INLEIDING
De Europese Raad heeft op zijn bijeenkomst op 16 en 17 juni 1997
in Amsterdam de IGC met succes afgesloten en volledige overeenstemming
bereikt over een ontwerpverdrag. Dit opent de weg voor de
start van het uitbreidingsproces conform de conclusies van de
Europese Raad van Madrid.
Voortbouwend op de conclusies van de Europese Raad van Dublin
in december en volledig overeenkomstig het vastgestelde tijdschema
is ook overeenstemming bereikt over de nodige resoluties van de
Europese Raad alsmede over andere teksten die een soepele overgang
naar en een geslaagd verloop van de derde fase van de Economische
en Monetaire Unie zullen vergemakkelijken.
De Europese Raad heeft meer bepaald de nadruk gelegd op de werkgelegenheidssituatie
en daartoe een Resolutie over groei en werkgelegenheid aangenomen
die tezamen met het stabiliteits en groeipact gunstige voorwaarden
zal scheppen voor economische groei en mogelijkheden voor nieuwe
banen.
De Europese Raad is zijn besprekingen begonnen met een gedachtewisseling met de heer José Maria GIL-ROBLES, Voorzitter van het Europees Parlement, over de belangrijkste gespreksonderwerpen van de bijeenkomst.
INTERGOUVERNEMENTELE CONFERENTIE
De Intergouvernementele Conferentie, op het niveau van de Staatshoofden
en Regeringsleiders bijeen, heeft overeenstemming bereikt over
het ontwerpverdrag van Amsterdam op basis van de teksten
in document CONF 4001/97. De noodzakelijke definitieve juridische
bijwerking en harmonisatie van de teksten zal worden afgerond
opdat het Verdrag in oktober 1997 in Amsterdam kan worden
ondertekend.
De Europese Raad verzoekt de Raad om op basis van de overeengekomen
teksten zo spoedig mogelijk de passende maatregelen te nemen teneinde
ervoor te zorgen dat het Verdrag volledige uitwerking heeft, zodra
het van kracht wordt :
- met betrekking tot de tweede pijler, de oprichting van de eenheid
voor beleidsplanning en vroegtijdige waarschuwing, zoals vermeld
in de desbetreffende verklaring die aan de Slotakte van het Verdrag
moet worden gehecht, en andere kwesties die verband houden met
de organisatie van het Secretariaat-Generaal van de Raad en de
nauwere samenwerking van de EU en de WEU ;
- met betrekking tot het Protocol van Schengen, de aanneming van
bepaalde maatregelen voor de uitvoering van het Protocol van Schengen
bij de inwerkingtreding van het Verdrag en de opneming van het
SchengenSecretariaat in het Secretariaat-Generaal van de
Raad.
In dit verband neemt de Europese Raad er met instemming nota
van dat de regelingen in het Protocol tot opneming van het Schengen-acquis
in het kader van de Unie en in het Protocol betreffende Denemarken
het mogelijk maken het behoud van de Noordse Paspoortunie te waarborgen
binnen het kader van uitgebreidere Europese samenwerking inzake
het vrije personenverkeer.
De Europese Raad neemt nota van de verklaring betreffende de openbare kredietinstellingen in Duitsland. Hij nodigt de Commissie uit te onderzoeken of in de andere lidstaten soortgelijke gevallen bestaan, in voorkomend geval op vergelijkbare gevallen dezelfde normen toe te passen en dit aan de Raad Ecofin mee te delen.
UITBREIDING
De Europese Raad merkt op dat het welslagen van de Intergouvernementele
Conferentie de weg heeft vrijgemaakt om conform de conclusies
van de Europese Raad van Madrid met het uitbreidingsproces te
starten.
Hij begroet het voornemen van de Commissie om tegen half juli
haar adviezen over de toetredingsaanvragen in te dienen, alsook
een uitgebreide mededeling ("Agenda 2000") over de ontwikkeling
van de beleidsterreinen van de Unie, met inbegrip van het landbouw-
en structuurbeleid, de horizontale vraagstukken in verband met
de uitbreiding en tenslotte het toekomstige financiële kader
voor de periode na 1999.
De Europese Raad neemt er nota van dat de Commissie in haar mededeling
"Agenda 2000" de voornaamste conclusies en aanbevelingen
uit de adviezen naar voren zal brengen en haar opvattingen kenbaar
zal maken inzake het op gang brengen van het toetredingsproces,
met inbegrip van voorstellen voor de versterking van de pretoetredingsstrategie
en de verdere ontwikkeling van de pretoetredingsbijstand, voortbouwend
op de reeds in gang gezette hervormingen van PHARE.
De Europese Raad verzoekt de Raad Algemene Zaken de adviezen en
de mededeling "Agenda 2000" van de Commissie grondig
te bestuderen en op de bijeenkomst in december in Luxemburg aan
de Europese Raad uitvoerig verslag uit te brengen.
Tijdens die bijeenkomst zal de Europese Raad, teneinde de onderhandelingen zo spoedig mogelijk na december 1997 van start te laten gaan, de nodige besluiten nemen inzake het algehele uitbreidingsproces, waaronder praktische regelingen voor de aanvangsfase van de onderhandelingen en de versterking van de pretoetredingsstrategie van de Unie, alsook andere middelen waarmee de samenwerking tussen de EU en alle kandidaatlanden kan worden versterkt.
ECONOMISCHE EN MONETAIRE UNIE
De Europese Raad verwelkomt de bijdragen van de Raad, de Commissie,
het Europees Parlement en het EMI, die de weg hebben gebaand voor
verdere concrete stappen om de EMU op 1 januari 1999
te laten ingaan en om de succesvolle werking ervan te garanderen.
* De Europese Raad heeft een resolutie aangenomen waarin de lidstaten,
de Commissie en de Raad zich duidelijk ertoe verbinden het stabiliteits-
en groeipact uit te voeren. De Europese Raad heeft ook een aparte
resolutie over groei en werkgelegenheid aangenomen, waarin de
lidstaten, de Commissie en de Raad zich er duidelijk toe verbinden
een nieuwe impuls te geven om werkgelegenheid boven aan de politieke
agenda van de Unie te houden. Een degelijk macro-economisch en
begrotingsbeleid gaat hand in hand met een krachtige en duurzame
groei van productie en werkgelegenheid. Beide resoluties (Bijlage I)
dragen bij tot macro-economische stabiliteit, groei en werkgelegenheid.
Er is overeenstemming bereikt over de twee verordeningen die
deel uitmaken van het stabiliteits en groeipact voor het
waarborgen van de begrotingsdiscipline in de EMU. Deze verordeningen
hebben tevens betrekking op de verplichtingen van de lidstaten
die niet aan de eurozone deelnemen. De Europese Raad verzoekt
de Raad om deze verordeningen onverwijld aan te nemen.
De verordeningen scheppen een kader voor doeltreffend multilateraal toezicht en verduidelijken de procedure bij buitensporige tekorten. De Europese Raad onderschrijft het mechanisme in de verordening inzake de procedure bij buitensporige tekorten, dat voorschrijft dat ontvangsten uit sancties worden verdeeld onder lidstaten die aan de eurozone deelnemen en geen buitensporig tekort hebben. Waar nodig zal het financieel reglement vóór eind 1998 worden aangepast. Er is overeengekomen dat eventuele sancties krachtens artikel 104 C
geen gevolgen zullen hebben voor de uitgavenmaxima in de financiële
vooruitzichten. Voorts wordt er nota van genomen dat uitgaven
om de ontvangsten uit sancties te verdelen niet in aanmerking
worden genomen voor het maximum van 1,335 % van het BNP voor
vastleggingskredieten als bedoeld in artikel 3, lid 2,
van het besluit betreffende de eigen middelen.
* De beginselen en fundamentele elementen van een per 1 januari 1999
in te stellen nieuw wisselkoersmechanisme (WKM 2) zijn neergelegd
in een resolutie die de Europese Raad heeft aangenomen (Bijlage
II). De Europese Raad neemt er nota van dat de presidenten van
de Centrale Banken de tekst van deze resolutie onderschrijven,
inclusief de fluctuatiemarges van +/ 15 %.
* Er is thans volledige overeenstemming bereikt over de twee verordeningen
die het wettelijk kader voor de euro vormen, en die binnenkort
samen zullen worden bekendgemaakt. De eerste verordening is gebaseerd
op artikel 235 en is al aangenomen, terwijl de tweede verordening
door de Raad zal worden aangenomen zodra zo spoedig mogelijk in
1998 het besluit is genomen over de lidstaten die deelnemen aan
de eurozone.
* De Europese Raad verwelkomt de keuze voor het ontwerp van de
euromunten, en onderschrijft deze keuze volledig. Samen met de
eurobiljetten is dit voor de burgers een tastbaar teken van de
voorbereidingen voor de euro.
De bereikte vooruitgang betekent dat de technische voorbereidingen voor de EMU nu grotendeels achter de rug zijn. De Europese Raad neemt er nota van dat de resterende periode voor het ingaan van de derde fase van de EMU op 1 januari 1999 gebruikt moet worden om de praktische inspanningen van alle actoren, met inbegrip van de overheidsinstanties, ter voorbereiding van de invoering van de euro op te voeren.
De Europese Raad verzoekt de Raad en de Commissie, in samenwerking
met het Europees Monetair Instituut te bestuderen hoe op doeltreffende
wijze uitvoering kan worden gegeven aan alle bepalingen van artikel
109 van het Verdrag en in het bijzonder artikel 109, lid 2,
betreffende de eventuele vaststelling van algemene oriëntaties
voor het wisselkoersbeleid ten opzichte van een of meer niet-gemeenschapsvaluta's,
zulks onverminderd de hoofddoelstelling van het Europees Stelsel
van Centrale Banken om de prijsstabiliteit te handhaven en onder
volledige inachtneming van de statuten van de Europese Centrale
Bank, artikel 109, lid 4, betreffende het standpunt
van de Gemeenschap in internationale fora ten aanzien van onderwerpen
die van bijzonder belang zijn voor de Economische en Monetaire
Unie en de wijze waarop zij overeenkomstig de in de artikelen 103
en 105 vastgelegde bevoegdheidsverdeling wordt vertegenwoordigd,
en artikel 109 B, lid 1, betreffende de bepalingen
omtrent de positie van de Raad in vergaderingen van de Raad van
Bestuur van de ECB.
