIQUÉ VAN WASHINGTON
Op basis van de door het Bondgenootschap tijdens de Top van Washington van 24 april 1999 genomen besluiten, stelt de Europese Unie voor dat de uitvoering van Berlijn Plus door de beide organisaties op de volgende wijze zal verlopen.
1) Garantie voor toegang tot de planningsvermogens van de NAVO
De Europese Unie zal gegarandeerde ( 12) en permanente toegang hebben tot de planningsvermogens van de NAVO:
- wanneer de EU de opties voor een operatie bestudeert, kan de uitwerking van haar strategische militaire opties een bijdrage van de planningsvermogens van de NAVO impliceren;
- voor het uitvoeren van de operationele planning van een operatie waarvoor gebruik wordt gemaakt van de middelen en vermogens van de NAVO.
Die toegang zal worden gegarandeerd onder de volgende voorwaarden:
- op gezag van het EUMC zal de directeur-generaal van de EUMS aan DSACEUR uit hoofde van diens verantwoordelijkheden in het kader van de Europese pijler van de NAVO, technische planningsverzoeken richten als bijdrage aan de uitwerking van de strategische opties;
- op het gebied van de operationele planning zullen de militaire staven van het Bondgenootschap, die belast zullen zijn met de behandeling van de verzoeken van de EU, openstaan voor de deskundigen van de lidstaten die dat wensen, zonder discriminatie tussen die lidstaten;
- indien DSACEUR de EU laat weten dat hij niet tegelijkertijd het verzoek van de EU kan inwilligen en de werkzaamheden van de NAVO voor een operatie die niet onder artikel V valt naar tevredenheid kan uitvoeren, zal tussen de twee organisaties op het passende niveau nauw overleg worden gevoerd om een voor beide organisaties aanvaardbare oplossing te vinden met betrekking tot prioriteitstelling en inzet van middelen; de eindbeslissing is aan de NAVO;
- indien de NAVO aan een operatie begint die onder artikel V valt, en zij de planningsvermogens in dat kader heeft geweigerd of teruggevorderd, zal de EU toegang hebben tot het deel van de NAVO-planningsvermogens dat beschikbaar blijft.
2) Veronderstelling dat de EU kan beschikken over tevoren aangewezen middelen en vermogens
De voorafgaande aanwijzing van de collectieve middelen en vermogens van het Bondgenootschap die voor door de EU geleide operaties kunnen worden aangewend, zal worden verricht door de deskundigen van zowel de EU als het Bondgenootschap en zal worden bekrachtigd door een vergadering van de Militaire Comités van beide organisaties, teneinde te worden goedgekeurd volgens de procedures van elk van beide organisaties.
Indien de EU overweegt een diepgaande studie te maken van een strategische optie waarbij een beroep wordt gedaan op de middelen en -vermogens van de NAVO, stelt het PVC de Noord-Atlantische Raad daarvan in kennis.
Indien voor een operatie van de EU een beroep wordt gedaan op de middelen en vermogens van de NAVO, en er worden aan de Europese Unie aldus tevoren aangewezen middelen en vermogens ter beschikking gesteld, zal de volgende procedure worden ingesteld:
- de deskundigen van beide organisaties vergaderen, nadat de EU een strategische optie gekozen heeft, om nader te bepalen welke tevoren aangewezen middelen en vermogens kunnen worden gebruikt in het kader van die operatie;
- op voorstel van het EUMC richt het PVC, op basis van een verslag van de EUMS, waarbij rekening wordt gehouden met de contacten van deskundigen, tot de Noord-Atlantische Raad een verzoek om tevoren aangewezen middelen en vermogens;
- de Noord-Atlantische Raad beantwoordt het verzoek van het PVC. De door het Bondgenootschap op verzoek van de EU voorgestelde middelen en vermogens worden technisch op adequatie beoordeeld door een vergadering van deskundigen van beide organisaties;
- de beschikbaarstelling wordt in een gezamenlijke vergadering van het PVC en de Noord-Atlantische Raad formeel bevestigd in de vorm van een totaalpakket waarvoor, voor de gehele duur van de operatie, de praktische voorwaarden - waaronder administratieve, juridische, financiële - voor de beschikbaarstelling worden vastgesteld;
