EUROPESE RAAD

ZITTING VAN 9 - 10 DECEMBER 1994 TE ESSEN

 

CONCLUSIES VAN HET VOORZITTERSCHAP

 

Inleiding

De Europese Unie is een nieuwe fase ingegaan die gekenmerkt wordt door verscheidene ingrijpende veranderingen : het Europees Parlement, dat er ingevolge het Verdrag van Maastricht nieuwe bevoegdheden bijgekregen heeft, komt sinds de vierde rechtstreekse verkiezingen van juni 1994 in een nieuwe samenstelling bijeen. Binnenkort zal de nieuwe Europese Commissie haar werkzaamheden beginnen. Op 1 januari 1995 treden de nieuwe Lid-Staten Oostenrijk, Finland en Zweden tot de Unie toe ; zij worden door de Europese Raad allerhartelijkst verwelkomd. Met hun ervaringen en tradities betekenen de nieuwe Lid-Staten in elk opzicht een verrijking van de Unie. De Europese Raad spreekt de stellige verwachting uit dat tijdig aan alle nog niet vervulde voorwaarden voor het effectief worden van de toetredingen op het overeengekomen tijdstip zal worden voldaan.

Onze nationale economieën zijn na de wereldwijde recessie weer goed op gang gekomen. De inspanningen om het concurrentievermogen en de werkgelegenheidssituatie te verbeteren en de overheidstekorten te verkleinen en de openbare sector efficiënter te organiseren, moeten vastberaden worden voortgezet. Om de economische opleving verder te stimuleren is het van prioritair belang dat de resultaten van de Uruguay-Ronde van de GATT ook in de Europese Unie nog voor het einde van het jaar worden geratificeerd en de nodige interne maatregelen voor de uitvoering ervan, inclusief de handelspolitieke instrumenten, vastgesteld worden, zodat deze zoals gepland op 1 januari 1995 in werking kunnen treden. In dit verband bevestigt de Europese Raad dat hij de Europese kandidatuur voor de post van directeur-generaal van de Wereldhandelsorganisatie steunt en hij neemt er nota van dat de ontwikkelingslanden deze kandidatuur eveneens steunen.

De Europese Raad van Essen is de laatste Top waaraan Jacques Delors als Voorzitter van de Europese Commissie deelneemt. Met zijn naam zijn de tien meest succesvolle jaren van de Europese eenwording verbonden. De allereerste initiatieven voor de Europese Akte waren van hem afkomstig. Hij heeft de Gemeenschap geholpen het visionaire doel van de voltooiing van de interne markt (Europa 92) te verwezenlijken, en er zodoende in beslissende mate toe bijgedragen dat de fase van stagnatie aan het begin van de jaren 80 werd overwonnen en het integratieproces nieuw leven werd ingeblazen. De tweede grote prestatie die wij voor een zeer belangrijk deel aan Jacques Delors te danken hebben, is de Economische en Monetaire Unie, waarvoor hij het beslissende voorbereidende werk heeft verricht. Hiervoor, en voor de hoge maatstaven die hij gesteld heeft, willen de in de Europese Raad bijeengekomen Staatshoofden en Regeringsleiders hun dank en waardering uitspreken. Wat hij voor Europa heeft gedaan, zal niet worden vergeten. Voorzitter Delors heeft zich zeer verdienstelijk gemaakt voor de Europese eenwording.

Terugblikkend op de historische taak die sinds het begin van de Gemeenschap is volbracht, moet de Unie thans bewijzen dat zij bereid is ook de toekomst gestalte te geven, rekening houdend met de politieke en economische belangen van de burgers.

In dit verband wordt zij met vele nieuwe uitdagingen geconfronteerd : op politiek gebied de conferentie in 1996 betreffende de heroverweging van het Unieverdrag en de toekomstige uitbreiding, op economisch gebied de totstandbrenging van de Economische en Monetaire Unie en een bijdrage tot het overwinnen van de werkgelegenheidsproblemen, op technologisch gebied het krijgen van greep op de ontwikkelingen van de informatiemaatschappij en tenslotte het vorm geven aan de externe en interne veiligheid. De nieuwe instrumenten van het Verdrag van Maastricht, een groter gewicht van de Unie door de toetreding van nieuwe landen, begrotingsmiddelen die dank zij het nieuwe eigen-middelenbesluit zijn afgestemd op deze doelstellingen, vormen belangrijke voorwaarden hiervoor.

De deelnemers aan de Europese Raad hebben met de Voorzitter van het Europees Parlement, de heer Klaus Hänsch, over de wezenlijke thema's van de zitting van gedachten gewisseld.