De Europese Raad verzoekt de Raad en de Commissie voorts een onderzoek
in te stellen naar de processen van de economische coördinatie
in de derde fase van de Economische en Monetaire Unie en aan te
geven hoe die kunnen worden verbeterd op een wijze die strookt
met de beginselen en praktijken van het Verdrag. De Raad wordt
verzocht voor de bijeenkomst van de Europese Raad te Luxemburg
een voortgangsverslag op te stellen.
De Europese Raad stemt ten volle in met de aanbevelingen van de
Raad voor de globale richtsnoeren van het economische beleid van
de lidstaten en de Gemeenschap. In de resolutie over groei en
werkgelegenheid dringt de Europese Raad er bij de Raad op aan
de globale richtsnoeren meer toe te spitsen op werkgelegenheid.
De Raad wordt met klem verzocht die aanpak zo spoedig mogelijk
in de praktijk te brengen.
De Europese Raad neemt er nota van dat de krachtige inspanningen van de lidstaten om met name op begrotingsgebied een hoge mate van duurzame convergentie tot stand te brengen, bijdragen aan betere groei en werkgelegenheidsperspectieven voor 1997 en later.
De Europese Raad verwelkomt de door de Raad bereikte overeenstemming
over het tijdschema voor de uitvoering, zo spoedig mogelijk in
1998, van de procedure van artikel 109 J, lid 4.
Dit tijdschema moet het tevens mogelijk maken dat het Europees
Parlement zijn rol in dit proces volledig meespeelt.
De Europese Raad onderstreept het belang van strikte begrotingsdicipline,
niet alleen op nationaal niveau, maar ook op communautair niveau
in de context van de EUbegroting.
Hij verwelkomt de vooruitgang in de context van het SEM 2000programma voor goed en efficiënt financieel beheer, bevestigt andermaal het belang van dit initiatief voor de verbetering van het financieel beheer van de gemeenschapsuitgaven en de fraudebestrijding en benadrukt dat dit initiatief moet worden voortgezet.
WERKGELEGENHEID, CONCURRENTIEVERMOGEN EN GROEI
Teneinde de bevordering van de economische groei en de bestrijding
van de werkloosheid onverminderd voort te zetten, zal de Europese
Raad onder het Luxemburgse voorzitterschap in een buitengewone
bijeenkomst de balans opmaken van de vorderingen bij de uitvoering
van, onder andere, de initiatieven betreffende het midden
en kleinbedrijf als bron van werkgelegenheid, de nieuwe Adviesgroep
Concurrentievermogen, de studie van goede praktijken inzake werkgelegenheidsbeleid
van de lidstaten, en de initiatieven van de EIB inzake het scheppen
van mogelijkheden op de arbeidsmarkt, zoals genoemd in de Resolutie
van de Europese Raad betreffende groei en werkgelegenheid. De
Europese Raad verzoekt de Commissie en de Raad in samenwerking
met de EIB een voortgangsverslag voor de Europese Raad op te stellen.
De Europese Raad bevestigt nogmaals hoeveel belang hij hecht aan
de bevordering van de werkgelegenheid en het terugdringen van
de onaanvaardbaar hoge werkloosheid in Europa, vooral onder jongeren,
langdurig werklozen en laaggeschoolden.
De Raad herhaalt dat er behoefte is aan een positieve en coherente
aanpak voor het scheppen van banen die een stabiel macro-economisch
kader, voltooiing van de interne markt, een actief werkgelegenheidsbeleid
en de modernisering van de arbeidsmarkten omvat, ten einde de
lidstaten dichterbij het doel van volledige werkgelegenheid te
brengen.
De Europese Raad verwelkomt het gezamenlijk tussentijds verslag over werkgelegenheid van de Ecofin-Raad, de Raad Arbeid en Sociale Zaken en de Commissie, en het voortgangsverslag van de Voorzitter van de Commissie over het Vertrouwenspact voor werkgelegenheid in Europa.
De Europese Raad neemt met instemming kennis van het op de Intergouvernementele
Conferentie bereikte akkoord om zowel de Sociale Overeenkomst
als een nieuwe titel inzake werkgelegenheid in het Verdrag op
te nemen. De Raad moet ernaar streven dat de bepalingen van deze
titel onmiddellijk van kracht worden. Hiermee wordt onderstreept
dat het verband tussen het scheppen van banen, mogelijkheden op
de arbeidsmarkt en sociale cohesie van vitaal belang is.
Herstel van een duurzame, hoge en niet-inflatoire groei is noodzakelijk
teneinde te komen tot een duurzame oplossing voor het werkloosheidsprobleem
in de Gemeenschap en vooruitgang te boeken met de gezondmaking
van de overheidsfinanciën. Structurele tekortkomingen vormen
nog steeds een belemmering voor de groei en de mate waarin deze
in extra werkgelegenheid kan worden omgezet.
De Europese Raad acht het van het allerhoogste belang dat in de
lidstaten de voorwaarden worden geschapen voor de bevordering
van de scholing en de flexibiliteit van de werknemers en van arbeidsmarkten
die soepel reageren op economische veranderingen. Hiertoe moeten
de lidstaten actief ingrijpen op de arbeidsmarkt, zodat de mensen
hun mogelijkheden op de arbeidsmarkt kunnen ontwikkelen. Zulk
een optreden is voor de Europese Unie van belang om haar concurrentiepositie
op wereldschaal te handhaven en om de plaag van de werkloosheid
te bestrijden.
In de meeste lidstaten is een verlaging van de totale belastingdruk
wenselijk, in het bijzonder van de belastingdruk op arbeid. Tevens
wordt opgeroepen tot een restrictieve herschikking van de overheidsuitgaven
om de investeringen in menselijk potentieel, onderzoek en ontwikkeling,
innovatie en de voor het concurrentievermogen essentiële
infrastructuur te stimuleren.
Daarnaast moet de arbeidsmarktrelevantie van opleiding en permanente educatie worden verhoogd, moeten belasting- en sociale-uitkeringsstelsels verder worden bezien om de werkgelegenheid te vergroten, en moeten er meer actieve arbeidsmarktmaatregelen worden genomen. Doelmatigheid en billijkheid moeten worden verbeterd door een actiever gebruik van sociale overdrachten en door van de uitkeringsstelsels pro-actieve stelsels te maken die de mogelijkheden van werknemers op de arbeidsmarkt verhogen.
De Europese Raad neemt met voldoening kennis van het werk dat
is verricht op het stuk van indicatoren aan de hand waarvan de
resultaten van de maatregelen en het beleid van de lidstaten in
het kader van hun meerjarige werkgelegenheidsprogramma's kunnen
worden geijkt ("bench-marking"). De Europese Raad verzoekt
het Comité voor de werkgelegenheid en de arbeidsmarkt en
het Comité voor de Economische Politiek deze kwesties te
bespreken, om de lidstaten in staat te stellen bijzonder goede
prestaties en doeltreffende praktijken te onderkennen en in de
formulering van hun beleid te verwerken.
De inspanningen van de sociale partners inzake loonmatiging worden
gewaardeerd en moeten worden voortgezet. Voorts moet in loonovereenkomsten
meer rekening worden gehouden met de verschillen in kwalificaties
en tussen regio's zodat er meer banen kunnen worden geschapen.
De Europese Raad juicht de overeenkomst tussen de sociale partners
over deeltijdwerk ten zeerste toe en roept hen op om bij hun besprekingen
voor ogen te houden dat er een evenwicht moet worden gevonden
tussen het aanpassingsvermogen van de arbeidsmarkt en de sociale
zekerheid teneinde de mogelijkheden op de arbeidsmarkt te vergroten.
De Europese Raad neemt met voldoening nota van de uitgesproken
positieve reactie van de lidstaten op het verzoek van de Europese
Raad van Florence om regio's of steden aan te wijzen die kandidaat
kunnen zijn voor proefprojecten betreffende territoriale en lokale
werkgelegenheidspacten. Een en ander heeft ertoe geleid dat ongeveer
90 dergelijke pacten zijn opgesteld, waarvoor tijdens een conferentie
te Brussel in november aanstaande het startsein zal worden gegeven.
°
° °
De Europese Raad bevestigt andermaal hoeveel belang hij hecht
aan een goede werking van de interne markt, als essentieel onderdeel
van de algehele strategie ter bevordering van concurrentievermogen,
economische groei en werkgelegenheid in de Unie. Hij juicht het
"Actieprogramma voor de Interne Markt" van de
Commissie toe en onderschrijft de algemene doelstelling ervan.
De vier strategische doelstellingen van het actieprogramma moeten
de basis vormen voor een hernieuwd politiek streven om de resterende
belemmeringen weg te nemen, en zodoende te bewerkstelligen dat
het potentieel van de interne markt ten volle wordt benut.
De Europese Raad is het erover eens dat het van belang is volledige
samenhang te verzekeren tussen de maatregelen op het gebied van
de interne markt en andere beleidsvormen van de Unie, met name
de sociale dimensie, regionale samenhang, het concurrentiebeleid,
de ontwikkeling van het midden- en kleinbedrijf, milieubescherming,
gezondheid en consumentenrechten.
De Europese Raad benadrukt dat de verschillende categorieën
maatregelen uit het actieprogramma in verschillende fasen moet
worden uitgevoerd. In eerste instantie moeten de communautaire
instellingen en de lidstaten hun aandacht richten op terreinen
waar onmiddellijk kan worden opgetreden of waar onderhandelingen
over bestaande voorstellen snel kunnen worden afgerond.
