EUROPESE RAAD VAN LUXEMBURG
12 EN 13 DECEMBER 1997
CONCLUSIES VAN HET VOORZITTERSCHAP
INLEIDING
De Europese Raad van Luxemburg van 12 en 13 december 1997 is een historische mijlpaal voor de toekomst van de Unie en van geheel Europa. De start van het uitbreidingsproces luidt een nieuw tijdperk in, nu de scheidslijnen uit het verleden definitief worden uitgewist. De uitbreiding van het Europees integratiemodel naar de rest van het continent is een waarborg voor stabiliteit en welvaart in de toekomst.
Tegelijk met de start van het uitbreidingsproces heeft de Europese Raad een begin gemaakt met een algemene bezinning op de ontwikkeling van de Unie en haar beleid om een passend antwoord te vinden op de uitdagingen waarvoor zij na het jaar 2000 zal komen te staan. De Unie zal aldus met een heldere en coherente visie de volgende eeuw kunnen binnentreden en de uitbreiding kunnen aanpakken.
De Europese Raad heeft een resolutie aangenomen over de coördinatie van het economisch beleid ter waarborging van de afronding van de voorbereiding van de derde fase van de Economische en Monetaire Unie. Voorts stelt hij met tevredenheid vast dat de Unie nu een instrument in handen heeft voor een actie ter bevordering van de werkgelegenheid.
°
° °
De Europese Raad heeft de werkzaamheden aangevat met een gedachtewisseling met de heer José María GIL-ROBLES, voorzitter van het Europees Parlement, over de belangrijkste ter tafel liggende onderwerpen.
Er heeft ook een bijeenkomst plaatsgevonden met de Staatshoofden en Regeringsleiders en de ministers van Buitenlandse Zaken van de geassocieerde landen uit Midden- en Oost-Europa en van Cyprus. Deze bijeenkomst was hoofdzakelijk gewijd aan het op gang brengen van het gehele uitbreidingsproces van de Unie.
UITBREIDING VAN DE EUROPESE UNIE
1. De Europese Raad te Luxemburg heeft de nodige besluiten genomen om het uitbreidingsproces in zijn geheel op gang te brengen.
2. Het doel voor de komende jaren is de kandidaat-leden in staat te stellen tot de Unie toe te treden en de Unie zelf voor te bereiden op haar uitbreiding in goede omstandigheden. Deze uitbreiding is een algemeen, alomvattend en dynamisch proces dat zich in fasen zal voltrekken, volgens het eigen tempo van elke kandidaat-lidstaat, afhankelijk van de mate waarin deze zich heeft voorbereid.
3. De uitbreiding van de Unie vergt dat eerst de werking van de instellingen wordt versterkt en verbeterd overeenkomstig hetgeen in het Verdrag van Amsterdam met betrekking tot de instellingen is bepaald.
Europese Conferentie
4. De Europese Raad heeft besloten een Europese Conferentie in te stellen, die de lidstaten van de Europese Unie samenbrengt met de Europese landen die voor toetreding in aanmerking wensen te komen en haar waarden en interne en externe doelstellingen delen.
5. De leden van de Conferentie dienen zich onderling ertoe te verbinden vrede, veiligheid en goed nabuurschap na te streven en de soevereiniteit, de beginselen waarop de Europese Unie is gegrondvest, alsmede de integriteit en onschendbaarheid van de buitengrenzen en de beginselen van het internationale recht te eerbiedigen en zich ertoe te verbinden territoriale geschillen langs vreedzame weg te regelen, met name via de juridisdictie van het Internationaal Gerechtshof van Den Haag. Landen die deze beginselen onderschrijven en het
recht eerbiedigen van elk Europees land dat voldoet aan de criteria voor toetreding tot de Europese Unie en die zich evenals de Europese Unie inzetten voor de opbouw van een Europa dat de verdeeldheid en de moeilijkheden uit het verleden achter zich heeft gelaten, zullen worden uitgenodigd om aan deze Conferentie deel te nemen.
6. De landen die de criteria aanvaarden en bovengenoemde beginselen onderschrijven, worden opgeroepen om aan deze Conferentie deel te nemen. Het aanbod van de Europese Unie is in eerste instantie gericht aan Cyprus, de kandidaat-lidstaten van Midden- en Oost-Europa, en Turkije.
7. De Europese Conferentie zal een multilateraal forum voor politiek overleg zijn dat tot doel heeft vraagstukken van algemeen belang voor de deelnemers te behandelen met het oog op de verdere ontwikkeling en intensivering van hun samenwerking op het terrein van het buitenlands en veiligheidsbeleid, justitie en binnenlandse zaken alsook op andere terreinen van gemeenschappelijk belang, met name met betrekking tot economie en regionale samenwerking.
8. Het voorzitterschap van de Conferentie zal berusten bij het land dat de Raad van de Europese Unie voorzit. De Conferentie zal op uitnodiging van het voorzitterschap éénmaal per jaar bijeenkomen op het niveau van de staatshoofden en regeringsleiders en de Commissievoorzitter en éénmaal per jaar op het niveau van de ministers van Buitenlandse Zaken.
9. De Conferentie komt voor het eerst bijeen in maart 1998 in Londen.
Toetredings- en onderhandelingsproces
10. De Europese Raad heeft op basis van de adviezen van de Commissie en het verslag van het voorzitterschap van de Raad de huidige situatie in elk van de elf kandidaat-lidstaten besproken. In het licht van deze bespreking heeft hij besloten een toetredingsproces op gang te brengen met de tien kandidaat-lidstaten uit Midden- en Oost-Europa en Cyprus. Dit toetredingsproces vindt plaats in het kader van de uitvoering van artikel O van het verdrag betreffende de Europese Unie. De Europese Raad merkt op dat al deze landen op basis van dezelfde criteria op de nominatie staan om tot de Europese Unie toe te treden en dat zij op gelijke voorwaarden aan het toetredingsproces deelnemen. Dit proces - dat dynamisch en alomvattend is - omvat de onderstaande elementen:
a. Kaderregeling
11. Het toetredingsproces gaat van start op 30 maart 1998 met een vergadering van de ministers van Buitenlandse Zaken van de vijftien lidstaten van de Europese Unie, van de tien kandidaat-lidstaten uit Midden- en Oost-Europa en van Cyprus via de instelling van één enkele kaderregeling voor deze toetredingskandidaten.
12. Indien nodig zullen de ministers van Buitenlandse Zaken van de vijftien lidstaten van de Europese Unie een ontmoeting hebben met hun ambtgenoten uit de tien kandidaat-lidstaten uit Midden- en Oost-Europa en uit Cyprus. Rekening houdend met de ervaring opgedaan met de gestructureerde dialoog kunnen ook vergaderingen van vakministers worden overwogen.
b. Versterkte pretoetredingsstrategie
13. De versterkte pretoetredingsstrategie heeft tot doel alle kandidaat-lidstaten uit Midden- en Oost-Europa in staat te stellen op termijn lid te worden van de Europese Unie en zich daartoe reeds vóór de toetreding zoveel mogelijk aan het acquis communautaire aan te passen. Met de Europa-overeenkomsten, die de grondslag blijven voor de betrekkingen van de Europese Unie met deze landen, is deze strategie opgebouwd rond partnerschappen voor toetreding en rond de versterking van de pretoetredingssteun. Zij zal voor elke kandidaat-lidstaat afzonderlijk vergezeld gaan van een analytisch onderzoek van het acquis van de Unie.
i) Partnerschappen voor toetreding
14. Het partnerschap voor toetreding is een nieuw instrument, dat de spil vormt van de versterkte pretoetredingsstrategie, waarbij alle vormen van bijstand aan de kandidaat-lidstaten uit Midden- en Oost-Europa worden ingezet binnen één enkel kader.
15. In dit ene kader moeten voor elke kandidaat, enerzijds de bij de overneming van het acquis van de Unie te hanteren prioriteiten en anderzijds de daarvoor beschikbare financiële middelen, met name PHARE, tot in de details worden samengebracht. In dit verband zouden de financiële steunmaatregelen worden gekoppeld aan de vorderingen van de kandidaat-lidstaten en, meer specifiek, aan de inachtneming van de planning voor de overname van het acquis.