De deelnemers aan de Europese Raad hebben een ontmoeting gehad met de Staatshoofden en Regeringsleiders en de Ministers van Buitenlandse Zaken van de landen van Midden- en Oost-Europa die reeds door Europa-overeenkomsten met de Europese Unie verbonden zijn en hebben met hen van gedachten gewisseld over de strategie om deze staten tot de Europese Unie te brengen.

Tegen deze achtergrond hebben de Staatshoofden en Regeringsleiders de belangrijkste actuele onderwerpen behandeld en een aantal richtsnoeren vastgesteld voor maatregelen op de korte en middellange termijn die de volgende vier prioritaire gebieden betreffen :

- voortzetting en verdere ontwikkeling van de strategie van het Witboek ten einde de groei te verstevigen, het concurrentievermogen van de Europese economie en de kwaliteit van het milieu in de Europese Unie te verbeteren en, gelet op de nog steeds onaanvaardbaar hoge werkloosheid, meer werkgelegenheid voor de mensen te creëren ;

- waarborging van duurzame stabiliteit en een duurzame vrede op het Europese continent en in de aangrenzende regio's, terwijl de toekomstige toetreding van de geassocieerde landen van Midden- en Oost-Europa wordt voorbereid en gelijklopend daarmee de geprivilegieerde betrekkingen tussen de Unie en de andere buurlanden, in het bijzonder die van het Middellandse-Zeegebied, worden verdiept ;

- versterking van het optreden van de Unie op het gebied van de interne veiligheid, waarbij de voor de samenwerking op het gebied van Justitie en Binnenlandse Zaken noodzakelijke juridische en operationele middelen ter beschikking gesteld worden, met name door het sluiten van de Europol-Overeenkomst onder het Franse Voorzitterschap ;

- versterking van de democratische legitimiteit van de Unie en consequente inachtneming van het subsidiariteitsbeginsel, alsook ontwikkeling van de verschillende aspecten van het burgerschap van de Unie, opdat de werkwijze van de Unie-organen doorzichtiger wordt, de voordelen van het lidmaatschap van de Unie voor de mensen duidelijker worden en zo de aanvaarding van de Unie door de burgers wordt bevorderd.

Economische thema's

1. Verbetering van de werkgelegenheidssituatie

De bestrijding van de werkloosheid en de gelijkheid van kansen voor mannen en vrouwen blijven ook in de toekomst de belangrijkste opgave van de Europese Unie en haar Lid-Staten. De huidige opleving van de conjunctuur maakt de oplossing van dat probleem gemakkelijker. De opleving alleen echter lost de werkgelegenheid- en werkloosheidsproblemen in Europa niet op. Daarom zijn voor de oplossing van de structurele problemen verdere inspanningen nodig. In dit verband speelt de dialoog tussen de sociale partners en de politiek een belangrijke rol, waarbij iedere partij haar verantwoordelijkheid ten volle dient te aanvaarden.

De te treffen maatregelen moeten de volgende vijf prioritaire gebieden bestrijken :

1) Verbetering van de kansen op werk voor arbeidskrachten door de bevordering van investeringen in de beroepsopleiding. Daarbij moet de beroepskwalificatie, met name van jongeren, een sleutelrol vervullen. Zoveel mogelijk mensen moeten een opleiding en bij- en nascholing ontvangen, zodat zij in staat worden gesteld zich door levenslang leren, aan de door de technologische vooruitgang veroorzaakte veranderingen aan te passen, zulks ten einde het risico dat zij hun werk verliezen, te verkleinen.

2) Vergroting van het werkgelegenheidseffect van de groei, met name door

- een flexibeler organisatie van het werk waarbij ingespeeld wordt op de wensen van de werknemers alsook op de eisen van de concurrentie ;

- een loonbeleid dat werkgelegenheid scheppende investeringen in de hand werkt, waarbij in de huidige situatie gematigde loonafspraken nodig zijn die onder de produktiviteitsstijging worden gehouden ;

- en tenslotte de bevordering van initiatieven, vooral op regionaal en plaatselijk gebied, waardoor arbeidsplaatsen worden geschapen die in overeenstemming zijn met nieuwe behoeften, bijvoorbeeld op het gebied van milieu en sociale diensten.

3) De indirecte loonkosten moeten zodanig worden beperkt dat dit merkbaar van invloed is op besluiten betreffende het in dienst nemen van werknemers, meer bepaald ongeschoolde werknemers. Het probleem van de indirecte loonkosten kan alleen door een gemeenschappelijke inspanning van bedrijfsleven, vakbonden en politiek worden opgelost.