De Europese Raad beklemtoont dat de eerste strategische doelstelling van het actieprogramma, namelijk doeltreffender regelgeving voor de interne markt, een terrein is waar onmiddellijk maatregelen kunnen worden getroffen.
De Europese Raad benadrukt dat het van cruciaal belang is dat
elke aangenomen regelgeving tijdig en correct in nationaal recht
wordt omgezet, dat burgers en bedrijfsleven volledige informatie
moeten krijgen omtrent de interne markt, dat het gemeenschapsrecht
effectief ten uitvoer moet worden gelegd in de lidstaten en dat
er snellere en doeltreffender procedures moeten komen om problemen
op te lossen, waaronder beraadslagingen op Raadsniveau in geval
van recurrente problemen. De Europese Raad verzoekt de Commissie
te onderzoeken op welke wijze het vrije verkeer van goederen op
doeltreffende wijze kan worden gewaarborgd, met inbegrip van de
mogelijkheid lidstaten sancties op te leggen. Hij verzoekt de
Commissie vóór zijn volgende bijeenkomst in december 1997
passende voorstellen in te dienen.
De Europese Raad bevestigt dat hij zich er krachtig toe verbindt
de bestaande en de nieuwe wettelijke en bestuursrechtelijke voorschriften
te vereenvoudigen, teneinde de kwaliteit van de communautaire
wetgeving te verbeteren en de administratieve lasten voor het
Europese bedrijfsleven, met name het midden en kleinbedrijf,
te verlichten. De Commissie wordt verzocht voor dat doel een task
force op te zetten. Voorts roept de Europese Raad de Commissie
op haar lopende vereenvoudigingsprogramma in overleg met alle
betrokken partijen uit te breiden en verzoekt hij de lidstaten
op nationaal niveau een vergelijkbare vereenvoudiging na te streven.
De Europese Raad dringt er bij de Raad en het Europees Parlement op aan ernaar te streven dat, op basis van de bestaande voorstellen, spoedig en indien mogelijk vóór het eind van dit jaar, overeenstemming wordt bereikt over een beperkt aantal prioritaire maatregelen uit het actieprogramma. Voorts verzoekt hij de Raad, indien nodig op grond van nieuwe Commissievoorstellen, de nodige stappen te nemen om tegen begin 1999 de ruimst mogelijke overeenstemming te bereiken over de overige sleutelsectoren van de interne markt.
De Europese Raad verheugt zich erover dat de volgende drie voorzitterschappen
zich ertoe verbonden hebben voorrang te geven aan het actieprogramma.
Hij verzoekt het Europees Parlement zijn politieke steun te verlenen
aan het actieprogramma, teneinde zoveel mogelijk vaart te zetten
achter de vaststelling van de bewuste regelgeving. De Commissie
wordt verzocht zowel aan de Raad als in december 1997 aan de Europese
Raad verslag uit te brengen over de voortgang bij de uitvoering
van het programma.
Aangezien het concurrentievermogen van de Europese industrie de
basis levert voor groei, het scheppen van banen en het verhogen
van de levensstandaard, verwelkomt de Europese Raad de conclusies
van de Raad Industrie van 24 april 1997 over de organisatie van
de werkzaamheden betreffende het concurrentievermogen van de Europese
industrie, volgens welke in het kader van de Industrieraad een
jaarlijks debat over het concurrentievermogen zal worden georganiseerd,
zulks op basis van een bench-markingprogramma dat door de Commissie
is opgesteld.
Ook zal de Commissie analyses en initiatieven op het gebied van
concurrentievermogen ontwikkelen, met name wat de sector informatie-
en communicatietechnologie (ICT) betreft. In dit verband juicht
de Europese Raad de oprichting van de nieuwe Adviesgroep Concurrentievermogen
toe.
°
° °
De leden van de Europese Raad waarvan de Staten partij zijn bij de Overeenkomst betreffende de Sociale Politiek die aan Protocol 14 van het Verdrag betreffende de Europese Unie is gehecht, juichen het besluit van het Verenigd Koninkrijk om tot de sociale bepalingen van het nieuwe Verdrag toe te treden van harte toe. Zij nemen met grote voldoening nota van de bereidheid van het Verenigd Koninkrijk de richtlijnen te aanvaarden die reeds op grond van de Overeenkomst zijn aangenomen alsmede die welke eventueel worden aangenomen vóór de inwerkingtreding van het nieuwe Verdrag. De Europese Raad neemt er nota van dat er een middel moet worden gevonden om vóór de ondertekening van het Verdrag van Amsterdam een rechtsgevolg aan deze wensen te geven.
In dat licht verklaren de leden van de Europese Raad, waarvan
de Staten partij zijn bij de Sociale Overeenkomst, dat het Verenigd
Koninkrijk thans zal worden verzocht zijn standpunten kenbaar
te maken bij besprekingen over besluiten die op basis van genoemd
protocol moeten worden aangenomen en dat het voorzitterschap en
de lidstaten, in volledige naleving van de bepalingen van genoemd
protocol alsmede die van het reglement van orde van de Raad, alles
in het werk zullen stellen om een oplossing te vinden waarin met
die standpunten rekening wordt gehouden.
Ook bevestigen zij dat, indien het Verdrag van Amsterdam niet vóór 1 januari 1998 in werking zou treden, tijdens het voorzitterschap van het Verenigd Koninkrijk in de eerst helft van 1998 het voorzitterschap van de Raad voor aangelegenheden die onder genoemd protocol vallen zal worden bekleed door de vertegenwoordiger van de Regering van dat land.
MILIEU
De Europese Raad bevestigt andermaal dat de Europese Unie zich
gebonden acht aan de Top van Rio over milieu en ontwikkeling van
vijf jaar geleden. De Europese Raad is van mening dat het proces
van Rio sneller moet toewerken naar een stadium waarin duurzame
wereldwijde ontwikkeling mogelijk is. Daartoe is het van essentieel
belang dat beleidskeuzen op economisch, milieu en sociaal gebied
geïntegreerd en goed afgestemd worden. Twee bijzonder belangrijke
doelstellingen zijn het uitroeien van armoede en het ombuigen
van de consumptie en productiepatronen. De Europese Unie
zal op de bijzondere zitting van de Algemene Vergadering van de
Verenigde Naties een leidende rol spelen om te trachten een consensus
te bereiken over concrete doelstellingen voor duurzame ontwikkeling.
De Europese Raad wijst andermaal op de noodzaak van een krachtig
antwoord op de dreigende klimaatverandering.
De Europese Raad bevestigt andermaal dat het onderhandelingsproces
voor het aanscherpen van het Raamverdrag inzake klimaatverandering
moet uitmonden in een protocol dat in december te Kyoto moet worden
goedgekeurd en dat juridisch afdwingbare verbintenissen bevat
tot aanmerkelijke algemene verminderingen van de uitstoot van
broeikasgassen na het jaar 2000 tot onder het niveau van 1990,
alsmede gemeenschappelijke en gecoördineerde beleidslijnen
en maatregelen.
De Europese Unie is overeengekomen om als onderhandelingspositie
van de Gemeenschap in Kyoto voor 2010 een vermindering van de
emissies van de belangrijkste broeikasgassen van 15 % ten
opzichte van 1990 voor te stellen.
De Europese Raad heeft verschillende initiatieven op milieugebied
besproken en bevestigt andermaal dat de Unie voorstander is van
een verdrag betreffende de bescherming van bossen.
°
° °
De Europese Raad heeft een verklaring over het verbod op het klonen van mensen aangenomen (Bijlage IV).
VRIJHEID, VEILIGHEID EN RECHTVAARDIGHEID :
ACTIE TEGEN DE GEORGANISEERDE CRIMINALITEIT EN DRUGS
De Europese Raad spreekt zijn voldoening uit over het actieplan
van de Groep op hoog niveau inzake georganiseerde criminaliteit,
dat het antwoord vormt op het haar door de regeringsleiders en
staatshoofden op hun bijeenkomst van december 1996 te Dublin
verleende mandaat. Hij onderschrijft de hem ter goedkeuring voorgelegde
politieke richtsnoeren en draagt de Raad op om de nodige maatregelen
te nemen om het plan uit te voeren, toe te zien op de vorderingen
en in juni 1998 verslag uit te brengen aan de Europese Raad.
Hij verwelkomt met name de in het actieplan gevolgde alomvattende
aanpak, waarin zowel de nadruk wordt gelegd op preventie als op
repressie, op het evenwicht tussen onderlinge aanpassing of harmonisatie
van de wetgevingen en praktische samenwerking tussen wetshandhavingsinstanties
op zowel gerechtelijk als politieel niveau, en op het belang van
samenwerking met de belangrijkste partners van de Unie, met name
met kandidaatlanden. De Europese Raad onderstreept de sleutelrol
die Europol moet gaan spelen bij de bestrijding van de georganiseerde
criminaliteit en wijst andermaal op de prioriteit die hij eraan
toekent dat de Europol-overeenkomst en het protocol inzake de
voorrechten en immuniteiten vóór eind 1997 door
alle lidstaten worden bekrachtigd.
De Europese Raad neemt nota van het tussentijds rapport van het voorzitterschap over drugs, waarin de maatregelen worden toegelicht die zijn genomen ingevolge de voorstellen die hij in Dublin had goedgekeurd met betrekking tot de verschillende aspecten van het drugsprobleem, met name het terugdringen van vraag en aanbod en internationale samenwerking. Hij verwelkomt de prioriteit die wordt toegekend aan synthetische drugs en het door de Raad aangenomen gemeenschappelijk optreden tot het instellen van een systeem voor vroegtijdige waarschuwing. Hij verzoekt de Raad zijn werk op het gebied van precursoren voort te zetten.
De Europese Raad verzoekt de Raad voort te werken aan samenwerking
met derde landen en regio's en de uitvoering van het gemeenschappelijk
optreden inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen en
praktijken van politie, douanediensten en gerechtelijke autoriteiten
bij de bestrijding van de drugsverslaving en de illegale drugshandel,
en verlangt dat de Raad een eerste beoordeling van de uitvoering
van de maatregelen opstelt voor de Europese Raad in Luxemburg.