16. De Raad neemt met eenparigheid van stemmen een besluit over de instelling van een stelsel van partnerschappen, als sleutelelement van de pretoetredingsstrategie. Op basis daarvan zal hij later, uiterlijk op 15 maart 1998, met een gekwalificeerde meerderheid van stemmen besluiten over de beginselen, de prioriteiten, de tussentijdse doelstellingen, de belangrijke aanpassingen en de conditionaliteit van elk afzonderlijk partnerschap. Wanneer in een kandidaat-lidstaat een essentieel element voor het voortzetten van de pretoetredingshulp ontbreekt, neemt de Raad op dezelfde wijze passende maatregelen.
ii) Versterking van de pretoetredingssteun
17. De pretoetredingssteun zal aanzienlijk worden opgevoerd en zal als aanvulling op het PHARE-programma, dat reeds is geheroriënteerd op de met de toetreding samenhangende prioriteiten, vanaf het jaar 2000 ook landbouwsteun omvatten, alsmede een structureel instrument ter ondersteuning van soortgelijke maatregelen als die van het cohesiefonds.
De financiële steun aan de landen die bij het uitbreidingsproces betrokken zijn, zal, wat de verdeling van de steun betreft, gebaseerd worden op het beginsel van gelijke behandeling, ongeacht het tijdstip van toetreding, waarbij bijzondere aandacht zal uitgaan naar de landen met de grootste noden. De Europese Raad verheugt zich in dit verband over de inhaalfaciliteit waaraan de Commissie denkt.
18. Zonder vooruit te lopen op de besluiten aangaande de financiële vooruitzichten 2000-2006 zal het PHARE-programma worden gericht op het perspectief van de toetreding via twee prioritaire doelstellingen, te weten het versterken van de bestuurlijke en rechterlijke capaciteit (circa 30% van het totaalbedrag) en het opvoeren van de investeringen in verband met de overname en toepassing van het acquis (circa 70%).
19. Sommige programma's van de Gemeenschap (bijvoorbeeld op het gebied van onderwijs, opleiding en onderzoek) zullen worden opengesteld voor de kandidaat-lidstaten, zodat zij zich vertrouwd kunnen maken met het beleid en de werkwijze van de Unie. Over deze deelname moet per geval worden beslist, waarbij elke kandidaat-lidstaat een eigen, geleidelijk stijgende financiële bijdrage moet leveren. Indien nodig zal PHARE de nationale bijdrage van de kandidaat-lidstaten gedeeltelijk kunnen blijven financieren. Deze financiering zou ook in de toekomst ongeveer 10% van het PHARE-budget moeten bedragen, buiten de deelname aan het kaderprogramma voor onderzoek en ontwikkeling.
20. De kandidaat-lidstaten zouden, als waarnemer en voor de punten die hen betreffen, volgens precieze, aan hun geval aangepaste voorwaarden moeten kunnen deelnemen aan de comités die belast zijn met de follow-up van de programma's waaraan zij bijdragen.
21. De kandidaat-lidstaten zullen volgens een per geval te nemen besluit kunnen deelnemen aan communautaire agentschappen.
22. Een bijzondere pretoetredingsstrategie voor Cyprus zal gebaseerd zijn op:
- deelname aan bepaalde gerichte acties, in het bijzonder op het gebied van de versterking van de bestuurlijke en rechterlijke capaciteit, alsmede op het gebied van justitie en binnenlandse zaken;
- deelname aan bepaalde programma's en bepaalde communautaire agentschappen (naar het voorbeeld van de voor de andere kandidaat-lidstaten gevolgde aanpak);
- gebruikmaking van de door TAIEX (Technical Assistance Information Exchange Office) geboden technische bijstand.
c. Adviezen van de Commissie en toetredingsonderhandelingen
23. De adviezen van de Commissie geven een goed algemeen beeld van de situatie in elke kandidaat-lidstaat in het licht van de door de Europese Raad van Kopenhagen vastgestelde toetredingscriteria. Het vooruitzicht van toetreding is voor de kandidaat-lidstaten een unieke stimulans om de uitvoering van met het acquis strokende beleidsmaatregelen te bespoedigen. Omzetting van het acquis van de Unie in wetgeving is essentieel, maar niet voldoende: het acquis moet ook daadwerkelijk worden toegepast.
24. De Europese Raad wijst op de band die er bestaat tussen enerzijds de voortdurende aanpassing van de kandidaat-lidstaten op het gebied van het sectoriële beleid, met name op dat van de interne markt en de daarmee verbonden beleidsaspecten, en anderzijds het evenwichtig functioneren van het Gemeenschapsbeleid na de toetreding.
25. Toetredingsonderhandelingen kunnen pas beginnen als aan de politieke criteria van Kopenhagen is voldaan. De economische criteria en het vermogen om de uit de toetreding voortvloeiende verplichtingen op zich te kunnen nemen, zijn en moeten worden beoordeeld op een toekomstgerichte en dynamische wijze.
26. Het besluit om met onderhandelingen te beginnen, betekent niet dat deze voor de verschillende kandidaat-lidstaten op hetzelfde tijdstip zullen worden voltooid. De afsluiting van de onderhandelingen en de daarop volgende toetreding zullen afhangen van de mate waarin de onderscheiden landen de criteria van Kopenhagen in acht nemen en van het vermogen van de Unie om nieuwe leden op te nemen.
27. De Europese Raad besluit om in het voorjaar van 1998 bilaterale intergouvernementele conferenties bijeen te roepen om met Cyprus, Hongarije, Polen, Estland, de Tsjechische Republiek en Slovenië onderhandelingen te openen over de voorwaarden voor hun toelating tot de Unie en de bijbehorende aanpassingen van de Verdragen. Deze onderhandelingen zullen gebaseerd zijn op het algemeen onderhandelingskader waarvan de Raad op 8 december 1997 akte heeft genomen.
Parallel daaraan zal de voorbereiding op de onderhandelingen met Roemenië, Slowakije, Letland, Litouwen en Bulgarije worden versneld met name via een analytisch onderzoek van het acquis van de Unie. Deze voorbereiding kan ook tijdens bilaterale bijeenkomsten op ministerieel niveau met de lidstaten van de Unie ter sprake komen.
28. De toetreding van Cyprus dient aan alle gemeenschappen ten goede te komen en bij te dragen tot rust onder de burgerbevolking en tot verzoening. De toetredingsonderhandelingen zullen op positieve wijze bijdragen tot het zoeken naar een politieke oplossing voor de kwestie Cyprus door middel van de onderhandelingen onder auspiciën van de Verenigde Naties, die moeten worden voortgezet teneinde tot een federatie van twee gemeenschappen en twee zones te komen. In dit verband spreekt de Europese Raad de wens uit dat gevolg wordt gegeven aan de wil van de regering van Cyprus om in de delegatie voor de toetredingsonderhandelingen vertegenwoordigers van de Turks-Cypriotische gemeenschap op te nemen. Het voorzitterschap en de Commissie zullen de nodige contacten leggen om ervoor te zorgen dat aan die wens gehoor wordt gegeven.
d. Follow-up-procedure
29. Over de vorderingen van elke Midden- en Oost-Europese kandidaat-lidstaat op weg naar de toetreding in het licht van de criteria van Kopenhagen, met name over het tempo waarin het acquis van de Unie wordt overgenomen, wordt voor elk betrokken land door de Commissie regelmatig een verslag voorgelegd aan de Raad, in voorkomend geval vergezeld van aanbevelingen voor de opening van bilaterale intergouvernementele conferenties, en zulks vanaf eind 1998. Voorafgaand aan deze jaarlijkse verslagen zullen de uitvoering van de partnerschappen voor toetreding en de stand van de overname van het acquis met elke kandidaat-lidstaat in het kader van de bij de Europa-overeenkomsten ingestelde organen worden bekeken. De verslagen van de Commissie zullen als basis dienen om in het kader van de Raad de besluiten te nemen die in verband met het voeren van de toetredingsonderhandelingen of de uitbreiding daarvan tot andere kandidaten noodzakelijk zijn. In dit verband zal de Commissie, bij de beoordeling van het vermogen van de kandidaat-lidstaten om aan de economische criteria en de uit de toetreding voortvloeiende verplichtingen te voldoen, de in Agenda 2000 vastgelegde methode aanhouden.
30. Bij de beoordeling van de vorderingen van de kandidaat-lidstaten aan de hand van de op gezette tijden door de Commissie aan de Raad voor te leggen verslagen, dient een dynamische benadering te worden gehandhaafd.
Een Europa-strategie voor Turkije
31. De Europese Raad bevestigt dat Turkije in aanmerking komt voor toetreding tot de Europese Unie. Turkije zal worden beoordeeld op basis van dezelfde criteria als de andere kandidaat-lidstaten. Ofschoon nog niet voldaan is aan de politieke en economische voorwaarden om toetredingsonderhandelingen te kunnen overwegen, acht de Europese Raad het niettemin van belang een strategie uit te stippelen om Turkije op toetreding voor te bereiden door het op alle gebieden dichter bij de Europese Unie te brengen.