- de betrokken middelen en vermogens worden voor de gehele duur van de operatie aan de EU beschikbaar gesteld, tenzij het Bondgenootschap een onder artikel V vallende operatie moet uitvoeren, of in geval van een niet onder artikel V vallende operatie die ingevolge overleg tussen beide organisaties prioritair is geworden;
- voor eventuele nieuwe verzoeken die in de loop van een operatie worden ingediend, wordt dezelfde procedure gevolgd als voor het eerste pakket;
- gedurende de operatie houdt de EU de NAVO op de hoogte van het gebruik van de aan de EU beschikbaar gestelde NAVO-middelen en -vermogens, zulks met name door middel van gezamenlijke vergaderingen van het PVC en de Noord-Atlantische Raad, en via het voorzitterschap van het Militair Comité van de EU, dat verslag zal uitbrengen in het Militair Comité van het Bondgenootschap;
3) Vaststelling van een reeks van aan de EU beschikbaar gestelde commando-opties
Er zullen besprekingen worden gevoerd tussen de deskundigen van de EU en van het Bondgenootschap teneinde een reeks keuzemogelijkheden vast te stellen voor het geheel of een gedeelte van een commandostructuur (operationele commandanten, strijdkrachtcommandanten, eenheidscommandanten en de daarmee verbonden elementen van militaire staven). Die besprekingen omvatten de ontwikkeling van de rol van DSACEUR, zodat deze zijn Europese verantwoordelijkheden volledig en effectief kan uitoefenen. De besprekingen zullen worden bekrachtigd door een vergadering van de Militaire Comités van beide organisaties, teneinde te worden goedgekeurd volgens de procedures van elke van beide organisaties:
- indien de EU overweegt een diepgaande studie te maken van een strategische optie waarbij een beroep wordt gedaan op de commando-opties van de NAVO, met name voor het bevel over de operatie, stelt het PVC de Noord-Atlantische Raad daarvan in kennis;
- nadat de Raad van de EU een strategische optie heeft gekozen en heeft besloten een beroep te doen op een operationele commandant, richt het PVC een verzoek tot de Noord-Atlantische Raad met betrekking tot de commando-opties voor de operatie;
- na ontvangst van het antwoord van de Noord-Atlantische Raad benoemt de Raad de operationele commandant en draagt hij hem via het PVC op om de commandostructuur in werking te stellen;
- de hele commandostructuur moet voor de gehele duur van de operatie, na overleg tussen beide organisaties, onder politiek gezag en strategische leiding van de EU blijven. In dit kader zal de operationele commandant over het verloop van de operatie uitsluitend verslag uitbrengen aan de organen van de EU. De NAVO wordt van de ontwikkeling van de situatie op de hoogte gehouden door de geëigende instanties, met name door het PVC en de voorzitter van het Militair Comité.
_________________
BIJLAGE VII
|
VERKLARING VAN DE EUROPESE RAAD OVER HET NABIJE OOSTEN |
In het Nabije Oosten moet er opnieuw uitzicht komen op vrede.
Niemand mag zich neerleggen bij de gewelddadigheden, het lijden van de bevolking en de haatgevoelens tussen de volkeren.
De onderhandelingen moeten worden hervat. De Europese Unie acht het daarom nodig dat:
- de Israëlische eerste minister en de president van de Palestijnse autoriteit zich persoonlijk engageren;
- de verbintenissen die zij in Sharm-el-Sheikh en Gaza zijn aangegaan, onmiddellijk en volledig worden uitgevoerd;
- beide partijen concrete gebaren stellen, waaronder het afzien van geweld en, wat Israël betreft, de kwestie van de nederzettingen;
- er vertrouwenwekkende maatregelen worden genomen;
- een begin wordt gemaakt met de werkzaamheden ter plaatse van de Commissie voor de vaststelling van de feiten, waarin de Europese Unie wordt vertegenwoordigd door de heer Solana, secretaris-generaal/hoge vertegenwoordiger voor het GBVB;
- een akkoord wordt bereikt over een waarnemersmissie.
Het Nabije Oosten is voor de Europese Unie van bijzonder belang. Haar standpunten zijn duidelijk geformuleerd, met name tijdens de Europese Raad van Berlijn in maart 1999 en in de verklaring van de Europese Unie van 12 september 2000. Zij is bereid met alle partijen overleg te plegen over de manier waarop deze doelstellingen kunnen worden verwezenlijkt, zodat de onderhandelingen over een vredesakkoord kunnen worden hervat.