4) Verbetering van de effectiviteit van het arbeidsmarktbeleid :

De effectiviteit van het werkgelegenheidsbeleid moet verhoogd worden door het vermijden van praktijken die een nadelige uitwerking hebben op de bereidheid tot werken en door de overgang van een passief naar een actief arbeidsmarktbeleid. De individuele prikkel om voortdurend op de algemene arbeidsmarkt naar werk te zoeken, moet behouden blijven. Dit moet vooral in acht genomen worden bij de uitwerking van inkomensondersteunende maatregelen.

De instrumenten van het arbeidsmarktbeleid moeten op gezette tijden op hun noodzakelijkheid en doeltreffendheid worden getoetst.

5) Verbetering van de maatregelen ten behoeve van groepen die in bijzondere mate door de werkloosheid getroffen worden :

Bijzondere inspanningen zijn noodzakelijk ten behoeve van jongeren, in het bijzonder schoolverlaters, die vrijwel geen enkele kwalificatie hebben, door hun of werk of een opleiding aan te bieden.

De bestrijding van langdurige werkloosheid moet één van de voornaamste onderdelen van het arbeidsmarktbeleid vormen. Overeenkomstig de sterk verschillende groepen en behoeften van de langdurig werklozen zijn hierbij uiteenlopende maatregelen op het terrein van het arbeidsmarktbeleid vereist.

Bijzondere aandacht verdient ook de moeilijke situatie waarin werkloze vrouwen en oudere werknemers zich bevinden.

De Europese Raad verzoekt de Lid-Staten om met inachtneming van de bijzonderheden van hun economische en sociale situatie deze aanbevelingen in hun nationale beleid om te zetten in een meerjarenprogramma. Hij verzoekt de Raad (Sociale zaken en arbeidsmarktvraagstukken en Economische en financiële vraagstukken) en de Commissie om de ontwikkeling van de werkgelegenheid nauwlettend te volgen, het beleid van de Lid-Staten op dit gebied te toetsen en de Europese Raad ieder jaar en voor het eerst in december 1995 verslag uit te brengen over de verdere vooruitgang op de arbeidsmarkt.

Aan de hand van de eerste verslagen moet enerzijds worden nagegaan welke effecten belastingmaatregelen en bijstandsstelsels hebben op de bereidheid tot het aanbieden van werk en tot deelname aan het arbeidsproces en anderzijds welk verband er bestaat tussen economische groei en milieu en de gevolgen daarvan voor het economische beleid. De Europese Raad neemt met belangstelling kennis van de door Voorzitter Delors verstrekte informatie over de veranderingen in het huidige model van economische groei en economische doelstellingen vanuit het oogpunt van milieu en tijdmanagement.

Tevens heeft de Europese Raad kennis genomen van de ervaringen van Denemarken, Ierland en Portugal bij de ontwikkeling van een kader op nationaal niveau en van structuren en werkwijzen op lokaal niveau teneinde aldus een geïntegreerd concept voor een ontwikkeling op lokaal niveau te ondersteunen.

2. Economische en Monetaire Unie - grondslagen van het economisch beleid

De Europese Unie is nauwelijks een jaar geleden de tweede fase van de Economische en Monetaire Unie binnengetreden. De nieuwe instrumenten die het Verdrag biedt voor de versteviging van de convergentie van onze economieën worden consequent benut om het Europese eenmakingsproces ook op economisch en monetair gebied krachtig te doen vorderen. De nieuwe procedures hebben in de Lid-Staten de gevoeligheid voor een duurzame stabiliteitspolitiek en een strikte begrotingsdiscipline versterkt. Reeds in de tweede fase oefent het Verdrag zijn stabiliserende werking uit. De bij deze fase horende taak - een met het stabiliteitsstreven strokende voorbereiding van de Economische en Monetaire Unie - wordt vervuld.

Sinds de Europese Raad van Korfoe zijn er duidelijke successen geboekt bij het streven naar betrouwbare convergentie. Op het gebied van de stabiliteit van de prijzen en wisselkoersen werd aanzienlijke vooruitgang bereikt. Ook de tekorten op de overheidsbegrotingen gaan in de meeste Lid-Staten geleidelijk weer in dalende lijn. Daardoor heeft de economische groei in de Gemeenschap aan dynamiek gewonnen. Van deze ontwikkeling moet gebruik worden gemaakt voor de verdere verbetering van de convergentie als absolute voorwaarde voor de overgang naar de eindfase van de Economische en Monetaire Unie. Daarbij is een strikte interpretatie van de convergentiescriteria overeenkomstig het Verdrag van Maastricht onmisbaar teneinde betrouwbare grondslagen te scheppen voor een Economische en Monetaire Unie zonder storingen.

Hoogste prioriteit is thans de verwezenlijking van de in de nationale convergentieprogramma's genoemde consolidatiedoelstellingen. Vooral de structurele tekorten moeten duidelijk teruggedrongen worden, zodat verdere stijging van de overheidsschuld voorkomen wordt. Nieuwe inflatoire tendensen moeten door het monetair beleid tijdig worden voorkomen. De Lid-Staten waar het inflatiepercentage nog hoog is, moeten meer inspanningen leveren om tot stabilisatie te komen.