32. Deze strategie zou moeten bestaan uit:
- ontwikkeling van de mogelijkheden die de Overeenkomst van Ankara biedt;
- verdieping van de douane-unie;
- uitvoering van de financiële samenwerking;
- aanpassing van de wetgeving en overname van het acquis van de Unie, en
- deelneming, volgens een per geval te nemen besluit, aan bepaalde programma's en agentschappen naar analogie van het bepaalde in de punten 19 en 21.
33. De strategie zal door de Associatieraad opnieuw worden bekeken, met name op basis van artikel 28 van de Associatie-overeenkomst, in het licht van de criteria van Kopenhagen en van het standpunt dat de Raad op 29 april 1997 heeft ingenomen.
34. Voorts zal deelname aan de Europese Conferentie de lidstaten van de Europese Unie en Turkije in staat stellen hun dialoog en hun samenwerking op gebieden van gemeenschappelijk belang te versterken.
35. De Europese Raad herinnert eraan dat versterking van de banden van Turkije met de Europese Unie ook afhankelijk is van de voortgang van de politieke en economische hervormingen waarmee Turkije bezig is, met name bij de afstemming van de normen en de praktijk op het gebied van de mensenrechten op die van de Europese Unie, van het respecteren en beschermen van de minderheden, van de totstandbrenging van bevredigende en stabiele betrekkingen tussen Griekenland en Turkije, van de regeling van geschillen, met name via een rechterlijke uitspraak, en inzonderheid door het Internationale Gerechtshof, alsmede van de steun voor de onder VN-auspiciën gevoerde onderhandelingen om te komen tot een politieke regeling van de kwestie Cyprus, op basis van de desbetreffende resoluties van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties.
36. De Europese Raad neemt de beleidskoers over die tijdens de Raad (Algemene Zaken) van 24 november 1997 is uitgestippeld inzake de toekomst van de betrekkingen tussen de Unie en Turkije en verzoekt de Commissie passende voorstellen te doen.
ONTWIKKELING VAN HET BELEID VAN DE UNIE: AGENDA 2000
37. De Europese Raad heeft de mededeling van de Commissie over Agenda 2000 met betrekking tot de ontwikkeling van het beleid van de Unie en het toekomstige financieringskader met instemming begroet. Hij bevestigt dat de Unie zich er vóór de uitbreiding van dient te verzekeren dat zij in staat is deze uitbreiding in optimale omstandigheden tegemoet te treden door haar beleid en de financiering ervan waar nodig bij te sturen, rekening houdend met het feit dat een financieringskader voor het beleid van de Unie onontbeerlijk is. De noodzaak van begrotingsdiscipline en doeltreffendheid van de uitgaven dient te prevaleren zowel op het niveau van de Unie, als op het niveau van de lidstaten.
38. De Europese Raad is van oordeel dat de in Agenda 2000 vervatte voorstellen van de Commissie de basis vormen voor de verdere onderhandelingen over een akkoord over het beleid van de Unie en het financieringskader. Hij verzoekt de Commissie om, in het licht van de eerste discussies en deze beleidslijnen, haar voorstellen betreffende het geheel van deze vraagstukken zo spoedig mogelijk in te dienen. De Europese Raad neemt er akte van dat de Commissie voornemens is haar verslag over de werking van het stelsel van de eigen middelen uiterlijk in het najaar van 1998 in te dienen.
39. Omwille van de transparantie is het belangrijk dat bij de presentatie en de uitvoering van het toekomstige financieringskader een duidelijk onderscheid wordt gemaakt tussen de uitgaven die betrekking hebben op de Unie in haar huidige samenstelling en die welke bestemd zijn voor de toekomstige lidstaten uit hoofde van de pretoetredingssteun of de toetredingssteun.
GEMEENSCHAPPELIJK LANDBOUWBELEID
40. De Europese Raad heeft nota genomen van de bevindingen van de Raad (Landbouw). De Unie wil het huidige Europese landbouwmodel blijven ontwikkelen en tegelijk streven naar versterking van haar interne en externe concurrentiepositie. De Europese landbouw moet een multifunctionele, duurzame en concurrerende economische sector zijn die overal op het Europese grondgebied aanwezig is, ook in de gebieden met specifieke problemen. Het in 1992 begonnen hervormingsproces moet worden voortgezet, uitgediept, aangepast en aangevuld door het uit te breiden tot de mediterrane producten. De hervorming moet oplossingen opleveren die economisch gezond, levensvatbaar en sociaal aanvaardbaar zijn en kunnen zorgen voor een billijk inkomen en een juist evenwicht tussen productiesectoren, producenten en regio's, zonder de concurrentie te verstoren. De financiële middelen voor het gemeenschappelijk landbouwbeleid zullen worden vastgesteld op basis van het landbouwrichtsnoer.
ECONOMISCHE EN MONETAIRE UNIE
41. De Europese Raad constateert met voldoening dat de belangrijkste stappen voor de overgang naar het gebruik van één munt nu zijn gezet, dankzij de bijdragen van de Raad, de Commissie, het Europees Parlement en het Europees Monetair Instituut:
- Het stabiliteits- en groeipact en de wetgeving betreffende de juridische status van de euro zijn door de Raad goedgekeurd. In dat verband is besloten dat de euro-muntstukken en -biljetten vanaf 1 januari 2002 zullen worden ingevoerd.
- De Raad heeft in een gemeenschappelijk standpunt de denominaties en de technische specificaties van de euro-muntstukken vastgesteld.
- De Raad en het Europees Parlement hebben overeenstemming bereikt over het tijdschema en de praktische procedures voor de voorbereiding van de besluiten betreffende de definitieve selectie van de lidstaten die aan de vereiste voorwaarden voldoen, alsmede voor de benoeming van de president, de vice-president en de leden van de directie van de Europese Centrale Bank. In deze context zullen de Commissie en het Europees Monetair Instituut hun convergentieverslagen vóór eind maart uitbrengen en is aan de lidstaten gevraagd om de nodige financiële statistieken in de laatste week van februari bekend te maken, op het moment waarop daarvan kennisgeving wordt gedaan aan de Commissie.
- De bilaterale wisselkoersen die als basis voor de vaststelling van de omrekeningskoersen van de euro dienen, zullen voor de lidstaten die vanaf het begin aan de euro meedoen, worden bekendgemaakt op 3 mei 1998.
42. De Europese Raad verzoekt om de vóór mei 1998 af te ronden laatste praktische voorbereidingen voor de uitvoering van de derde fase van de EMU, op alle niveaus te bespoedigen.
43. De Europese Raad neemt nota van het verslag van de Raad over de voorbereidingen voor de derde fase van de Economische en Monetaire Unie. Daarin wordt een overzicht gegeven van de beginselen en procedures voor een versterkte economische coördinatie tussen de lidstaten die één munt gemeen zullen hebben, alsook tussen deze lidstaten en de staten die nog niet aan de euro kunnen meedoen.
44. Krachtens het Verdrag is de Raad (ECOFIN) het centrale orgaan voor de coördinatie van het economisch beleid van de lidstaten en is hij bevoegd in de betrokken sectoren besluiten te nemen. Met name is de Raad (ECOFIN) als enig orgaan bevoegd om de globale richtsnoeren voor het economisch beleid, het belangrijkste instrument voor economische coördinatie, te formuleren en aan te nemen.
Deze doorslaggevende positie van de Raad (ECOFIN) als centraal orgaan voor het economisch coördinatie- en besluitvormingsproces vormt een bevestiging van de eenheid en de samenhang van de Gemeenschap.
De ministers van de landen die aan de eurozone deelnemen kunnen op informele wijze bijeenkomen ter bespreking van vraagstukken die verband houden met hun specifieke verantwoordelijkheid op het gebied van de eenheidsmunt. De Commissie, en in voorkomend geval de Europese Centrale Bank, worden uitgenodigd aan die vergaderingen deel te nemen.
Telkens wanneer vraagstukken van gemeenschappelijk belang aan de orde zijn, worden zij besproken door de ministers van alle lidstaten.
Telkens wanneer er een besluit moet worden genomen, wordt dat genomen door de Raad (ECOFIN), overeenkomstig de bij het Verdrag bepaalde procedures.
45. Wat de uitvoering van de bepalingen inzake het wisselkoersbeleid betreft, is overeengekomen dat alleen in uitzonderlijke omstandigheden, en in het licht van de in het Verdrag neergelegde beginselen en beleidslijnen, zal worden overgegaan tot de vaststelling van algemene oriëntaties voor het wisselkoersbeleid ten opzichte van een of meer niet-communautaire valuta's.