CORRUPTIE
De Europese Raad verwelkomt de aanneming van de overeenkomst inzake
corruptie door de Ministers van Justitie en Binnenlandse Zaken
op hun zitting van mei 1997 en dringt erop aan dat de lidstaten
de overeenkomst spoedig bekrachtigen. Hij dringt er tevens op
aan dat de lidstaten de overeenkomst inzake de bescherming van
de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen en
het tweede protocol daarvan tegen medio 1998 bekrachtigen.
ASIEL EN IMMIGRATIE
De Europese Raad juicht de voltooiing toe van de bekrachtigingsprocedures
van de Overeenkomst betreffende de vaststelling van de staat die
verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dat
bij een van de lidstaten van de Europese Gemeenschappen wordt
ingediend (Overeenkomst van Dublin), waardoor deze overeenkomst
per 1 september 1997 in werking kan treden.
RACISME EN VREEMDELINGENHAAT
De Europese Raad verwelkomt de overeenstemming die is bereikt
over het in Wenen te vestigen Europees Waarnemingscentrum voor
racisme en vreemdelingenhaat.
Dit is een belangrijke stap in de context van het Europees Jaar 1997 tegen racisme en vreemdelingenhaat.
HET EXTERNE OPTREDEN VAN DE UNIE
HANDELSVRAAGSTUKKEN
De Europese Raad spreekt zijn voldoening uit over de sluiting
van de Informatietechnologie-overeenkomst en de succesvolle afsluiting
van de WTO-onderhandelingen over basistelecommunicatiediensten,
die samen voor omstreeks 1 biljoen dollar aan mondiale handel
in goederen en diensten liberaliseren.
Hij wijst opnieuw op het belang dat de Europese Unie hecht aan
de tenuitvoerlegging van het breedopgezette en geïntegreerde
actieplan van de WTO voor de minst ontwikkelde landen, dat tijdens
de Conferentie van Ministers van de WTO te Singapore is overeengekomen.
De Europese Raad neemt met voldoening nota van het door de Raad
gepresenteerde verslag over de ontwikkeling van de handelspolitiek
en de preferentiële overeenkomsten van de Gemeenschap, waarom
was verzocht door de Europese Raad van Florence.
BETREKKINGEN EU-VS
De Europese Raad neemt met voldoening nota van de vooruitgang die tijdens de Top EU-VS op 28 mei in Den Haag kon worden geregistreerd met betrekking tot de uitvoering van de Nieuwe Transatlantische Agenda en het Gezamenlijk Actieplan van de EU en de VS. Hij merkt voorts op dat de Top EU-VS samenviel met de viering van de 50e verjaardag van het Marshallplan, en zo de belangrijke rol onderstreepte die de EU en de VS vastbesloten zijn te blijven spelen door samen de stabiliteit en de ontwikkeling van een democratisch en onverdeeld Europa te bevorderen.
MIDDELLANDSE-ZEEGEBIED
De Europese Raad is ingenomen met de conclusies van de tweede
Europees-mediterrane Conferentie van 15 en 16 april 1997
te Valletta (Malta) waarin, op een bijzonder moeilijk tijdstip
wat de politieke omstandigheden in de regio betreft, de in 1995
in Barcelona overeengekomen beginselen en doelstellingen zijn
bevestigd en een aantal prioriteiten voor de toekomstige ontwikkeling
van het partnerschap zijn bepaald. De Europese Raad moedigt alle
partners aan actief te werken aan versterking van het partnerschap,
teneinde een gemeenschappelijk Europees-mediterraan gebied van
vrede, welvaart en stabiliteit tot stand te brengen.
De Europese Raad verheugt zich over de vorderingen die bij de
totstandbrenging van een Europees-mediterrane vrijhandelszone
zijn gemaakt door de verdere uitbreiding van een netwerk van Euro-mediterrane
overeenkomsten, die een essentieel onderdeel van het partnerschap
vormen. In dit verband verwelkomt hij de ondertekening van een
Euro-mediterrane Interim-Associatieovereenkomst met de Palestijnse
Bevrijdingsorganisatie ten behoeve van de Palestijnse Autoriteit
van de Westelijke Jordaanoever en de Gazastrook, en benadrukt
hij dat de nog in voorbereiding zijnde overeenkomsten met Egypte,
Libanon, Jordanië en Algerije zo spoedig mogelijk gesloten
moeten worden op basis van het mandaat dat de Raad is overeengekomen.
RUSLAND
De Europese Raad bevestigt eens te meer het fundamentele belang dat hij hecht aan de ontwikkeling van politieke en economische betrekkingen tussen de Unie en de Russische Federatie. Hij merkt met voldoening op dat de dialoog tussen de EU en Rusland zich op alle niveaus actief ontwikkelt, en dat met name de Top EU-Rusland een belangrijke bijdrage aan die ontwikkeling heeft geleverd.
De Europese Raad verheugt zich over de ondertekening van de Stichtingsakte
voor wederzijdse betrekkingen, samenwerking en veiligheid tussen
de NAVO en de Russische Federatie. Die overeenkomst, waarvan de
Europese Raad in zijn conclusies van Cannes van juni 1995
het idee heeft gesteund, is een fundamentele bijdrage aan de ontwikkeling
van een nieuwe Europese veiligheidsarchitectuur waarin Rusland
de plaats krijgt die het toekomt.
ZUID-AFRIKA
De Europese Raad memoreert het belang dat de Unie hecht aan de
intensivering en versterking van haar betrekkingen met Zuid-Afrika.
De ondertekening in april van het protocol waarbij de beperkte
toetreding van Zuid-Afrika tot de Overeenkomst van Lomé
wordt geregeld, was een belangrijke stap vooruit in dit proces.
Ook verheugt de Europese Raad zich over de bevestiging van de
Zuid-Afrikaanse Regering dat zij energiek wil blijven onderhandelen
met het oog op een spoedige sluiting van de overeenkomsten inzake
handel en samenwerking, visserij en wijn. De Europese Unie verheugt
zich op een nauwe samenwerking met Zuid-Afrika in zijn hoedanigheid
van lid van de OAE en de SADC, om bredere problemen van gemeenschappelijk
belang in Afrika te helpen oplossen.
VREDESPROCES IN HET MIDDEN-OOSTEN
De Europese Raad heeft de in Bijlage III opgenomen oproep tot vrede in het Midden-Oosten aangenomen.
VOORMALIG JOEGOSLAVIE
De Europese Raad blijft bezorgd over het tot op heden lage tempo
van de consolidatie van Bosnië-Herzegovina als één
staat overeenkomstig de Dayton-akkoorden. Hij herinnert de partijen
aan de verantwoordelijkheid die zij tegenover hun eigen bevolking
dragen voor de loyale naleving van de in Dayton aangegane verbintenissen
teneinde verdere rampspoed te voorkomen. Onder verwijzing naar
de verschillende verklaringen en conclusies van de Raad over Bosnië-Herzegovina
begroet en steunt hij de conclusies van de ministeriële bijeenkomst
van 30 mei in Sintra. Hij spreekt zijn grote waardering uit
voor de Hoge Vertegenwoordiger, de heer Carl Bildt, voor de wijze
waarop deze zich met inzet, energie en grote bekwaamheid van een
uitzonderlijk moeilijke taak heeft gekweten. De EU zal dezelfde
krachtige steun geven aan zijn opvolger, de heer Carlos Westendorp,
wiens benoeming de Europese Raad met instemming begroet. De Europese
Unie zal met hem en met andere leden van de internationale gemeenschap
samenwerken om de partijen in Bosnië-Herzegovina ertoe te
bewegen hun verbintenissen volledig na te komen, zowel in hun
eigen belang en in dat van hun bevolking als ter wille van de
stabiliteit in de regio.
De Europese Raad deelt de bezorgdheid van de internationale gemeenschap over de trage vorderingen die de FRJ maakt bij de totstandbrenging van een daadwerkelijke democratie en de eerbiediging van de fundamentele rechten en vrijheden en over de slechts gedeeltelijke uitvoering van het rapport Gonzalez. Hij herinnert de autoriteiten in Belgrado eraan dat de verdere ontwikkeling van de betrekkingen tussen de EU en de FRJ afhangt van de volledige uitvoering van dat verslag, alsook van vorderingen wat Kosovo betreft (eerbiediging van de mensenrechten, het verlenen van een ruime mate van autonomie), de uitvoering van de Dayton-akkoorden en andere voorwaarden in de strategie van de EU ten opzichte van de landen van de regio.
Wat Kroatië betreft, verheugt de Europese Raad zich over
de verkiezingen in dat land en met name in Oost-Slavonië,
en brengt hij hulde aan de essentiële rol van de UNTAES en
de bestuurder, de heer Jacques Klein, doch moet hij benadrukken
dat de strikte eerbiediging van de mensenrechten en de rechten
van minderheden in het gehele land, met inbegrip van de terugkeer
van ontheemden en vluchtelingen, een essentiële voorwaarde
voor het herintegratieproces en voor betere betrekkingen tussen
de EU en Kroatië blijft.
ALBANIE
De Europese Raad bevestigt opnieuw dat de Unie vastberaden is
om, overeenkomstig haar gemeenschappelijk standpunt van 2 juni
en haar regionale aanpak, Albanië te helpen om zijn politieke
en economische stabiliteit te hervinden, de binnenlandse veiligheid
te waarborgen en het democratische proces te bevorderen door de
geplande verkiezingen vrij en eerlijk overeenkomstig internationale
normen te laten plaatsvinden. De Europese Raad betuigt zijn volledige
steun voor de coördinatie-inspanningen van de Persoonlijke
Vertegenwoordiger van de fungerend Voorzitter van de OVSE, de
heer Franz Vranitzky, alsook voor de belangrijke rol van de Multinationale
Beschermingsmacht bij het scheppen van een veilig klimaat voor
het verkiezingsproces en voor de verschillende missies van de
internationale gemeenschap in Albanië.