De Europese Raad hecht zijn goedkeuring aan het door de ECOFIN-Raad voorgelegde verslag over de tenuitvoerlegging van de globale richtsnoeren voor het economisch beleid, die hebben bijgedragen tot een gunstiger economische ontwikkeling.

3. CO2/energiebelasting

De Europese Raad heeft kennis genomen van het voornemen van de Commissie om richtsnoeren voor te leggen waarmee elke Lid-Staat die zulks wenst op basis van gemeenschappelijke parameters een CO2/energiebelasting kan heffen. De Raad ECOFIN krijgt de opdracht de desbetreffende parameters te onderzoeken.

4. Transeuropese netwerken op het gebied van verkeer, energie en milieu

De Europese Raad verheugt zich over de indiening van het verslag van de Groep Persoonlijke Vertegenwoordigers. Hij bevestigt dat er reeds een begin is gemaakt, dan wel binnenkort zal worden gemaakt, met de uitvoering van de elf in Korfoe vastgestelde projecten en van de drie nieuwe projecten die betrekking hebben op de Noordse Lid-Staten en Ierland. In BIJLAGE I is de lijst opgenomen van de prioritaire projecten op het gebied van verkeer en energie. Wat betreft de verdere aanpak sluit de Europese Raad zich aan bij de belangrijkste aanbevelingen van het verslag van de Groep Christophersen (zie BIJLAGE II).

De Europese Raad juicht de vorderingen toe die bij de selectie van grote grensoverschrijdende projecten, vooral met Midden- en Oost-Europa en in het Middellandse-Zeegebied, zijn geboekt. Hij beklemtoont het belang van verkeersmanagementsystemen, in het bijzonder op het gebied van het luchtverkeer.

De Europese Raad verheugt zich erover dat bij de Europese Investeringsbank een speciaal loket gecreëerd is voor de financiering van transeuropese netwerken, zoals in BIJLAGE III bij deze conclusies is beschreven. De Lid-Staten, de Commissie en de Europese Investeringsbank zullen de vooruitgang bij de financiering van de prioritaire projecten blijven volgen. Hij deelt de opvatting van de Groep dat voor elk project de financieringsvoorwaarden getoetst moeten worden.

De Europese Raad juicht het toe dat vanaf 1995 uitvoering wordt gegeven aan de prioritaire plannen op het gebied van de verkeersinfrastructuur, met name voor de spoorwegen.

De Europese Raad verzoekt de ECOFIN-Raad, op voorstel van de Commissie de nodige besluiten vast te stellen om de thans beschikbare financiële middelen voor de transeuropese netwerken aan te vullen.

De Europese Raad onderstreept de vaststelling van de Groep dat de hindernissen in de meeste gevallen van juridische en administratieve aard zijn, en roept de Commissie en de Lid-Staten op passende maatregelen te nemen om deze hindernissen uit de weg te ruimen.

De Europese Raad verzoekt het Europees Parlement en de Raad spoedig de nodige besluiten over de beleidslijnen voor verkeer en energie te nemen om een duurzaam kader voor de activiteit van de Unie op dit gebied te scheppen.

 

5. Informatiemaatschappij

De Europese Raad wijst erop dat in het actieplan van de Commissie "Europa op weg naar de informatiemaatschappij" en in de conclusies van de Ministers van Industrie en Telecommunicatie de lijnen zijn uitgezet voor de inrichting van de informatiemaatschappij. De Europese Raad ziet het beginselbesluit om de telecommunicatie-infrastructuur voor 1 januari 1998 te liberaliseren als een beslissende stap op de weg naar de totstandbrenging van toekomstgerichte informatie-infrastructuren. Hij onderstreept in dit verband de betekenis van nieuwe diensten en vormen van informatie, alsmede de rol van de audiovisuele sector in zijn culturele dimensie. In dit verband verzoekt de Europese Raad de Commissie om tegen zijn volgende zitting voorstellen tot herziening van de richtlijn "Televisie zonder grenzen" en voor een nieuwe MEDIA-programma uit te werken.

De Europese Raad onderstreept de rol van de particuliere sector bij het opzetten en financieren van informatie-infrastructuren. Hij verzoekt de Lid-Staten een gunstig klimaat voor dergelijke initiatieven te scheppen. De internationale samenwerking moet verder versterkt worden, vooral met het oog op Midden- en Oost-Europa en het Middellandse-Zeegebied. De Europese Raad verzoekt de Commissie voorstellen dienaangaande in te dienen.