46. De Raad en de Europese Centrale Bank zullen zich op doeltreffende wijze en met inachtneming van de in het Verdrag vastgestelde bevoegdheidsverdeling kwijten van hun taken op het gebied van de vertegenwoordiging van de Gemeenschap in internationaal verband. De Commissie wordt bij de externe vertegenwoordiging betrokken voor zover dat nodig is om de rol te kunnen spelen die haar luidens de bepalingen van het Verdrag toekomt.
47. Voor de goede werking van de Economische en Monetaire Unie is het belangrijk om, met inachtneming van de onafhankelijke positie van de Europese Centrale Bank, een permanente en vruchtbare dialoog tussen de Raad en de Bank tot stand te brengen.
48. De Europese Raad heeft een resolutie aangenomen waarin de voornaamste punten van voornoemd verslag worden overgenomen (zie bijlage 1).
WERKGELEGENHEID
49. De buitengewone Europese Raad over werkgelegenheid (Luxemburg, 20 en 21 november 1997) heeft besloten om het in de praktijk mogelijk te maken de bepalingen van het toekomstige Verdragsartikel 128 betreffende de coördinatie van het werkgelegenheidsbeleid van de lidstaten met ingang van 1998 vervroegd toe te passen. Naar aanleiding daarvan constateert de Europese Raad met tevredenheid dat het instrumentarium voor een actie van de Unie ter bevordering van de werkgelegenheid nu gereed is, en dat de Raad (Arbeid en Sociale Zaken) op 15 december 1997 de richtsnoeren voor 1998 zal aannemen.
INTERNE MARKT
50. De Europese Raad is verheugd over de vooruitgang die sedert de Europese Raad van Amsterdam bij de uitvoering van het actieplan voor de interne markt is geboekt en bevestigt dat de voltooiing en stabilisatie van de interne markt in belangrijke mate bijdragen tot versterking van het concurrentievermogen en de economische groei, alsmede tot het scheppen van arbeidsplaatsen in de Europese Unie.
51. In het kader van het gezamenlijke werkprogramma van het Luxemburgse, het Britse en het Oostenrijkse voorzitterschap wordt bijzondere aandacht besteed aan de invoering en de follow-up van de wetgeving op het gebied van de interne markt - zie het eerste scorebord dat de Commissie ter zake heeft gepresenteerd. Over verscheidene prioritaire dossiers is onlangs een politiek akkoord bereikt (rechtsbescherming van biotechnologische uitvindingen, transparantiemechanisme voor de diensten van de informatiemaatschappij, liberalisering van de gasmarkt). Andere dossiers wachten nog op een succesvolle afronding (Europese vennootschap, tekeningen en modellen, enz.). Ook de belangrijke conclusies inzake het belastingbeleid waarover de Raad onlangs een akkoord heeft bereikt, zullen de resterende verstoringen van de interne markt helpen verkleinen. De Europese Raad verzoekt de Raad de inspanning om de richtsnoeren van het actieplan binnen de vastgestelde termijnen uit te voeren, met bekwame spoed voort te zetten, zulks met het oog op de versterking van het wettelijk kader van de interne markt en de daadwerkelijke omzetting daarvan in de economische praktijk.
52. De Europese Raad is verheugd over het feit dat de Commissie gevolg heeft gegeven aan het verzoek van de Europese Raad van Amsterdam om na te gaan hoe het vrije verkeer van goederen efficiënt kan worden gewaarborgd, en hij verzoekt de Raad en het Parlement om dit voorstel met bekwame spoed te behandelen.
WTO: FINANCIËLE DIENSTEN
53. De Europese Raad is verheugd over de succesvolle afronding van de WTO-onderhandelingen over financiële diensten in Genève, waarbij de interimovereenkomst van 1995 door een permanente en substantiële overeenkomst is vervangen. De Europese Raad acht het van belang dat de Unie de van de positieve afsluiting van deze onderhandelingen uitgaande liberaliseringsimpuls aangrijpt om - met name in de context van de voorbereidingen voor de ministeriële vergadering van de Wereldhandelsorganisatie in mei 1998 - initiatieven te blijven nemen met het oog op de openstelling van de markt in het vooruitzicht van de volgende eeuw.
INFORMATICAPROBLEMEN IN VERBAND MET DE EEUWWISSELING
54. De Europese Raad toont zich tevreden over het voornemen van de Commissie om een mededeling voor te leggen over de informaticaproblemen in verband met de overgang naar het jaar 2000 en verzoekt het toekomstige voorzitterschap aan de follow-up van die mededeling de hoogste prioriteit toe te kennen.
MILIEU/VOLKSGEZONDHEID
Klimaatverandering
55. De Europese Raad heeft kennis genomen van het akkoord dat zopas in Kyoto is bereikt over een Protocol bij het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering, waarin alle geïndustrialiseerde landen significante verbintenissen aangaan die zullen leiden tot een beperking van de uitstoot van broeikasgassen met meer dan 5%. Hij beschouwt dit resultaat als een eerste stap voorwaarts die in de toekomst door andere moet worden gevolgd.
56. De Europese Raad benadrukt zijn overtuiging - die in het toekomstige artikel 6 van het Verdrag is verwoord - dat de milieubeschermingseisen moeten worden geïntegreerd in het beleid en de maatregelen van de Gemeenschap, in het bijzonder met het oog op het bevorderen van duurzame ontwikkeling. Hij verzoekt de Commissie daarom hem voor zijn bijeenkomst in juni 1998 een strategie voor te leggen om dit doel te bereiken.
Voedselveiligheid
57. Meer dan ooit vormt voedselveiligheid voor de burger een bron van grote bezorgdheid. Alles moet in het werk worden gesteld om het door de BSE-crisis geschokte vertrouwen te herstellen. Met het oog hierop heeft de Europese Raad zijn goedkeuring gehecht aan de verklaring in bijlage 2 dezes.
Gezondheid
58. De Europese Raad verzoekt de Commissie de voorwaarden te onderzoeken om onder auspiciën van UNAIDS met het oog op de AIDS-bestrijding in de ontwikkelingslanden een fonds voor therapeutische solidariteit in te stellen.
JUSTITIE EN BINNENLANDSE ZAKEN
59. De Europese Raad heeft kennis genomen van het jongste verslag over de werkzaam-heden in de sector justitie en binnenlandse zaken en wijst op de vooruitgang die tijdens het laatste halfjaar is geboekt. Hij is verheugd dat de Overeenkomst "Napels II" inzake wederzijdse bijstand en samenwerking tussen de douaneadministraties over enkele dagen ondertekend wordt.
60. De Europese Raad is tevens ingenomen met het politieke akkoord dat is bereikt over de belangrijkste aspecten van het ontwerp-verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken (Verdrag Brussel II); dit verdrag zal een belangrijke rol spelen in het leven van de burgers van de Unie. De Europese Raad verzoekt om de besprekingen over dit ontwerp tijdens het Britse voorzitterschap af te ronden.
61. Hij constateert met voldoening dat één van de andere punten waarop vooruitgang is geboekt, de aanneming is van de eerste concrete maatregelen voor de verwezenlijking van het actieplan betreffende de georganiseerde criminaliteit. Hij verzoekt de Raad de verwezenlijking van dit door de Europese Raad van Amsterdam goedgekeurde programma met bekwame spoed voort te zetten. In dat verband zijn aanzienlijke vorderingen gemaakt met betrekking tot het ontwerp van een gemeenschappelijk optreden inzake de strafbaarstelling van deelneming aan een criminele organisatie in de lidstaten van de Europese Unie en het ontwerp van een gemeenschappelijk optreden inzake de oprichting van een Europees justitieel netwerk; hij verzoekt de Raad deze twee instrumenten voor eind maart 1998 vast te stellen.
62. De Europese Raad bevestigt in deze context opnieuw de rol van Europol als instrument bij uitstek voor de politiële samenwerking, met name bij de bestrijding van de georganiseerde criminaliteit. Hij erkent dat er vooruitgang is geboekt met de installatie van Europol, maar betreurt het dat vanwege de stand van de bekrachtiging in diverse lidstaten de inwerkingtreding van de overeenkomst met enkele maanden is uitgesteld.
63. Het verslag over de uitvoering van het drugbestrijdingsprogramma beschrijft de vorderingen op het gebied van harmonisatie van wetgeving en praktijk inzake bestrijding van synthetische drugs en internationale samenwerking. In dit verband is aanzienlijke vooruitgang geboekt bij de toepassing van het samenwerkingsmechanisme Europese Unie/Latijns-Amerika, met inbegrip van het Caribische gebied. De Raad is verheugd over het voorbereidend werk voor de uitvoering van projecten voor de bestrijding van de doorvoer en de productie van drugs in Centraal-Azië, en voor de opstelling van een meerjarenactieprogramma voor samenwerking op dat gebied met Rusland en de nieuwe onafhankelijke staten.