CONGO
De Europese Raad verheugt zich op het aanknopen van constructieve betrekkingen met de nieuwe Regering van de Democratische Republiek Congo. Een wezenlijke hoeksteen voor de wederopbouw van het land en voor het verwerven van de aanvaarding en de steun van de internationale gemeenschap, waaronder de Europese Unie, is de eerbiediging van de mensenrechten en het internationale humanitaire recht, alsook een oprechte gehechtheid aan de democratie. De EU spreekt haar voldoening uit over het akkoord tussen President Kabila en de Secretaris-Generaal van de VN over het onderzoek naar de beschuldigingen inzake schendingen van de mensenrechten in Congo en verwacht van President Kabila dat hij uitvoering geeft aan
dit akkoord en de concrete stappen doet die hij heeft aangekondigd
voor het democratiseringsproces, dat binnen twee jaar tot vrije
en eerlijke verkiezingen zou moeten leiden. De Europese Unie is
bereid in dat proces een belangrijke rol te spelen. Het ligt in
de bedoeling dat een trojka op politiek niveau zo mogelijk deze
maand een bezoek brengt aan Kinshasa.
De Europese Raad herinnert aan de noodzaak van een internationale
conferentie onder auspiciën van de VN en de OAE over vrede
en stabiliteit in het gebied van de Grote Meren.
HONGKONG EN MACAU
Aan de vooravond van de overgang in Hongkong herinnert de Europese
Raad aan zijn conclusies van Dublin van 13 en 14 december
en aan de conclusies van de Raad van 2 juni als steun voor
de toekomstige stabiliteit en welvaart voor de Speciale Administratieve
Regio Hongkong van de Volksrepubliek China. Hij legt de nadruk
op het belang dat hij hecht aan de volledige eerbiediging van
de rechten en vrijheden van de bevolking van Hongkong en aan de
hoge mate van autonomie, ook voor handelsdoeleinden, die aan Hongkong
is verleend in het kader van de Chinees-Britse Gezamenlijke Verklaring
en de Basiswet van de Speciale Administratieve Regio Hongkong,
waarvan de volledige tenuitvoerlegging de beste garanties biedt
voor de toekomst van Hongkong.
Aangaande Macau spreekt de Europese Raad de wens uit dat het overgangsproces in dat territorium zal blijven stroken met de gezamenlijke verklaring van China en Portugal van 1987 en aldus een probleemloze overdracht van het bestuur in 1999 zal bevorderen.
TOPONTMOETINGEN VAN DE EU MET LATIJNS-AMERIKA, HET CARIBISCHE
GEBIED EN AFRIKA
De Europese Raad ziet uit naar een topontmoeting van staatshoofden
en regeringsleiders van de EU met Latijns-Amerika en het Caribische
Gebied. Evenzo ziet hij uit naar een topontmoeting tussen de EU
en Afrika. Deze bijeenkomsten zouden uiterlijk in het jaar 2000
moeten plaatsvinden. Hij hecht veel belang aan een degelijke voorbereiding
om het welslagen van die topontmoetingen te waarborgen.
BEHEERSING VAN DE UITVOER VAN WAPENS
De Europese Raad benadrukt het vitale belang van een gecoördineerd internationaal streven naar een goede regulering van de uitvoer van wapens. Hij dringt er daarom op aan dat er in het kader van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid opnieuw en aanhoudend aandacht wordt geschonken aan de ontwikkeling van een verantwoord, coherent beleid voor de beheersing van de uitvoer van wapens in de gehele Unie op basis van de gemeenschappelijke criteria die in de conclusies van de Europese Raden van 29 juni 1991 en 2627 juni 1992 zijn aangegeven. Meer uitwisseling van relevante informatie over de nationale vergunningenpolitiek en praktijk is van belang voor een meer volledige en convergente toepassing van de gemeenschappelijke criteria.
EUROPESE RAAD VAN AMSTERDAM
16 en 17 JUNI 1997
CONCLUSIES VAN HET VOORZITTERSCHAP
BIJLAGEN
I. RESOLUTIES VAN DE EUROPESE RAAD INZAKE STABILITEIT,
GROEI EN WERKGELEGENHEID
II. RESOLUTIE VAN DE EUROPESE RAAD INZAKE DE INSTELLING VAN
EEN WISSELKOERSMECHANISME IN DE DERDE FASE VAN DE ECONOMISCHE
EN MONETAIRE UNIE
III. OPROEP VAN DE EUROPESE UNIE TOT VREDE IN HET MIDDEN-OOSTEN
IV. VERKLARING VAN DE EUROPESE RAAD OVER HET VERBOD OP HET KLONEN VAN MENSEN
BIJLAGE I
De Europese Raad heeft twee afzonderlijke resoluties aangenomen.
In één resolutie zijn de vaste voornemens van de
lidstaten, de Commissie en de Raad ten aanzien van de tenuitvoerlegging
van het stabiliteits en groeipact neergelegd. De andere
resolutie betreft groei en werkgelegenheid en omvat de vaste verbintenis
van de lidstaten, de Commissie en de Raad een nieuwe impuls te
geven om de werkgelegenheid vastberaden bovenaan de politieke
agenda van de Unie te houden.
Een degelijk macroeconomisch en begrotingsbeleid gaat hand
in hand met krachtige en duurzame groei van productie en werkgelegenheid.
Beide resoluties dragen bij tot macroeconomische stabiliteit,
groei en werkgelegenheid.
Resolutie van de Europese Raad
over het stabiliteits- en groeipact
I. Op de bijeenkomst in Madrid in december 1995 heeft de
Europese Raad bevestigd dat het van cruciaal belang is om in de
derde fase van de Economische Monetaire Unie (EMU) de begrotingsdiscipline
te waarborgen. Zes maanden later in Florence heeft de Europese
Raad dit standpunt opnieuw verwoord en in december 1996 is
in de Europese Raad van Dublin overeenstemming bereikt over de
hoofdpunten van het stabiliteits- en groeipact. In de derde fase
van de EMU moeten de lidstaten buitensporige algemene overheidstekorten
voorkomen : het Verdrag laat over deze verplichtingen geen
twijfel bestaan. () De Europese Raad onderstreept
dat het garanderen van gezonde overheidsfinanciën belangrijk
is om betere voorwaarden te creëren voor prijsstabiliteit
en sterke en duurzame groei en aldus de werkgelegenheid te bevorderen.
Ook moet ervoor gezorgd worden dat het nationale begrotingsbeleid
een op stabiliteit gericht monetair beleid ondersteunt. Het nastreven
van gezonde begrotingssituaties die vrijwel in evenwicht zijn
of een overschot vertonen, zal alle lidstaten in staat stellen
normale conjunctuurschommelingen te ondervangen zonder dat hun
overheidstekort de 3 procents-BBP-norm overschrijdt.
II. Op de bijeenkomst in Dublin in december 1996 heeft de Europese Raad verzocht om de bouwstenen aan te reiken van een overeenkomstig de beginselen en procedures van het Verdrag tot stand te brengen stabiliteits- en groeipact. Dit stabiliteits- en groeipact heeft absoluut geen gevolgen voor de eisen inzake de deelneming aan de derde fase van de EMU, noch in de kopgroep, noch op later datum. De lidstaten blijven binnen de bepalingen van het Verdrag verantwoordelijk voor hun nationale begrotingsbeleid ; zij nemen de nodige maatregelen om in overeenstemming met die bepalingen hun verantwoordelijkheden na te komen.
III. Het stabiliteits- en groeipact, dat zowel een preventieve
als een afschrikkende functie heeft, omvat deze resolutie en twee
verordeningen van de Raad, één inzake versterkt
toezicht op begrotingssituaties en toezicht op en coördinatie
van het economisch beleid, en een andere inzake de bespoediging
en verduidelijking van de toepassing van de procedure bij buitensporige
tekorten.
IV. De Europese Raad verzoekt alle partijen, te weten de lidstaten, de Raad en de Commissie, dringend om het Verdrag en het stabiliteits- en groeipact strikt en tijdig ten uitvoer te leggen. Deze resolutie biedt de partijen die het stabiliteits- en groeipact ten uitvoer zullen leggen, een vast politiek oriëntatiepunt. Daartoe heeft de Europese Raad overeenstemming bereikt over de volgende richtsnoeren :
De lidstaten
1. verbinden zich ertoe om de in hun stabiliteits of convergentieprogramma's
opgenomen middellangetermijndoelstelling van een begroting die
vrijwel in evenwicht is of een overschot vertoont te verwezenlijken
en om de begrotingscorrecties uit te voeren die zij nodig achten
om de doelstellingen van hun stabiliteits of convergentieprogramma's
te verwezenlijken wanneer zij beschikken over informatie waaruit
blijkt dat de feitelijke of de verwachte situatie aanmerkelijk
van die doelstellingen afwijkt ;
2. wordt verzocht om de aanbevelingen die de Raad overeenkomstig
artikel 103, lid 4, tot hen richt, eigener beweging
openbaar te maken ;
3. verbinden zich ertoe om onverwijld de begrotingscorrecties
uit te voeren die zij nodig achten om de doelstellingen van hun
stabiliteits of convergentieprogramma's te verwezenlijken
wanneer zij een vroegtijdig signaal krijgen in de vorm van een
aanbeveling van de Raad uit hoofde van artikel 103, lid 4 ;
4. voeren onverwijld de begrotingsaanpassingen uit die zij noodzakelijk
achten wanneer zij informatie ontvangen waaruit blijkt dat er
een buitensporig tekort dreigt ;
5. corrigeren buitensporige tekorten zo spoedig mogelijk nadat
deze aan het licht zijn getreden ; zo'n correctie moet uiterlijk
één jaar nadat het buitensporig tekort is geconstateerd,
voltooid zijn, tenzij er bijzondere omstandigheden zijn ;
6. wordt verzocht om uit hoofde van artikel 104 C, lid 7,
gedane aanbevelingen eigener beweging openbaar te maken ;
7. verbinden zich ertoe om geen beroep te doen op artikel 2, lid 3, van de verordening van de Raad inzake de bespoediging en verduidelijking van de toepassing van de procedure bij buitensporige tekorten, tenzij zij een ernstige recessie doormaken ; bij de beoordeling of een economische neergang ernstig is, nemen de lidstaten in de regel een daling van het reële BBP van ten minste O,75 % per jaar als referentiepunt.