De Europese Raad verzoekt de Ministers van Industrie en Telecommunicatie de verdere maatregelen te coördineren en te begeleiden. Hij verzoekt de Raad de nog nodige juridische kadervoorwaarden - op gebieden zoals gegevensbescherming en bescherming van intellectuele eigendom - met bekwame spoed tot stand te brengen.

De Europese Raad juicht de G-7-Ministerconferentie over de mondiale informatiemaatschappij toe, die in februari 1995 in Brussel plaatsvindt.

6. Interne markt en concurrentievermogen

De Europese Raad onderstreept, in overeenstemming met het verslag van de Commissie, het belang van de interne markt. Het is thans zaak, voor een uniforme en effectieve toepassing van de interne-marktvoorschriften te zorgen.

De Europese Raad is voornemens ook in de toekomst bijzondere aandacht te besteden aan vraagstukken inzake het concurrentievermogen van de Europese economie, zoals in het Witboek van de Commissie beschreven. In deze context juicht hij het voornemen van de Commissie toe om een Groep op Hoog Niveau op te richten die zich met deze kwesties bezighoudt en passende verslagen voorlegt.

De Europese Raad neemt er voorts nota van dat de Groep op Hoog Niveau inzake vereenvoudiging in wetgeving en administratie (Groep Deregulering) bij de Commissie haar werkzaamheden heeft aangevangen. Hij benadrukt de noodzaak communautaire en nationale regelgevingen te toetsen op overregulering. Hij verzoekt de Groep tegen juni 1995 een verslag voor te leggen.

De Europese Raad juicht de resolutie van de Raad van 10 oktober 1994 toe, die in het bijzonder is gericht op het wegnemen van juridische en bureaucratische belemmeringen voor het midden- en kleinbedrijf.

De Europese Raad verzoekt de Raad en de Commissie verder te werken aan de regelgeving betreffende biotechnologie. De resultaten moeten ten volle recht doen aan de noodzaak de gezondheid en het milieu te beschermen en het concurrentievermogen van het Europese bedrijfsleven veilig te stellen.

7. Visserij - Integratie van Spanje en Portugal in het gemeenschappelijk beleid

De Europese Raad verzoekt de Raad dringend voor het eind van het jaar, met volledige inachtneming van de bij de toetredingsonderhandelingen aangenomen verklaring inzake visserij en het acquis communautaire in de visserijsector, niet-bureaucratische, gemeenschappelijke maatregelen voor alle vissersvaartuigen van de Gemeenschap te treffen en daarbij, met inachtneming van de noodzaak de visserij-inspanning niet te verhogen, de voorwaarden vast te leggen voor de toegang tot de zones en bestanden waarvoor - krachtens de Akte van Toetreding van Spanje en Portugal - bijzondere bepalingen gelden.

8. Noord-Ierland

De Europese Raad heeft zijn voldoening uitgesproken over de verslagen van de Premiers van het Verenigd Koninkrijk en van Ierland over de vorderingen in het vredesproces.

De Europese Raad neemt met grote voldoening kennis van de jongste, historisch belangrijke ontwikkelingen in Noord-Ierland en verklaart opnieuw dat moet worden gewaarborgd dat het vredesproces onomkeerbaar is. De Europese Raad bevestigt de verplichting van de Europese Unie om deze unieke kans op verzoening en economisch herstel te steunen.

De Europese Raad heeft principiële overeenstemming bereikt over een meerjarenprogramma en over de beschikbaarstelling van extra middelen ten bedrage van 300 miljoen ecu ter ondersteuning op de gebieden van stads- en plattelandssanering, werkgelegenheid, grensoverschrijdende ontwikkeling, sociale integratie en bevordering van investeringen.

Het programma is van toepassing op Noord-Ierland en de grensgebieden in het zuiden ; het zal een aanvullend karakter dragen, streeft het hoofddoel van verzoening na en komt op rechtvaardige en evenwichtige wijze ten goede aan beide gemeenschappen, en wel vooral aan die gebieden en bevolkingsgroepen waar de behoeften het grootst zijn.

De Europese Raad heeft kennis genomen van de toezegging van de Regeringen van het Verenigd Koninkrijk en van Ierland om de bestaande communautaire programma's in het kader van de huidige plannen te herschikken ten einde in te spelen op de nieuwe uitdagingen en kansen die het vredesproces biedt.

Subsidiariteit

De Europese Raad heeft nota genomen van het eerste jaarverslag van de Commissie over de toepassing van het subsidiariteitsbeginsel. De Europese Raad spreekt zijn voldoening uit over de toezegging van de Commissie, haar programma van 1993 ter herziening van het bestaande Gemeenschapsrecht met spoed uit te voeren. Hij verzoekt de Commissie de daarvoor nog noodzakelijke voorstellen zo spoedig mogelijk - uiterlijk in juni 1995 - voor te leggen. Hij verzoekt de Raad de voorstellen van de Commissie met bekwame spoed en constructief te bespreken.