64. De situatie als gevolg van de massale toevloed van immigranten, met name uit Irak, is zorgwekkend. De Raad moet spoedig een actieplan opstellen en uitvoeren om dit probleem aan te pakken.
65. De Europese Raad onderstreept het belang van de in het kader van het jaar tegen racisme en vreemdelingenhaat ontwikkelde initiatieven ten behoeve van een rechtvaardiger en verdraagzamer maatschappij en verwelkomt de spoedige start van de werkzaamheden van het Waarnemingscentrum voor racisme en vreemdelingenhaat.
66. De Europese Raad verzoekt tot slot de Raad om zich te blijven inzetten voor de opneming van het Schengen-acquis, met inbegrip van de bepaling van de rechtsgrondslagen van het acquis en de onderhandelingen over overeenkomsten die met IJsland en Noorwegen moeten worden gesloten. Hij merkt op dat deze werkzaamheden te gelegener tijd moeten worden afgerond opdat deze bepalingen daadwerkelijk kunnen worden toegepast zodra het Verdrag van Amsterdam in werking treedt.
REGIONALE SAMENWERKING IN EUROPA
67. De regionale samenwerking speelt een zeer belangrijke rol voor de stabiliteit en de welvaart in Europa. De Europese Raad neemt met voldoening nota van de verslagen die de Commissie, overeenkomstig haar toezegging tijdens de Europese Raad van Dublin, heeft ingediend over de regionale samenwerking, met name in het gebied van de Zwarte Zee, in Midden-Europa en Zuidoost-Europa. Hij neemt nota van de positieve ontwikkeling in de Oostzee (Raad van de Baltische-Zeestaten) en in het arctische gebied van de Barentsz-zee. Hij verzoekt de Raad deze verslagen te bestuderen.
68. De Europese Raad heeft nota genomen van het voorstel van Finland betreffende een noordelijke dimensie van de beleidsmaatregelen van de Unie en verzoekt de Commissie hierover, tijdens een komende bijeenkomst van de Europese Raad in 1998 een tussentijds verslag voor te leggen.
50 JAAR UNIVERSELE VERKLARING VAN DE RECHTEN VAN DE MENS
69. De Europese Raad heeft de verklaring in bijlage 3 goedgekeurd.
VREDESPROCES IN HET MIDDEN-OOSTEN
70. De Europese Raad heeft de ontwikkelingen in het vredesproces in het Midden-Oosten besproken in het licht van de resultaten van de informele bijeenkomst van de ministers van Buitenlandse Zaken in Mondorf op 25-26 oktober, het bezoek aan de regio door de voorzitter van de Raad van 10 tot 14 november en een verslag aan de Raad van de speciale gezant van de Europese Unie.
71. De Europese Raad verklaart nog steeds diep bezorgd te zijn over het gebrek aan vooruitgang bij de uitvoering van alle verplichtingen op grond van de Interimovereenkomsten tussen Israëli's en Palestijnen en het Protocol over Hebron, alsmede over de aanslepende impasse met Syrië en Libanon.
72. De Europese Raad bevestigt de "oproep tot vrede in het Midden-Oosten" die hij op 16-17 juni 1997 in Amsterdam heeft gedaan en herinnert aan zijn verklaring van Florence van 21 juni 1996. Hij roept alle partijen op hun verplichtingen uit hoofde van bestaande overeenkomsten na te komen en om hun verantwoordelijkheid op zich te nemen en op die manier weer vaart in het vredesproces te brengen, het proces voor verdere terugval te behoeden en de onderhandelingen in een sfeer van wederzijds vertrouwen te hervatten, teneinde voor het einde van de eeuw een rechtvaardige, duurzame en alomvattende vrede in het Midden-Oosten tot stand te brengen.
73. Hij spreekt zijn voldoening uit over het optreden van de speciale gezant en spoort hem aan zijn inspanningen ter ondersteuning van het vredesproces in het Midden-Oosten voort te zetten.
74. Hij onderschrijft de volgende richtsnoeren voor een beleid van de Europese Unie dat erop gericht is vooruitgang te bevorderen en het vertrouwen tussen de partijen te herstellen.
a. De Palestijnse component
Kortetermijnmaatregelen
75. De Europese Unie zal al haar politieke en morele gewicht blijven aanwenden teneinde ervoor te zorgen dat alle bepalingen in de reeds bereikte overeenkomsten zowel door Israëli's als Palestijnen volledig worden uitgevoerd op basis van wederkerigheid.
76. De Europese Raad benadrukt dat het dringend noodzakelijk is dat de partijen hun eerder aangegane verplichtingen nakomen, in het bijzonder wat geloofwaardige en betekenisvolle herschikkingsmaatregelen betreft. Hij benadrukt tevens dat het van belang is af te zien van contra-productieve eenzijdige acties, bijvoorbeeld inzake nederzettingen en Jeruzalem. In dit verband toont de Europese Raad zich verheugd over de lopende besprekingen voor de spoedige aanneming van de door de Europese Unie voorgestelde gedragscode.
77. De Europese Raad herinnert eraan dat de EU vastbesloten is het terrorisme overal en ongeacht de motieven ervan te bestrijden. In dit verband benadrukt hij tevens het belang van de samenwerking op veiligheidsgebied tussen Israëli's en Palestijnen. Deze samenwerking dient versterkt te worden en mag in geen enkel geval worden afgebroken. Ook herinnert hij aan het voorstel van de Europese Unie voor de oprichting van een permanent veiligheidscomité als een middel om de samenwerking inzake veiligheid te institutionaliseren, evenals aan zijn programma voor bijstand aan de Palestijnse Autoriteit bij de bestrijding van het terrorisme.
78. Deze maatregelen zullen bijdragen tot herstel van de sfeer van partnerschap en wederzijds vertrouwen die nodig is voor de uitvoering van de interimovereenkomsten en het Protocol over Hebron, en voor de hervatting van de besprekingen over de definitieve status. Deze zijn bedoeld om een breuk in de onderhandelingen te voorkomen en om het vredesproces te behoeden voor gebeurtenissen die het kunnen schaden.
79. De Europese Raad wijst erop dat het van belang is dat de onderhandelingen in de negen bij de Interimovereenkomsten ingestelde comités worden afgesloten. De lucht- en zeehaven van Gaza en een verzekerde doorgang zijn bijzonder belangrijke en zeer urgente aangelegenheden, waarvoor de Europese Unie een aanzienlijke financiële bijdrage levert.
80. De Europese Raad beklemtoont dat de Europese Unie een belangrijke economische partner van zowel Israël als de Palestijnse Autoriteit is en de voornaamste donor van financiële hulp aan de Palestijnse Autoriteit. Economische ontwikkeling is een conditio sine qua non voor politieke stabiliteit. Hij herhaalt vastbesloten te zijn om, met name via de gezamenlijke dialoog met Israël, te werken aan de opheffing van de belemmeringen voor de ontwikkeling van de Palestijnse economie en om het vrije verkeer van personen en goederen te vergemakkelijken. Ook benadrukt hij de noodzaak van de volledige uitvoering van de EG/PLO-Interimovereenkomst. Tevens zal de Europese Unie haar steun aan de Palestijnse instellingen in Oost-Jeruzalem opvoeren.
81. De Europese Raad benadrukt het belang van de programma's ter bevordering van menselijke contacten als een wezenlijk middel voor de versterking van de dialoog en voor het herstel van het wederzijds vertrouwen tussen de partijen op het niveau van de civiele samenleving.
82. De Europese Unie zal ook de ontwikkelingen ter plaatse van nabij blijven volgen door middel van haar eigen controle-instrumenten, de waarnemingscentra voor de mensenrechten, Jeruzalem en de nederzettingen.
Middellange termijn
83. De Europese Raad verklaart dat de Europese Unie bereid is een bijdrage te leveren aan de onderhandelingen over de definitieve status door de partijen specifieke suggesties aan de hand te doen voor daarmee samenhangende onderwerpen, zoals de eventuele oprichting van een Palestijnse staat, grens- en veiligheidsregelingen, nederzettingen, vluchtelingen, Jeruzalem en de watervoorraden.
84. Ook vraagt hij de financiële steun van de Europese Unie aan het vredesproces opnieuw te bezien met het oog op een grotere doeltreffendheid bij de verwezenlijking van de doelstellingen van dat proces.