De Commissie
1. oefent haar initiatiefrecht uit hoofde van het Verdrag zodanig
uit dat de strikte, tijdige en doeltreffende werking van het stabiliteits-
en groeipact wordt vergemakkelijkt ;
2. legt onverwijld de nodige verslagen, adviezen en aanbevelingen
voor ten einde de aanneming van besluiten van de Raad uit hoofde
van artikel 103 en artikel 104 C mogelijk te maken ;
zulks vergemakkelijkt de doelmatige werking van het systeem voor
vroegtijdige signalering en de snelle inleiding en strikte toepassing
van de procedure bij buitensporige tekorten ;
3. verbindt zich ertoe om uit hoofde van artikel 104 C,
lid 3, een verslag op te stellen wanneer er een buitensporig
tekort dreigt of wanneer het voorziene of feitelijke overheidstekort
de 3 procents-BBP-norm overschrijdt, zodat de procedure van
artikel 104 C, lid 3, in werking treedt ;
4. verbindt zich ertoe om, wanneer zij van mening is dat een tekort
van meer dan 3 % van het BBP niet buitensporig is en zij
daarmee afwijkt van het advies van het Economisch en Financieel
Comité, de redenen voor haar standpunt schriftelijk aan
de Raad toe te lichten ;
5. verbindt zich ertoe om, ingevolge een verzoek van de Raad uit hoofde van artikel 109 D, in de regel een aanbeveling te richten tot de Raad om middels een besluit te bepalen of er sprake is van een buitensporig tekort in de zin van artikel 104 C, lid 6.
De Raad
1. is gehouden tot strikte en tijdige toepassing van alle onderdelen
van het stabiliteits- en groeipact die onder zijn bevoegdheid
vallen ; zo spoedig als haalbaar is neemt hij de nodige besluiten
uit hoofde van artikel 103 en artikel 104 C ;
2. wordt dringend verzocht om de termijnen voor de toepassing
van de procedure bij buitensporige tekorten als maximumtermijnen
te beschouwen ; in het bijzonder moet de Raad bij het nemen
van een besluit uit hoofde van artikel 104 C, lid 7,
aanbevelen dat buitensporige tekorten zo spoedig mogelijk nadat
zij aan het licht zijn getreden en uiterlijk één
jaar nadat zij zijn geconstateerd, gecorrigeerd worden, tenzij
er bijzondere omstandigheden zijn ;
3. wordt verzocht om altijd sancties op te leggen indien een deelnemende
lidstaat niet de nodige stappen neemt om overeenkomstig de aanbeveling
van de Raad een einde te maken aan de situatie van buitensporig
tekort ;
4. wordt met klem verzocht altijd een niet-rentedragend deposito
te vragen wanneer de Raad besluit overeenkomstig artikel 104 C,
lid 11, aan een deelnemende lidstaat sancties op te leggen ;
5. wordt met klem verzocht een deposito altijd om te zetten in
een boete, twee jaar nadat is besloten overeenkomstig artikel 104 C,
lid 11, sancties op te leggen, tenzij het buitensporige tekort
naar het oordeel van de Raad is gecorrigeerd ;
6. wordt verzocht om de redenen die een besluit om niet op te treden rechtvaardigen, altijd schriftelijk met redenen te omkleden wanneer de Raad in enig stadium van het buitensporig tekort of van de procedures voor toezicht op de begrotingssituaties naar aanleiding van een aanbeveling van de Commissie geen besluit neemt, en om in een dergelijk geval de stemmen van de lidstaten openbaar te maken.
De Europese Raad, bijeen in Amsterdam op 16 juni 1997,
HERINNEREND AAN de conclusies van de Europese Raad van Essen,
het initiatief van de Commissie voor "Een Europees vertrouwenspact
voor werkgelegenheid", de Verklaring van Dublin over werkgelegenheid,
heeft de volgende richtsnoeren aangenomen :
INLEIDING
1. Er moet absoluut een nieuwe impuls worden gegeven om werkgelegenheid
bovenaan op de politieke agenda van de Unie te houden. De EMU
en het stabiliteits- en groeipact zullen de Interne Markt versterken
en een niet-inflatoir macro-economisch klimaat bevorderen met
lage rentevoeten, waardoor er betere voorwaarden zullen ontstaan
voor economische groei en werkgelegenheidsmogelijkheden. Bovendien
zullen wij een sterker verband moeten leggen tussen een geslaagde
en duurzame Economische en Monetaire Unie, een goed functionerende
Interne Markt en werkgelegenheid. Hiertoe moeten de ontwikkeling
van de scholing, opleiding en flexibiliteit van de beroepsbevolking
en de vorming van soepel op economische veranderingen reagerende
arbeidsmarkten een prioritair doel zijn. In tegenstelling tot
beperkte of incidentele maatregelen moeten structurele hervormingen
een breed terrein bestrijken, om het gecompliceerde vraagstuk
van stimulansen bij het scheppen van arbeidsplaatsen en aanvaarden
van een betrekking op coherente wijze te benaderen.
Het economische en het sociale beleid versterken elkaar. Socialezekerheidsstelsels zouden gemoderniseerd moeten worden om de werking ervan te verbeteren en zodoende bij te dragen tot concurrentievermogen, werkgelegenheid en groei, waardoor een duurzame basis voor sociale samenhang wordt gelegd.
Deze aanpak, gekoppeld aan op stabiliteit gebaseerde beleidsmaatregelen,
legt de basis voor een economie die stoelt op beginselen van integratie,
solidariteit, rechtvaardigheid en duurzame ontwikkeling, en die
alle burgers tot voordeel kan strekken. Economische doeltreffendheid
en sociale integratie zijn complementaire aspecten van de coherentere
Europese samenleving die wij allen nastreven.
In het licht van deze beginselverklaring roept de Europese Raad
alle sociale en economische actoren, waaronder de nationale, regionale
en lokale overheden en de sociale partners, op om binnen hun respectieve
werkterrein, ten volle hun verantwoordelijkheden op te nemen.
ONTWIKKELING VAN DE ECONOMISCHE PIJLER
2. Het Verdrag, meer bepaald de artikelen 102 A en 103,
voorziet in de nauwe coördinatie van het economisch beleid
van de lidstaten, als bedoeld in artikel 3 A van het Verdrag.
Hoewel de eerste verantwoordelijkheid voor de bestrijding van
de werkloosheid bij de lidstaten ligt, moeten we inzien dat deze
coördinatie niet alleen doeltreffender moet worden maar dat
ook de inhoud ervan moet worden uitgebreid, waarbij de aandacht
vooral moet uitgaan naar beleidsmaatregelen op het gebied van
de werkgelegenheid. Daartoe moeten diverse stappen worden genomen.
3. De globale richtsnoeren voor het economisch beleid zullen worden versterkt en uitgewerkt tot een doeltreffend instrument om een aanhoudende convergentie van de economische prestaties van de lidstaten te verzekeren. In het kader van een gezond en duurzaam macro-economisch beleid en op basis van een evaluatie van de economische toestand in de EU en in elke lidstaat zal meer aandacht worden besteed aan de verbetering van de Europese concurrentiepositie als een noodzakelijke voorwaarde voor groei en werkgelegenheid, met onder meer als doel meer banen binnen het bereik van de Europese burgers te brengen. In dit verband zou speciale aandacht moeten uitgaan naar de doeltreffendheid van de arbeids en productenmarkt, technologische vernieuwing en het banenscheppende vermogen van het midden- en kleinbedrijf. Opleidings en onderwijsstelsels, met inbegrip van permanente educatie, werkstimulansen in de belasting en uitkeringsstelsels en verlaging van de indirecte arbeidskosten dienen eveneens de volle aandacht te krijgen om de inzetbaarheid op de arbeidsmarkt te vergroten.
4. De belasting- en socialezekerheidsstelsels moeten werkgelegenheidsvriendelijker
worden gemaakt, zodat de werking van de arbeidsmarkten wordt verbeterd.
De Europese Raad beklemtoont dat het belangrijk is dat de lidstaten
een belastingklimaat creëren dat het bedrijfsleven en het
scheppen van werkgelegenheid stimuleert. Deze en andere beleidsmaatregelen
op het gebied van werkgelegenheid zullen een essentieel onderdeel
van de globale richtsnoeren worden en daarbij zal rekening worden
gehouden met het nationale werkgelegenheidsbeleid en de goede
praktijken die uit dit beleid voortvloeien.
5. De Raad wordt derhalve verzocht de in de procedure van Essen
beoogde meerjarige werkgelegenheidsprogramma's in aanmerking te
nemen wanneer hij de globale richtsnoeren opstelt teneinde deze
meer toe te spitsen op werkgelegenheid. De Raad kan de nodige
aanbevelingen tot de lidstaten richten overeenkomstig artikel 103,
lid 4, van het Verdrag.
6. Deze versterkte coördinatie van het economisch beleid
zal een aanvulling vormen op de in de nieuwe titel in het Verdrag
over werkgelegenheid beoogde procedure die voorziet in de vorming
van een Comité voor de werkgelegenheid, dat verzocht wordt
nauw samen te werken met het Comité voor economische politiek.
De Raad dient ernaar te streven deze bepalingen terstond van kracht
te laten worden. In beide procedures zal de Europese Raad, overeenkomstig
het Verdrag, zijn integrerende en leidende rol spelen.
7. De Europese Unie moet de nationale maatregelen aanvullen met
een systematische bestudering van alle relevante bestaande beleidsmaatregelen
van de Gemeenschap, met inbegrip van de trans-Europese netwerken
en de programma's voor onderzoek en ontwikkeling, om ervoor te
zorgen dat zij bijdragen tot het scheppen van banen en economische
groei, onder inachtneming van de financiële vooruitzichten
en het Interinstitutioneel Akkoord.