De Europese Raad bevestigt het grote belang van het subsidiariteitsbeginsel als leidend beginsel van de Unie, zoals dit in de conclusies van de Europese Raad van Edinburgh is vastgelegd. Hij roept alle organen van de Gemeenschap op, het subsidiariteitsbeginsel conform deze conclusies consequent toe te passen. In dit verband benadrukt de Europese Raad dat de administratieve uitvoering van het Gemeenschapsrecht in beginsel een zaak van de Lid-Staten moet blijven, onverminderd de bevoegdheden van de Commissie op het stuk van toezicht en controle.

Externe betrekkingen van de Europese Unie

De Europese Unie draagt in belangrijke mate bij tot het overwinnen van vroegere verdeeldheid en het bevorderen van vrede, veiligheid en stabiliteit in en rond Europa. Na de uitbreiding tot vijftien landen op 1 januari 1995 zal de Europese Unie de uitvoering beginnen van haar programma ter voorbereiding van de toetreding van alle Europese landen waarmee zij Europa-overeenkomsten heeft gesloten. De Europese Unie, zich bewust van de noodzaak evenwichtige betrekkingen met haar buurlanden te onderhouden, werkt voorts aan een programma om een partnerschap tussen Europa en de Middellandse-Zeelanden tot stand te brengen met als doel vrede, stabiliteit, welvaart en samenwerking in die regio te bevorderen. Zij zal ook met de landen van de Europese Economische Ruimte, alsmede met Zwitserland, blijven samenwerken en streeft daarbij naar nauwere betrekkingen in het kader van de politieke en economische samenwerking.

De Europese Raad onderstreept het belang van de transatlantische betrekkingen van de Europese Unie met de Verenigde Staten en Canada op grond van de Transatlantische Verklaringen van november 1990. Hij verwelkomt de overeenstemming die op 6 juli 1994 in Bonn tijdens de EU/Canada-top en op 12 juli 1994 in Berlijn tijdens de EU/VS-top is bereikt om de betrekkingen verder te verdiepen. Hij neemt met instemming kennis van de oprichting van ad hoc-studiegroepen door de EU/VS-top. Hij gaat ervan uit dat aan de komende Top door de studiegroepen uitgewerkte voorstellen voor nauwere samenwerking zullen worden voorgelegd.

De uitbouw van de betrekkingen tussen de Europese Unie en Rusland vormt een essentiële factor bij de instandhouding van vrede, veiligheid en stabiliteit in Europa. De Europese Raad streeft naar een spoedige ratificatie van de Partnerschaps- en Samenwerkingsovereenkomst en is vastbesloten de daarin opgenomen mogelijkheden ten volle te benutten. Hij ziet met tevredenheid uit naar een op duurzaamheid gerichte constructieve dialoog en het partnerschap met Rusland inzake politieke en economische aangelegenheden.

De Europese Raad spreekt zijn voldoening uit over de ondertekening van de Partnerschaps- en Samenwerkingsovereenkomst met Oekraïne op 18 juli, en over de aanneming van een gemeenschappelijk standpunt waarin de doelstellingen en prioriteiten van de Europese Unie ten aanzien van Oekraïne zijn vastgelegd. De Europese Raad verheugt zich over de op gang gebrachte economische hervormingen in Oekraïne, het met het IMF overeengekomen aanpassingsprogramma en het politieke beginselbesluit van de Raad Economisch en Financiële

Vraagstukken van 5 december 1994 tot toekenning van betalingsbalanssteun van de Gemeenschap, dat thans snel geïmplementeerd moet worden. Hij moedigt Oekraïne aan de aangevangen hervormingen op krachtdadige wijze voort te zetten en verwacht een constructieve samenwerking bij de uitvoering van het in Korfoe overeengekomen actieplan voor de snelle sluiting van Tsjernobyl. De Europese Unie zal de democratische en economische hervormingen in Oekraïne blijven ondersteunen. Zij juicht toe dat Oekraïne het non-proliferatieverdrag als kernwapenvrije Staat bekrachtigd heeft.

1. Betrekkingen met de Staten van Midden- en Oost-Europa

De Europese Raad bevestigt de conclusies van de Europese Raden van Kopenhagen en Korfoe dat de geassocieerde landen van Midden- en Oost-Europa lid van de Europese Unie kunnen worden, indien zij dat wensen en zodra zij in staat zijn om aan de daaraan verbonden voorwaarden te voldoen.