85. Hij dringt aan op de hervatting van de regionale economische samenwerking om aldus de sociale en economische ontwikkeling te bevorderen en een gunstig klimaat voor vreedzame betrekkingen te scheppen.
b. Syrië en Libanon
86. De Europese Raad bevestigt het belang dat de Europese Unie hecht aan het weer op gang brengen van de onderhandelingen op het Syrische en het Libanese spoor. De Europese Unie wenst het herstel van een alomvattend proces, op basis van het beginsel "land voor vrede", en eist de volledige uitvoering van resoluties 242, 338 en 425 van de VN-Veiligheidsraad.
c. Samenwerking met de VS en andere partijen
87. De Europese Raad steunt krachtig de inspanningen van de Verenigde Staten om het vredesproces nieuw leven in te blazen en geeft uiting aan de bereidheid van de Europese Unie om nauw samen te werken met de Verenigde Staten en nauwe contacten te onderhouden met Rusland en de partijen die in de regio aanwezig zijn.
BIJLAGEN BIJ DE CONCLUSIES VAN HET VOORZITTERSCHAP
RESOLUTIE VAN DE EUROPESE RAAD BETREFFENDE DE COÖRDINATIE VAN HET ECONOMISCH BELEID IN DE DERDE FASE VAN DE EMU, EN BETREFFENDE DE ARTIKELEN 109 EN 109 B VAN HET VERDRAG (BIJLAGE 1)
VERKLARING VAN DE EUROPESE RAAD OVER VOEDSELVEILIGHEID (BIJLAGE 2)
VERKLARING VAN DE EUROPESE RAAD BIJ DE AANVANG VAN HET JAAR VAN 50 JAAR UNIVERSELE VERKLARING VAN DE RECHTEN VAN DE MENS (BIJLAGE 3)
LIJST VAN DE AAN DE EUROPESE RAAD TOEGEZONDEN VERSLAGEN (BIJLAGE 4)
BIJLAGE 1
RESOLUTIE VAN DE EUROPESE RAAD BETREFFENDE DE COÖRDINATIE VAN
HET ECONOMISCH BELEID IN DE DERDE FASE VAN DE EMU,
EN BETREFFENDE DE ARTIKELEN 109 EN 109 B VAN HET VERDRAG
De Europese Raad, te Luxemburg bijeen op 13 december 1997,
verwijzend naar de conclusies van de Europese Raad van Amsterdam, met name inzake het verbeteren van het proces van economische coördinatie en een doeltreffende wijze om uitvoering te geven aan de artikelen 109 en 109 B van het Verdrag,
verwijzend naar de Resolutie van de Europese Raad van Amsterdam betreffende het Stabiliteits- en groeipact,
verwijzend naar de Resolutie van de Europese Raad van Amsterdam over groei en werkgelegenheid,
en verwijzend naar de conclusies van zijn zitting te Luxemburg, waarin hij het verslag van de Raadszitting van 1 december 1997 heeft bekrachtigd,
neemt de volgende resolutie aan:
I. Coördinatie van het economisch beleid in de derde fase van de EMU
1. De Economische en Monetaire Unie zal de banden tussen de economieën van de lidstaten van de eurozone nauwer aanhalen. Deze staten zullen één enkel monetair beleid en één enkele wisselkoers hebben. Conjunctuurontwikkelingen zullen waarschijnlijk tot verdere convergentie leiden. Het economisch beleid en de loonpolitiek blijven echter een nationale verantwoordelijkheid, onverminderd de bepalingen van artikel 104 C en het Stabiliteits- en groeipact. Voorzover de nationale economische ontwikkelingen een effect hebben op de inflatievooruitzichten in de eurozone, zullen zij de monetaire situatie in die zone beïnvloeden. Dit is de fundamentele reden waarom voor de overgang naar een eenheidsmunt het toezicht en de coördinatie, door de Gemeenschap, van het economisch beleid van de lidstaten van de eurozone moeten worden geïntensiveerd.
2. Ook zal er sprake zijn van een sterke economische en monetaire interdependentie met de niet-deelnemende lidstaten; zij nemen immers alle deel aan de interne markt. De noodzaak om een grotere convergentie en een vlotte werking van de interne markt te waarborgen vereist daarom dat alle lidstaten worden betrokken bij de coördinatie van het economisch beleid. Bovendien zal de interdependentie nog groter worden indien lidstaten die niet tot de eurozone behoren, deelnemen aan het nieuwe wisselkoersmechanisme, zoals van de derogerende landen mag worden verwacht.
3. Bij de verbetering van de coördinatie van het economisch beleid dient de volle aandacht uit te gaan naar economische ontwikkelingen en beleidsmaatregelen in de lidstaten welke van invloed kunnen zijn op de monetaire en financiële situatie in de gehele eurozone of op de vlotte werking van de interne markt. Dit behelst
- het nauwlettend toezien op de macro-economische ontwikkelingen in de lidstaten teneinde duurzame convergentie te waarborgen, alsmede op de wisselkoersontwikkelingen van de euro,
- het toezicht op de begrotingssituatie en het begrotingsbeleid overeenkomstig het Verdrag en het Stabiliteits- en groeipact,
- het toezicht op de structurele beleidsmaatregelen van de lidstaten op de arbeids-, de goederen- en de dienstenmarkt, en op kosten- en prijstendensen, inzonderheid voorzover zij van invloed zijn op de kansen om duurzame niet-inflatoire groei en nieuwe werkgelegenheid tot stand te brengen, en
- het stimuleren van belastinghervormingen ter verhoging van de doeltreffendheid en het ontmoedigen van schadelijke belastingconcurrentie.
De verbeterde coördinatie van het economisch beleid moet sporen met het in het Verdrag neergelegde subsidiariteitsbeginsel, de bevoegdheden van de regeringen der lidstaten voor het bepalen van hun eigen structuur- en begrotingsbeleid respecteren, onverminderd de bepalingen van het Verdrag en het Stabiliteits- en groeipact, de onafhankelijkheid van het Europees Stelsel van Centrale Banken bij het nastreven van zijn hoofddoel van prijsstabiliteit eerbiedigen, de rol van de Raad ECOFIN als het centrale besluitvormingsorgaan inzake economische coördinatie eerbiedigen en recht doen aan de nationale tradities alsmede aan de bevoegdheden en verantwoordelijkheden van de sociale partners bij het loonvormingsproces.
4. Met het oog op de goede werking van de EMU wordt de Raad, de Commissie en de lidstaten verzocht de Verdragsinstrumenten voor de coördinatie van het economisch beleid volledig en effectief toe te passen.
Te dien einde moeten de overeenkomstig artikel 103, lid 2, vastgestelde globale richtsnoeren voor het economisch beleid worden uitgebouwd tot een doeltreffend instrument om duurzame convergentie van de lidstaten te waarborgen. Zij dienen concretere, op individuele landen afgestemde richtlijnen te bieden en in sterkere mate gericht te worden op maatregelen ter verbetering van het groeipotentieel van de lidstaten, en aldus voor meer werkgelegenheid te zorgen. Derhalve moet in deze globale richtsnoeren meer de aandacht uitgaan naar verbetering van het concurrentievermogen, de doeltreffendheid van de arbeids-, goederen- en dienstenmarkt, onderwijs en opleiding, en naar belastingstelsels en stelsels van sociale bescherming die gunstiger voor de werkgelegenheid zijn.
In het kader van de verbeterde coördinatie moet erop worden toegezien dat het economisch beleid van de lidstaten en de implementatie daarvan in overeenstemming zijn met de globale richtsnoeren voor het economisch beleid en met de goede werking van de EMU. In het kader van het multilateraal toezicht als bedoeld in artikel 103, lid 3, moet worden toegezien op het economisch beleid en de economische ontwikkelingen in de lidstaten en de Gemeenschap. Er dient bijzondere aandacht uit te gaan naar het vroegtijdig signaleren, niet alleen van dreigende begrotingssituaties overeenkomstig het Stabiliteits- en groeipact, maar ook van andere ontwikkelingen die, als daaraan geen halt wordt toegeroepen, een gevaar kunnen vormen voor de stabiliteit, de concurrentiekracht en, op termijn, het scheppen van werkgelegenheid. Te dien einde zou de Raad zich eerder geneigd kunnen tonen om een lidstaat in overeenstemming met artikel 103, lid 4, de nodige aanbevelingen te doen, wanneer het economisch beleid van die lidstaat niet strookt met de globale economische richtsnoeren. Van zijn kant moet de betrokken lidstaat zich ertoe verbinden tijdig de doeltreffende maatregelen te nemen die hij nodig acht om aan de aanbevelingen van de Raad te voldoen. Tevens moeten de lidstaten zich verbinden tot volledige en snelle uitwisseling van informatie over economische ontwikkelingen en beleidsvoornemens die grensoverschrijdende consequenties kunnen hebben.