________________________
BIJLAGE VIII
DOCUMENTEN VOORGELEGD AAN DE EUROPESE RAAD VAN NICE
Nota van het voorzitterschap over de plechtige afkondiging
(14101/00)
Samenvattend document
(CONFER 4816/00)
Overzicht van het proces (conclusies van de Raad (Algemene Zaken))
Verslag van de Raad (ECOFIN) over de wisselkoersaspecten van de uitbreiding
Strategisch document voor de uitbreiding, Verslag over de door elk van de kandidaat-lidstaten op weg naar de toetreding geboekte voortgang
(13358/00)
Verslag van het voorzitterschap over het Europees veiligheids- en defensiebeleid
(14056/2/00 REV 2 + REV 3 (de, nl, en))
Bijdrage van de SG/HV: referentiekader voor globale en samenhangende crisisbeheersing
Verslag van de SG/HV en de Commissie met concrete aanbevelingen over een coherenter en effectiever optreden van de Europese Unie op het gebied van de conflictpreventie
Gezamenlijk verslag over de werkgelegenheid 2000
(12909/00 COR 1 (en), COR 2, ADD 1, ADD 1 COR 1 (en)
Voorstel voor een beschikking van de Raad betreffende de richtsnoeren voor het werkgelegenheidsbeleid van de lidstaten voor 2001
(14116/00)
Aanbeveling van de Commissie voor aanbevelingen van de Raad inzake de uitvoering van het werkgelegenheidsbeleid van de lidstaten
Europese sociale agenda
(14011/00 + COR 1 (en) + COR 2 (es) + COR 3 (de))
Mededeling van de Commissie « Een agenda voor het sociaal beleid »
(9964/00)
Bestrijding van armoede en sociale uitsluiting vaststelling van passende doelstellingen
Voortgangsverslag van de Groep op hoog niveau sociale bescherming over de mededeling van de Commissie aan de Raad, het Europees Parlement en het Economisch en Sociaal Comité inzake de ontwikkeling van de sociale bescherming op de lange termijn : veilige en houdbare pensioenen
Verslag van de Raad (ECOFIN) over de herziening van communautaire financiële instrumenten voor bedrijven
(13056/00)
Verslag aan de Raad (ECOFIN) betreffende "structurele indicatoren: een instrument voor beter structureel beleid"
Voorstel van de Commissie
(11909/00)
Mededeling van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement e-Europa 2002
(14203/00)
Verslagen van de Commissie en de Raad over de uitvoering van het actieplan e-Europa
(13515/1/00, 14195/00)
Resolutie van de Raad houdende een actieplan voor de mobiliteit
(13649/00 + COR 1 (de))
Begeleidende nota bij de resolutie van de Raad over het voorzorgsbeginsel
(14328/00 + COR 1 (de))
Verslag van de Raad (ECOFIN) over milieu en duurzame ontwikkeling
Verslag van de GHN asiel- en migratievraagstukken
(13993/00 + ADD 1, 13994/00)
Verslag van de Raad over de uitvoering van de gemeenschappelijke strategie ten aanzien van Oekraïne
(14202/00)
Verklaring over diensten van algemeen belang
(14185/00)
Verklaring over de specifieke kenmerken van de sport en de maatschappelijke functie daarvan in Europa, waarmee bij de uitvoering van het gemeenschappelijk beleid rekening moet worden gehouden
(13948/00 + COR 1 (de))
"De wetgeving verbeteren 2000" (Verslag van de Commissie)
(14253/00)
Verslag van het voorzitterschap en het secretariaat-generaal van de Raad over de verbetering van de efficiëntie van de medebeslissingsprocedure
(13316/1/00 REV 1, 14144/00)
Resolutie van de Raad betreffende de toepassing van nationale stelsels voor het vaststellen van de boekenprijs
(13981/00)
Resolutie van de Raad over de nationale steun voor de film- en de audiovisuele sector
(13980/00 + COR 1 (s), COR 2 (p), COR 3 (f), COR 4 (d,dk,es,fin))
Werkdocument van de Commissie over art. 299, lid 2, strategie voor de duurzame ontwikkeling van de ultraperifere regio's (UPR)
(7072/00, SEC(2000) 2192)
________________________
Footnotes:
( 1) Resolutie van de Raad van 17 december 1999 "Op naar het nieuwe millennium": ontwikkeling van nieuwe werkwijzen voor de Europese samenwerking op het gebied van onderwijs en opleiding (PB C 8 van 12.1.2000, blz. 6.).
( 2) De Petersbergtaken omvatten humanitaire en reddingsopdrachten, vredeshandhavingsopdrachten en opdrachten van strijdkrachten op het gebied van crisisbeheersing, met inbegrip van het tot stand brengen van vrede (artikel 17, lid 2, VEU).
( 3) Denemarken memoreerde Protocol nr. 5 bij het Verdrag van Amsterdam.
( 4) C3: command, control and communications (bevelvoering, controle en communicaties).
( 5) Defence Capabilities Initiative: initiatief betreffende de defensievermogens.
( 6) Voorlopige definities:
Strategische planning: planningsactiviteiten die van start gaan zodra een crisis uitbreekt en die eindigen wanneer de politieke instanties van de EU gekozen hebben voor één of voor een reeks militaire strategische opties. Het strategisch proces omvat de beoordeling van de militaire situatie, de definitie van een politiek-militair kader en de ontwikkeling van militaire strategische opties.
Militaire strategische optie: een mogelijke militaire actie om de in het politiek-militaire kader vastgestelde politiek-militaire doelstellingen te bereiken. Een militaire strategische optie omschrijft de militaire oplossing, de vereiste middelen en de beperkingen, en geeft aanbevelingen voor de keuze van de bevelhebber van de operaties en het operationeel hoofdkwartier.
( 7) Groep Beleidscoördinatie van de NAVO.
( 8) Politiek-Militaire Groep.
( 9) Plaatsvervangend geallieerd opperbevelhebber Europa.
( 10) Eenheid voor beleidsplanning en vroegtijdige waarschuwing.
( 11) Directoraat-generaal Buitenlandse betrekkingen.
( 12) Zonder toestemming per geval door de NAVO.