De Europese Raad heeft besloten het proces van verdere toenadering van de geassocieerde landen van Midden- en Oost-Europa extra dynamiek en kwaliteit mee te geven. Hij doet dit in het besef dat de institutionele voorwaarden voor een vlot functioneren van de Unie moeten worden geschapen tijdens de Regeringsconferentie in 1996, die daartoe voor het begin van de toetredingsonderhandelingen moet plaatsvinden. De Europese Raad heeft besloten tot een algemene strategie voor de verdere toenadering van deze landen tot de Europese Unie, welke strategie op verzoek van de Europese Raad van Korfoe door de Raad en de Commissie was voorgelegd (zie BIJLAGE IV).

Deze strategie is toegesneden op de behoeften van de landen waarmee Europa-overeenkomsten zijn gesloten, en zal worden toegepast op andere landen waarmee in de toekomst dergelijke overeenkomsten zullen worden gesloten.

De Europese Raad verzoekt de Commissie en de Raad al het nodige te doen om onder het Franse Voorzitterschap met de Baltische Staten en Slovenië Europa-overeenkomsten te kunnen sluiten, ten einde aldus ook deze Staten bij de toenaderingsstrategie te kunnen betrekken.

De door de Europese Raad overeengekomen strategie wordt politiek geïmplementeerd door tussen de geassocieerde Staten en de Instellingen van de Europese Unie "gestructureerde betrekkingen" in het leven te roepen, die het wederzijds vertrouwen versterken en die een kader zullen scheppen voor de behandeling van onderwerpen van gemeenschappelijk belang.

Essentieel in de toenaderingsstrategie is de voorbereiding van de geassocieerde Staten op hun integratie in de interne markt van de Unie.

De Europese Raad verzoekt de Commissie tijdig voor zijn volgende zitting hierover een witboek voor te leggen en jaarlijks aan de Raad Algemene Zaken een verslag voor te leggen over de voortgang van de tenuitvoerlegging van de vastgestelde toenaderingsstrategie, met name de stapsgewijze overname van de regelgeving inzake de interne markt.

Bovendien verzoekt de Europese Raad de Commissie om zo spoedig mogelijk de door de Raad gewenste uitvoerige analyse van de effecten van de uitbreiding in het kader van het huidige beleid van de Unie en van de verdere ontwikkeling daarvan voor te leggen.

Voorts verzoekt de Europese Raad de Commissie, in de loop van 1995 een studie voor te leggen over de middelen voor de ontwikkeling van de betrekkingen op landbouwgebied tussen de Europese Unie en de geassocieerde landen van Midden- en Oost-Europa met het oog op de toekomstige toetreding.

De toenadering tot de interne markt wordt aangevuld met een reeks maatregelen die erop gericht zijn de integratie te bevorderen via de ontwikkeling van de infrastructuur en van de samenwerking op vooral gebieden met een transeuropese dimensie (energie, milieu, verkeer, wetenschap, techniek, enz.), alsmede op het stuk van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid en justitie en binnenlandse zaken. Via het PHARE-programma, dat overeenkomstig de vastgestelde toenaderingsstrategie van passende middelen wordt voorzien binnen een meerjaren-financieringskader, zal daartoe financiële steun worden verleend.

De Staatshoofden en Regeringsleiders zijn zich bewust van de rol van de regionale samenwerking in de Unie en onderstrepen de betekenis van een dergelijke samenwerking tussen de geassocieerde Staten voor de bevordering van de economische ontwikkeling en van betrekkingen van goed nabuurschap. De Raad heeft derhalve een programma ter bevordering van deze samenwerking aangenomen. Dat programma zal ook tot de verwezenlijking van de doelstellingen van het Stabiliteitspact bijdragen.

De Europese Raad is van mening dat deze strategie de Unie en de geassocieerde landen zal helpen bij de voorbereiding op hun toetreding en het vermogen van de geassocieerde landen zal versterken om hun verantwoordelijkheden als toekomstige Lid-Staat op zich te nemen.

De Europese Raad ziet de toenadering van de Staten van Midden- en Oost-Europa tot de Europese Unie en de WEU als een bijdrage tot de veiligheid en stabiliteit in Europa. De Europese Raad juicht in dit verband het voornemen van de WEU toe om overleg te plegen over de nieuwe toestand op het gebied van de veiligheid in Europa, met inbegrip van het voorstel een Witboek over de veiligheid in Europa op te stellen.

2. Middellandse-Zeebeleid

Het Middellandse-Zeegebied vormt voor de Europese Unie een prioritair gebied van strategische betekenis.