5. Toezicht op de economische situatie en beleidsbesprekingen dienen een vast punt op de agenda van de informele zittingen van de Raad (ECOFIN) te worden. Teneinde een open en eerlijk debat te stimuleren zal de Raad (ECOFIN) van tijd tot tijd in besloten kader (minister plus één) moeten bijeenkomen, met name in het kader van het multilateraal toezicht.
6. Op grond van het Verdrag is de Raad (ECOFIN) () het centrale orgaan voor de coördinatie van het economisch beleid van de lidstaten en is hij bevoegd in de betrokken sectoren besluiten te nemen. Met name is de Raad (ECOFIN) het enige orgaan dat bevoegd is om de globale richtsnoeren voor het economisch beleid, het belangrijkste instrument voor economische coördinatie, te formuleren en aan te nemen.
Deze doorslaggevende positie van de Raad ECOFIN in het middelpunt van het economisch coördinatie- en besluitvormingsproces vormt een bevestiging van de eenheid en de samenhang van de Gemeenschap.
De ministers van de landen die aan de eurozone deelnemen kunnen op informele wijze bijeenkomen ter bespreking van vraagstukken die verband houden met de specifieke verantwoordelijkheid die zij delen op het gebied van de eenheidsmunt. De Commissie, en in voorkomend geval de Europese Centrale Bank, worden uitgenodigd aan die vergaderingen deel te nemen.
Telkens wanneer vraagstukken van gemeenschappelijk belang aan de orde zijn, worden zij besproken door de ministers van alle lidstaten.
Alle eventuele besluiten worden genomen door de Raad (ECOFIN), overeenkomstig de bij het Verdrag bepaalde procedures.
II. Uitvoering van de Verdragsbepalingen over het wisselkoersbeleid, de externe positie en de vertegenwoordiging van de Gemeenschap (artikel 109)
7. De Europese Raad is zich bewust van de verantwoordelijkheid die op de Gemeenschap zal komen te rusten ingevolge de invoering van de euro, een van de belangrijkste valuta's in het mondiaal monetair stelsel. De bijdrage van de Gemeenschap bestaat erin via het ESCB, met strikte inachtneming van de in het Verdrag neergelegde bevoegdheidsverdeling en procedures, een centrum van prijsstabiliteit tot stand te brengen. De Europese Raad is zijnerzijds vastbesloten zijn volle medewerking te verlenen bij het leggen van de grondslagen voor een welvarende en sterke economie in de Gemeenschap, overeenkomstig het beginsel van een open markteconomie met vrije mededinging, die een doeltreffende verdeling van de middelen bevordert, en in overeenstemming met de beginselen van artikel 3 A van het Verdrag. De Europese Raad is ervan overtuigd dat daarmee de basis zal worden gelegd voor een sterke en gerespecteerde munt.
8. De Raad moet toezicht houden op de ontwikkeling van de wisselkoers van de euro in het licht van een breed scala van economische gegevens. De Commissie moet de Raad analyses verstrekken, en het Economisch en Financieel Comité moet de werkzaamheden van de Raad voorbereiden. Het is zaak volledige uitvoering te geven aan de Verdragsbepalingen om te zorgen voor uitwisseling van informatie en standpunten tussen de Raad en de ECB betreffende de koers van de euro. Hoewel wisselkoersen over het algemeen als het resultaat van alle andere economische beleidsmaatregelen moeten worden beschouwd, kan de Raad in uitzonderlijke gevallen, zoals bij duidelijk onjuiste wisselkoersverhoudingen, overeenkomstig artikel 109, lid 2, van het Verdrag algemene oriëntaties voor het wisselkoersbeleid ten opzichte van niet-Gemeenschapsvaluta's vaststellen. Deze algemene oriëntaties moeten altijd recht doen aan de onafhankelijkheid van het ESCB en stroken met het hoofddoel van het ESCB, namelijk het handhaven van de prijsstabiliteit.
9. De Raad neemt, op grond van artikel 109, lid 4, een besluit over het standpunt dat de Gemeenschap op internationaal niveau zal innemen betreffende aangelegenheden die van bijzonder belang zijn voor de Economische en Monetaire Unie. Het gaat in dit verband zowel om de bilaterale betrekkingen tussen de Europese Unie en afzonderlijke derde landen als om de besprekingen in internationale organisaties of informele groeperingen van landen. De draagwijdte van deze bepaling is noodzakelijkerwijs beperkt, omdat alleen de lidstaten van de eurozone stemrecht hebben in het kader van artikel 109.
10. De Raad en de Europese Centrale Bank vervullen hun taken bij de vertegenwoordiging van de Gemeenschap op internationaal niveau op efficiënte wijze en onder eerbiediging van de in het Verdrag vastgelegde bevoegdheidsverdeling. In andere sectoren van het economisch beleid dan het monetair en wisselkoersbeleid dienen de lidstaten hun eigen beleid buiten het Gemeenschapskader te blijven presenteren, daarbij ten volle rekening houdend met de belangen van de Gemeenschap. De Commissie wordt bij de externe vertegenwoordiging betrokken voorzover dat nodig is om haar in staat te stellen de rol op zich te nemen die haar krachtens de bepalingen van het Verdrag worden toegekend.
Bij de vertegenwoordiging in internationale organisaties dient te worden voldaan aan de regels van die organisaties. Vooral de betrekkingen van de Gemeenschap met het Internationaal Monetair Fonds moeten zijn gebaseerd op de Artikelen van Overeenkomst van het Fonds luidens welke alleen landen lid kunnen zijn van het Fonds. De lidstaten moeten in hun hoedanigheid van leden van het IMF helpen bij het opstellen van praktische regelingen ter vergemakkelijking van het toezicht van het IMF en van de presentatie van de standpunten van de Gemeenschap, met inbegrip van de meningen van het ESCB, in IMF-fora.
III. Dialoog tussen de Raad en de ECB
11. In het licht van de bevoegdheidsverdeling in het EG-Verdrag vereist de harmonische economische ontwikkeling van de Gemeenschap in de derde fase van de EMU een permanente en vruchtbare dialoog tussen de Raad en de Europese Centrale Bank, waarbij de Commissie wordt betrokken en waarbij de onafhankelijkheid van het ESCB in al haar aspecten wordt geëerbiedigd.
12. De Raad moet derhalve ten volle zijn bijdrage leveren bij het benutten van de communicatiekanalen die het Verdrag biedt. De voorzitter van de Raad dient, uitgaande van zijn positie uit hoofde van artikel 109 B van het Verdrag, aan de Raad van Bestuur van de ECB verslag uit te brengen over de evaluatie door de Raad van de economische toestand in de Unie en over het economisch beleid van de lidstaten, en kan met de ECB de standpunten van de Raad met betrekking tot de wisselkoersontwikkelingen en -vooruitzichten bespreken. Het Verdrag bepaalt voorts dat de president van de ECB de Raadszittingen bijwoont wanneer de Raad aangelegenheden bespreekt met betrekking tot de doelstellingen en de taken van het ESCB, bijvoorbeeld wanneer de globale richtsnoeren voor het economisch beleid worden opgesteld. Van belang zijn ook de jaarverslagen die de ECB aan het Europees Parlement, de Raad en de Commissie alsmede aan de Europese Raad doet toekomen.
Het Economisch en Financieel Comité, waarin hooggeplaatste ambtenaren van de nationale centrale banken, van de ECB en van de ministeries van Financiën zitting hebben, vormt het kader waarin de dialoog op het niveau van hoge ambtenaren kan worden voorbereid en voortgezet.
BIJLAGE 2
VERKLARING VAN DE EUROPESE RAAD
OVER VOEDSELVEILIGHEID
Meer dan ooit vormt voedselveiligheid voor de burger een bron van grote bezorgdheid. Alles moet in het werk worden gesteld om het door de BSE-crisis geschokte vertrouwen te herstellen. Voorts moet de consument door een passende voorlichting en educatie gemakkelijker een keuze kunnen maken.
De Europese Raad benadrukt dat het produceren en in de handel brengen van veilige levensmiddelen een van de prioriteiten van de Europese Unie moet zijn. Hij bevestigt dat hij er belang aan hecht dat een hoog niveau van bescherming van de volksgezondheid wordt gewaarborgd op basis van transparante wetenschappelijke adviezen van hoog niveau. Met inachtneming van het voorzorgsbeginsel moeten de communautaire instellingen en de lidstaten alle passende maatregelen treffen om dit doel te bereiken. De Gemeenschap moet doortastend optreden om hetzelfde doel te bereiken op het niveau van de bevoegde internationale instanties en in het kader van het handelsverkeer tussen de derde landen en de Europese Unie.