8. De Europese Raad heeft overeenstemming bereikt over een concrete actie om zoveel mogelijk vooruitgang te boeken met de definitieve totstandkoming van de interne markt : de voorschriften doeltreffender maken, de belangrijkste nog resterende marktverstoringen aanpakken, schadelijke concurrentie op fiscaal gebied voorkomen, de sectoriële belemmeringen voor marktintegratie wegwerken en een interne markt bieden die ten voordele van alle burgers is.
9. Overwegende dat, zoals in artikel 198 E van het Verdrag wordt
bepaald, de Europese Investeringsbank tot taak heeft, met een
beroep op de kapitaalmarkten en op haar eigen middelen, bij te
dragen tot een evenwichtige en gestage ontwikkeling van de gemeenschappelijke
markt in het belang van de Gemeenschap, erkennen wij de belangrijke
rol van de Europese Investeringsbank en het Europees Investeringsfonds
bij het scheppen van werkgelegenheid via investeringsmogelijkheden
in Europa. Wij dringen er bij de EIB op aan haar activiteiten
in dit verband op te voeren, door bevordering van investeringsprojecten
die verenigbaar zijn met degelijke beginselen en praktijken in
het bankwezen en meer in het bijzonder :
- de instelling te bestuderen van een voorziening voor het financieren
van hoogwaardige technologische projecten voor het midden- en
kleinbedrijf in samenwerking met het Europees Investeringsfonds,
mogelijk met gebruikmaking van risicokapitaal met participatie
van de particuliere banksector ;
- na te gaan welke haar mogelijkheden zijn om op te treden op
de gebieden onderwijs, gezondheid, stadsmilieu en milieubescherming ;
- haar activiteiten op het gebied van grote infrastructuurnetwerken
op te voeren door het bestuderen van de mogelijkheid van het verlenen
van leningen op zeer lange termijn, voornamelijk voor de grote
prioritaire projecten die in Essen zijn goedgekeurd.
10. De Commissie wordt verzocht passende voorstellen in te dienen
om te waarborgen dat de inkomsten van nog bestaande reserves bij
het verstrijken van het EGKS-verdrag in 2002 worden gebruikt voor
een onderzoekfonds voor sectoren die verband houden met de kolen-
en staalindustrie.
11. Met deze globale strategie zullen onze inspanningen om de werkgelegenheid en de sociale integratie te bevorderen en de werkloosheid te bestrijden tot het uiterste worden benut. Daarbij zullen de bevordering van de werkgelegenheid, de bescherming en zekerheid van de werknemers worden gecombineerd met de noodzakelijke verbetering van de werking van de arbeidsmarkten. Dit draagt ook bij tot de goede werking van de EMU.
HERNIEUWDE INZET
12. De Europese Raad verzoekt alle partijen, d.w.z. de lidstaten,
de Raad en de Commissie, om deze bepalingen met kracht en inzet
ten uitvoer te leggen.
De mogelijkheden die de sociale partners worden geboden door
het sociale hoofdstuk, dat in het nieuwe verdrag is opgenomen,
zouden een steun moeten zijn voor de werkzaamheden van de Raad
op het stuk van werkgelegenheid. De Europese Raad beveelt de sociale
dialoog en een volledige toepassing van de huidige Gemeenschapswetgeving
betreffende de raadpleging van de sociale partners aan, ook bij
herstructureringsprocessen, als het geval zich voordoet, met inachtneming
van de nationale praktijken.
13. Samen stellen deze beleidsmaatregelen de lidstaten in staat
op basis van de sterke punten van de Europese opbouw hun economisch
beleid daadwerkelijk in het kader van de Raad te coördineren
zodat meer reële banen worden gecreëerd en de weg wordt
vrijgemaakt voor een geslaagde en duurzame derde fase van
de Economische en Monetaire Unie in overeenstemming met het Verdrag.
De Europese Raad vraagt de sociale partners de verantwoordelijkheden
die zij elk op hun werkterrein bezitten ten volle op zich te nemen.
BIJLAGE II
RESOLUTIE VAN DE EUROPESE RAAD
Voortbouwend op de in Florence en Dublin bereikte overeenstemming
is de Europese Raad vandaag het volgende overeengekomen :
OP 1 JANUARI 1999, WANNEER DE DERDE FASE VAN DE ECONOMISCHE EN
MONETAIRE UNIE BEGINT, WORDT EEN WISSELKOERSMECHANISME OPGEZET.
Met ingang van de derde fase van de economische en monetaire unie
wordt het Europees Monetair Stelsel vervangen door een wisselkoersmechanisme
als omschreven in deze resolutie. De operationele procedures worden
vastgesteld in een overeenkomst tussen de Europese Centrale Bank
en de nationale centrale banken van de lidstaten die niet aan
de eurozone deelnemen.
Het wisselkoersmechanisme koppelt de valuta's van de lidstaten buiten de eurozone aan de euro. De euro wordt de spil van het nieuwe mechanisme. Het mechanisme zal functioneren binnen het in overeenstemming met het EGVerdrag vereiste kader van op stabiliteit gericht beleid dat de kern vormt van de economische en monetaire unie.
1. PRINCIPES EN DOELSTELLINGEN
1.1. Voor een duurzame wisselkoersstabiliteit is een aanhoudende
convergentie van de economische basisparameters vereist. Met het
oog daarop moeten alle lidstaten in de derde fase van de economische
en monetaire unie een gedisciplineerd en verantwoord, op prijsstabiliteit
gericht monetair beleid voeren. Een gezond begrotings- en structureel
beleid in alle lidstaten is minstens even essentieel voor duurzame
wisselkoersstabiliteit.
1.2. Een stabiel economisch klimaat is noodzakelijk voor de goede
werking van de interne markt en voor meer investeringen, groei
en werkgelegenheid en is derhalve in het belang van alle lidstaten.
De interne markt mag niet in gevaar worden gebracht door distorsies
in de reële wisselkoersverhoudingen of door buitensporige
fluctuaties van de nominale wisselkoersen tussen de euro en de
andere valuta's in de EU, die de handelsstromen tussen de lidstaten
zouden verstoren. Bovendien heeft iedere lidstaat uit hoofde van
artikel 109 M van het Verdrag de plicht zijn wisselkoersbeleid
als een aangelegenheid van gemeenschappelijk belang te behandelen.
Het uit artikel 103 van het EGVerdrag voortvloeiende
toezicht door de Raad op het macroeconomische beleid van
de lidstaten is er onder andere op gericht dergelijke onjuiste
verhoudingen of fluctuaties te vermijden.
1.3. Het wisselkoersmechanisme zal ertoe bijdragen dat de lidstaten buiten de eurozone die aan dit mechanisme deelnemen, een op stabiliteit gericht beleid voeren ; het zal de convergentie bevorderen en die lidstaten aldus helpen bij hun inspanningen tot de euro toe te treden. Het biedt deze lidstaten een ijkpunt voor het voeren van een gezond economisch beleid in het algemeen en van hun monetair beleid in het bijzonder. Het mechanisme zal hen en de lidstaten die de euro aannemen ook helpen beschermen tegen ongerechtvaardigde druk op de valutamarkten. Het kan de eraan deelnemende lidstaten buiten de eurozone helpen om, wanneer hun valuta's onder druk komen te staan, passende beleidsmaatregelen, met inbegrip van rentevoetaanpassingen, te combineren met gecoördineerde interventie.
1.4. Het kan er ook toe bijdragen dat de lidstaten die de euro
later dan 1 januari 1999 willen aannemen met betrekking
tot de naleving van de convergentiecriteria op dezelfde voet behandeld
worden als die welke in de beginfase tot de eurozone zijn toegetreden.
1.5. Het functioneren van het wisselkoersmechanisme zal niet ten
koste gaan van de belangrijkste doelstelling van de Europese Centrale
Bank en de nationale centrale banken, zijnde handhaving van prijsstabiliteit.
Er moet voor worden gezorgd dat eventuele aanpassingen van de
spilkoersen tijdig plaatsvinden teneinde te voorkomen dat de wisselkoersverhoudingen
significant verstoord raken.
1.6. De deelname van de lidstaten buiten de eurozone aan het wisselkoersmechanisme
is vrijwillig. Het is echter te verwachten dat de lidstaten met
een derogatie zich bij het mechanisme aansluiten. Een lidstaat
die niet vanaf het begin deelneemt aan het wisselkoersmechanisme
kan op een latere datum alsnog deelnemen.
1.7. Het wisselkoersmechanisme zal gebaseerd zijn op spilkoersen
ten opzichte van de euro. De standaardfluctuatiemarge zal betrekkelijk
ruim zijn. Via de tenuitvoerlegging van een op stabiliteit gericht
economisch en monetair beleid zullen de spilkoersen voor de deelnemende
lidstaten buiten de eurozone het richtpunt blijven.
1.8. Voorts is er een voldoende ruime flexibiliteitsmarge, in het bijzonder ter accommodatie van de uiteenlopende mates, tempo's en strategieën van economische convergentie van de lidstaten buiten de eurozone die tot het mechanisme toetreden. De samenwerking bij het wisselkoersbeleid kan verder worden versterkt door bijvoorbeeld nauwere wisselkoerskoppelingen tussen de euro en de andere valuta in het wisselkoersmechanisme toe te staan, als en voorzover die passen in het licht van de voortschrijdende convergentie. Het bestaan van die nauwere koppelingen, vooral indien deze smallere fluctuatiemarges inhouden, heeft geen gevolgen voor de interpretatie van het wisselkoerscriterium overeenkomstig artikel 109 J van het EG-Verdrag.
2. BELANGRIJKSTE KENMERKEN
2.1. Voor de valuta van elk van de lidstaten buiten de eurozone
die deelnemen aan het wisselkoersmechanisme wordt een spilkoers
ten opzichte van de euro bepaald. Er komt één standaardfluctuatiemarge
van plus of min 15 % ten opzichte van de spilkoersen. Bij
het bereiken van de drempels is interventie in principe automatisch
en onbeperkt, waarbij zeer-korte-termijnfinanciering beschikbaar
zal zijn. De ECB en de centrale banken van de andere deelnemers
kunnen de interventie echter opschorten wanneer deze hun hoofddoelstelling
zou doorkruisen. In hun besluit houden zij naar behoren rekening
met alle relevante factoren, met name de noodzaak van handhaving
van prijsstabiliteit en van een geloofwaardige werking van het
wisselkoersmechanisme.
2.2. Luidens de overeenkomst betreffende de operationele procedures
van het wisselkoersmechanisme, die naar verwachting tussen de
Europese Centrale Bank en de nationale centrale banken zal worden
gesloten, is een flexibel gebruik van de rentevoeten een belangrijk
aspect van het mechanisme en bestaat ook de mogelijkheid van gecoördineerde
intramarginale interventies.
2.3. Besluiten over de spilkoersen en de standaardfluctuatiemarge worden in onderlinge overeenstemming genomen door de ministers van de lidstaten die tot de eurozone behoren, de ECB en de ministers en de presidenten van de centrale banken van de aan het nieuwe mechanisme deelnemende lidstaten die niet tot de eurozone behoren, na afloop van een gemeenschappelijke procedure waarbij de Europese Commissie betrokken is en na raadpleging van het Economisch en Financieel Comité. De ministers en de presidenten van de centrale banken van de niet aan het wisselkoersmechanisme deelnemende lidstaten zijn vertegenwoordigd maar hebben in de procedure geen stemrecht. Alle partijen bij de onderlinge overeenkomst, met inbegrip van de ECB, hebben het recht een confidentiële procedure inzake heroverweging van de spilkoersen in te leiden.
2.4. Op individuele basis kunnen, op verzoek van de betrokken
lidstaat buiten de eurozone formeel overeengekomen fluctuatiemarges
worden ingesteld die smaller zijn dan de standaardmarge en die
in principe gestut worden met automatische interventie en financiering.
Een dergelijk besluit om de marge smaller te maken wordt genomen
door de ministers van de lidstaten van de eurozone, de ECB en
de minister en de president van de centrale bank en van de betrokken
lidstaat buiten de eurozone, via een gemeenschappelijke procedure
waarbij de Europese Commissie betrokken is en na raadpleging van
het Economisch en Financieel Comité. De ministers en de
presidenten van de centrale banken van de andere lidstaten nemen
deel aan de procedure maar hebben geen stemrecht.
2.5. De standaardfluctuatiemarge en de smallere marges laten de
interpretatie van het wisselkoerscriterium krachtens artikel 109 J,
lid 1, derde streepje, van het Verdrag, onverlet.
2.6. In de overeenkomst tussen de ECB en de nationale centrale
banken worden de details van het mechanisme voor zeer-korte-termijnfinanciering
grotendeels op basis van de huidige regelingen bepaald. Het Europees
Monetair Instituut heeft een ontwerp gemaakt voor een dergelijke
overeenkomst die ook de bij deze resolutie bedoelde operationele
procedures omvat. Op de datum van oprichting van de ECB zal het
EMI dit ontwerp voorleggen aan de ECB en aan de centrale banken
van de lidstaten die niet tot de eurozone behoren.
BIJLAGE III
Oproep van de Europese Unie tot vrede in het Midden-Oosten
De Staatshoofden en Regeringsleiders van de Europese Unie roepen
de bevolkingen en de regeringen van het Midden-Oosten op om de
sfeer van wederzijds vertrouwen te doen herleven die in 1991 in
Madrid en in 1993 in Oslo hoop op een rechtvaardige, duurzame
en alomvattende vrede deden ontstaan. De volkeren van Europa en
het Midden-Oosten zijn met elkaar verbonden door een gemeenschappelijke
lotsbestemming, zoals in 1995 tijdens de Europees-mediterrane
Conferentie in Barcelona werd bevestigd. Ons bewust van onze gemeenschappelijke
geschiedenis, nodigen wij de volkeren van het Midden-Oosten uit
om samen met de volkeren van Europa te bouwen aan een toekomst
van harmonie, gebaseerd op door hen gedeelde beginselen. Vrede
in het Midden-Oosten is mogelijk, noodzakelijk en spoedeisend.
Stagnatie op het Palestijnse, het Syrische en het Libanese spoor
is een permanente bedreiging van de veiligheid van allen.
De grondslagen van vrede zijn alom bekend : het recht van
alle staten en volkeren in de regio om binnen veilige, erkende
grenzen in vrede te leven ; eerbiediging van het gerechtvaardigde
verlangen van het Palestijnse volk om over zijn eigen toekomst
te beslissen ; de ruil van land voor vrede ; de niet-aanvaarding
van de annexatie van grondgebied met geweld ; de eerbiediging
van de mensenrechten ; de afwijzing van terrorisme van welke
aard dan ook ; goed nabuurschap ; en naleving van de bestaande
akkoorden en verwerping van contra-productieve unilaterale initiatieven.
In dit verband herinnert de Unie aan haar verzet tegen nederzettingen
en haar gehechtheid aan samenwerking op veiligheidsgebied.
Vier jaar geleden opende de wederzijdse erkenning van het Israëlische en het Palestijnse volk in Oslo de weg naar vreedzame coëxistentie op het land dat zij delen. Het is nu tijd voor concrete stappen naar een duurzame vrede. Wij roepen de Israëlische en de Palestijnse leiders op tot voortzetting van de onderhandelingen teneinde de tenuitvoerlegging van de Interimovereenkomst en het Akkoord over Hebron te bevorderen en de gesprekken over de definitieve status te hervatten. Het is van vitaal belang dat iedereen zich onthoudt van unilaterale acties waarmee wordt vooruitgelopen op kwesties die verband houden met de definitieve status, en dat de samenwerking op veiligheidsgebied volledig wordt hervat en voortgezet met het oog op de bestrijding van terrorisme.
Wij roepen het volk van Israël op het zelfbeschikkingsrecht
van de Palestijnen te erkennen zonder de mogelijkheid van een
eigen staat uit te sluiten. De totstandbrenging van een levensvatbare
en vreedzame soevereine Palestijnse entiteit is de beste garantie
voor Israëls veiligheid. Terzelfder tijd roepen wij het Palestijnse
volk op opnieuw te bevestigen dat het het wettige recht van Israël
om binnen veilige, erkende grenzen te leven, erkent.
De Unie beklemtoont haar gehechtheid aan de mensenrechten, de
democratie en de stimulering van een burgermaatschappij in de
Arabisch-Israëlische context. Zij veroordeelt alle schendingen
van deze rechten, ongeacht of het gaat om misbruik door veiligheidsautoriteiten,
martelingen, afschaffing van de vrijheid van meningsuiting en
media, onteigening van land, buitengerechtelijke moorden, intrekking
van verblijfsvergunningen of aanzetten tot geweld.
De Europese Unie zal, via de inspanningen van haar Speciale Gezant
voor het vredesproces in het Midden-Oosten, via haar diplomatieke
betrekkingen en haar economische betrokkenheid en via haar vriendschappelijke,
op vertrouwen gebaseerde relaties met de verschillende partijen,
blijven samenwerken met de Verenigde Staten, Rusland en de betrokken
partijen in de regio en zal erop blijven toezien dat het werk
van de vredestichters wordt voltooid. De Europese Raad verzoekt
de Raad zich samen met de Speciale Gezant te blijven inspannen
om het vredesproces vooruit te helpen. Hij roept alle deelnemers
aan het vredesproces op hun inspanningen om dit doel te bereiken
nieuw leven in te blazen, in het bijzonder door steun te verlenen
aan het onlangs door President Mubarak gelanceerde initiatief.
BIJLAGE IV
Verklaring van de Europese Raad over het verbod op het klonen
van mensen
De Europese Raad constateert dat de ontwikkeling van nieuwe technologieën
op het gebied van gentechnologie acute ethische problemen met
zich meebrengt. Van de meest recente ontwikkelingen houdt het
klonen wel heel specifieke en grote risico's in.
De Europese Raad herinnert aan het grote belang van het onderzoek
in deze fundamentele sector, met name voor de verbetering van
de volksgezondheid, en aan zijn wil om de steunmaatregelen van
de Europese Gemeenschap in deze sector voort te zetten, maar is
tevens voornemens een grotere waakzaamheid te betrachten ten aanzien
van de risico's die zich vanuit ethisch oogpunt kunnen voordoen.
In het bijzonder overwegende dat de bescherming van de mens en
de eerbiediging van zijn integriteit basisbeginselen zijn waarvan
niet mag worden afgeweken, verzoekt de Europese Raad de Raad en
de Commissie bij de bepaling van de communautaire beleidsmaatregelen,
met name op het gebied van onderzoek en intellectuele eigendom,
alsmede bij de uitvoering van bestaande programma's te onderzoeken
hoe het klonen van mensen kan worden voorkomen. De Europese Raad
verzoekt hen daarbij gebruik te maken van de deskundigheid van
de Groep Raden voor de ethiek van de biotechnologie, die in hun
advies van 29 mei hebben gesteld dat het klonen van mensen
op Europees niveau ondubbelzinnig moet worden veroordeeld.
De Europese Raad onderstreept eveneens de wil van de lidstaten
om, wat hen betreft, al het nodige te doen om het klonen van mensen
te verbieden.
Daarnaast zijn in verscheidene fora, met name in de UNESCO en
de mensenrechtencommissie van de Verenigde Naties, besprekingen
gaande. De Commissie wetenschap en technologie van de parlementaire
vergadering van de Raad van Europa heeft eveneens haar belangstelling
voor dit vraagstuk kenbaar gemaakt. De Europese Raad verzoekt
daarom de Europese Unie en de lidstaten in het kader van hun respectieve
bevoegdheden actief bij te dragen aan deze beraadslagingen.