De Europese Raad is ingenomen met de oriënterende debatten over de veiligheid van levensmiddelen, die de ministers van Landbouw, Consumentenzaken, Interne Markt en Volksgezondheid in oktober, november en december 1997 hebben gevoerd en is van mening dat voedselveiligheid een voortdurende bron van zorg van de Europese Unie moet blijven.
De Europese Raad acht het noodzakelijk de communautaire wetgeving in sommige opzichten aan te vullen en haar te vereenvoudigen; daarbij moet een hoog beschermingsniveau worden gehandhaafd en worden getracht aan de legitieme verwachtingen van de consument te voldoen. Het is zaak om op doeltreffende en coherente wijze de hele voedselproductieketen te bestrijken.
Bij de follow-up van het groenboek over het levensmiddelenrecht dat de Commissie heeft ingediend, moet van het vereiste van voedselveiligheid worden uitgegaan. Het groenboek zal tevens als basis moeten dienen voor een etikettering van levensmiddelen die aan de verwachtingen van de consument beantwoordt, d.w.z. zo helder en informatief mogelijk is.
De Europese Raad herinnert eraan dat een doeltreffende uitvoering van de wetgeving een essentieel onderdeel van het proces is en verzoekt de lidstaten dan ook hun controle te verscherpen en hun coördinatie met de Commissie te verbeteren.
De Europese Raad verwelkomt verder de toezegging van de Commissie om tweemaal per jaar een activiteitenverslag inzake BSE aan het Europees Parlement en de Raad voor te leggen.
BIJLAGE 3
VERKLARING VAN DE EUROPESE RAAD
BIJ DE AANVANG VAN HET JAAR VAN
50 JAAR UNIVERSELE VERKLARING VAN DE RECHTEN VAN DE MENS
1. Op het ogenblik dat de viering van het 50-jarig bestaan van de Universele Verklaring van de rechten van de mens (UVRM) begint, bevestigt de Europese Raad plechtig het engagement van de Europese Unie om de rechten van alle mensen, zoals die in deze tekst geformuleerd zijn, te eerbiedigen en te verdedigen. De Europese Raad herinnert er tevens aan dat de Unie gegrondvest is op de beginselen van vrijheid, democratie, eerbiediging van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, en van de rechtsstaat, welke beginselen de lidstaten gemeen hebben.
2. De Europese Raad benadrukt het universele karakter van de rechten van de mens en herinnert aan de verplichting die, overeenkomstig het Handvest van de Verenigde Naties, op alle staten rust om de eerbiediging van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden voor allen, zonder onderscheid naar ras, geslacht, taal of godsdienst, te ontwikkelen en te bevorderen.
3. De Europese Raad herinnert aan zijn verklaring over de mensenrechten van juni 1991 en bevestigt dat de eerbiediging, bevordering en bescherming van de mensenrechten een wezenlijke factor van de internationale betrekkingen en een hoeksteen van de Europese samenwerking en van de betrekkingen van de Gemeenschap en haar lidstaten met derde landen vormen. De Europese Raad benadrukt de substantiële bijdrage van de Europese Unie aan de werkzaamheden van de verschillende permanente organen die zich, in het kader van de Verenigde Naties, van de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa en van de Raad van Europa, met de mensenrechten bezighouden.
4. De Europese Raad is ingenomen met de vorderingen die sinds de aanneming van de Universele Verklaring van de rechten van de mens op dit gebied zijn gemaakt, vooral via de uitwerking en uitvoering van mechanismen en instrumenten ter bescherming en bevordering van de mensenrechten. Hij betreurt evenwel dat de mensenrechten in alle delen van de wereld nog steeds op flagrante wijze worden geschonden.
5. Het jaar van de mensenrechten 1998, tevens het jaar van het vijftigjarige bestaan van de UVRM, zal ook aanleiding zijn tot een toetsing van de uitvoering van de verklaring en het actieprogramma van de Wereldconferentie over de mensenrechten van Wenen, vijf jaar na aanneming daarvan. Die markante gebeurtenissen in 1998 zouden ervoor moeten zorgen dat de wereldbevolking zich bewust wordt van en zich gaat inzetten voor de zaak van de mensenrechten, zodat op dat gebied verdere vorderingen kunnen worden gemaakt.
6. De Europese Raad doet een oproep tot alle Staten om hun optreden op het gebied van de mensenrechten kracht bij te zetten:
- door zich aan te sluiten bij de internationale instrumenten waarbij zij nog geen partij zijn teneinde te komen tot de universele bekrachtiging van de internationale verdragen en protocollen met betrekking tot de rechten van de mens;
- door te zorgen voor een stiptere uitvoering van die instrumenten;
- door de rol van de civiele samenleving bij de bevordering en bescherming van de mensenrechten te versterken;
- door de werkzaamheden op het terrein te bevorderen en de technische bijstand op het stuk van de mensenrechten te ontwikkelen;
- door met name de opleidings-, bewustmakings- en onderwijsprogramma's inzake mensenrechten te versterken.
7. De Europese Raad herinnert eraan dat de mensenrechten bijdragen tot het scheppen van voorwaarden die vrede, veiligheid, democratie en maatschappelijke en economische ontwikkeling in de hand werken. Daarom steunt hij de geïntegreerde benadering van de mensenrechten bij alle werkzaamheden van de Verenigde Naties en van andere internationale organisaties waar zulks relevant is.
8. De Europese Unie en haar lidstaten, die op substantiële wijze aan de activiteiten op het gebied van de mensenrechten bijdragen, beklemtonen dat het noodzakelijk is de middelen die de Verenigde Naties aan die activiteiten besteden, aanzienlijk te verruimen zodat zij in verhouding komen te staan tot het prioritaire belang dat door de internationale gemeenschap aan de bevordering en de bescherming van de mensenrechten gehecht wordt.
9. De Europese Unie geeft haar volledige steun aan de Hoge Commissaris voor de rechten van de mens en wijst op het belang van de taak van de Hoge Commissaris, mede in het kader van dit 50-jarig bestaan. Zij vestigt de aandacht van de internationale gemeenschap erop hoezeer het van belang is dat alle staten voluit meewerken aan de internationale instrumenten op het gebied van de mensenrechten.
10. De Europese Raad brengt hulde aan de verdedigers van de mensenrechten en aan de niet-gouvernementele organisaties, die door hun engagement een essentiële bijdrage leveren tot de verdediging en de eerbiediging van de mensenrechten.
11. De Europese Raad verwelkomt de uitvoering van academische programma's door de Europese Commissie in het kader van het 50-jarig bestaan. De lidstaten van de Europese Unie zullen op nationaal niveau activiteiten ontwikkelen rond dit jubileum.
12. De Europese Unie zal met de leden van de internationale gemeenschap blijven samenwerken om te komen tot een universele toepassing van de bestaande normen op het gebied van de mensenrechten, waaraan de Universele Verklaring van de rechten van de mens ten grondslag ligt.
_____________
BIJLAGE 4
AAN DE EUROPESE RAAD TOEGEZONDEN VERSLAGEN
- Verslag van de Raad aan de Europese Raad over de uitbreiding van de Unie en Agenda 2000
(doc. 13241/97)
- Verslag van de Raad aan de Europese Raad over de voorbereidingen voor de derde fase van de EMU
(doc. SN4832/97)
- Verslag van de Raad aan de Europese Raad over de verwezenlijkingen op het gebied van Justitie en Binnenlandse Zaken in 1997
(doc. 13191/1/97 REV 1)
- Verslag van de Raad aan de Europese Raad betreffende drugs
(doc. 12254/2/97 REV 2)
- Verslag van de Commissie over regionale samenwerking in Europa
(doc. 13051/97)
- Verslag van de Commissie "De wetgeving verbeteren"
(doc. 13002/97)
- Verslag van de Commissie over de uitvoering van het actieprogramma over de interne markt (scorebord van de interne markt)
(doc. 12602/1/97 REV 1)
- Jaarverslag van de Commissie over de Trans-Europese netwerken
(doc. 13203/97)
- Tweede verslag van de Commissie over de uitvoering van de aanbevelingen van de Groep Persoonlijke Vertegenwoordigers over een gezond financieel beheer (SEM 2000);
Conclusies van de Raad over dit verslag
(doc. 12231/97 + doc.12725/97)