De Europese Raad verheugt zich dan ook over het verslag van de Raad (zie bijlage V), dat deze na het verzoek daartoe op Korfoe op basis van een mededeling van de Commissie heeft opgesteld ; voorts bevestigt hij dat de Europese Unie bereid is de landen van het Middellandse-Zeegebied te steunen in het streven hun regio geleidelijk te ontwikkelen tot een zone van vrede, stabiliteit, welvaart en samenwerking, en hiertoe een partnerschap "Europa/Middellandse-Zeegebied" tot stand te brengen, passende overeenkomsten te ontwikkelen, de handelsbetrekkingen tussen de partijen geleidelijk te versterken, onder meer op basis van de resultaten van de Uruguay-Ronde, alsook met het oog op de veranderende prioriteiten van de Gemeenschap een passend evenwicht bij de geografische verdeling van de financiële verplichtingen van de Gemeenschap in acht te nemen.

De Europese Raad herinnert aan zijn besluit van Korfoe om de onderhandelingen met Marokko, Tunesië en Israël voor het einde van het jaar af te ronden.

- Hij verzoekt de Raad en de Commissie, met het oog op de extra financiële bijstand ter ondersteuning van het toekomstige Middellandse-Zeebeleid, de in punt 6 van het verslag van de Raad (zie bijlage V) vermelde beginselen te verwezenlijken.

- Hij bevestigt het grote belang dat hij eraan hecht om :

in de nabije toekomst soortgelijke onderhandelingen te openen met Egypte en andere daarvoor in aanmerking komende mediterrane landen die dat wensen ;

economische steun aan Algerije te blijven verlenen, zoals de Europese Raad van Korfoe voor ogen stond, terwijl de Europese Raad al diegenen die geweld afwijzen, oproept tot het voeren van een dialoog ;

de onderhandelingen met Turkije over de voltooiing en volledige tenuitvoerlegging van de douane-unie tot een goed einde te brengen en de betrekkingen met deze partner te versterken.

- Hij bevestigt dat Cyprus en Malta bij de volgende fase van de uitbreiding van de Unie zullen worden betrokken en verzoekt de Raad om begin 1995 aandacht te besteden aan nieuwe, door de Commissie voor te leggen verslagen.

Voorts juicht de Europese Raad het voornemen van het toekomstige Spaanse Voorzitterschap toe om in de tweede helft van 1995 een Euro-mediterrane Ministerconferentie bijeen te roepen waaraan alle betrokken mediterrane landen zullen deelnemen, evenals het voornemen van het Franse Voorzitterschap om hoge prioriteit aan de intensieve voorbereiding van deze Conferentie te verlenen. De Conferentie moet een diepgaande bespreking van de toekomstige betrekkingen tussen de Unie en de Middellandse-Zeelanden mogelijk maken, waarbij alle belangrijke kwesties op politiek, economisch, sociaal en cultureel gebied aan de orde zullen komen.

De Conferentie dient overeenstemming te bereiken over een reeks economische en politieke richtsnoeren voor Euro-mediterrane samenwerking tot in de volgende eeuw en zal een permanente en op gezette tijden plaats hebbende dialoog over alle onderwerpen van gemeenschappelijk belang invoeren.

De Europese Raad spreekt zijn bezorgdheid uit over de opkomende extremistische en fundamentalistische krachten in vele Noordafrikaanse landen. De Europese Unie moet in haar beleid rekening houden met deze ontwikkelingen.

De Europese Raad gaat ervan uit dat Israël, gezien zijn hoge ontwikkelingsniveau, op basis van wederkerigheid en het gemeenschappelijke belang in de betrekkingen met de Europese Unie een bevoorrechte plaats krijgt. Daardoor zal ook de regionale economische ontwikkeling in het Nabije Oosten, waaronder de Palestijnse gebieden, versterkt worden. De Europese Raad verzoekt de Raad en de Commissie hem op zijn volgende bijeenkomst verslag uit te brengen over hetgeen is ondernomen.

De Europese Raad is het erover eens dat de Europese Unie als grootste internationale donor ook in de toekomst een doorslaggevende politieke en economische bijdrage zal blijven leveren tot de ondersteuning van het vredesproces in het Nabije Oosten, met name bij de opbouw in de Palestijnse gebieden.

De Europese Raad verheugt zich over de sluiting van het Iraëlisch-Jordaanse vredesverdrag, dat de positieve ontwikkeling in de betrekkingen tussen de beide landen consolideert en bevestigt.

3. De toestand in het voormalige Joegoslavië

De Europese Raad heeft hierover een afzonderlijke verklaring afgelegd.

4. Mensenrechten

De Europese Raad heeft in een persmededeling zijn bezorgdheid uitgesproken over de veroordeling van vrij gekozen afgevaardigden in Turkije en erop aangedrongen dat de mensenrechten worden nageleefd.

5. Conferentie over Veiligheid en Samenwerking in Europa

De Europese Raad betreurt het dat op de bijeenkomst van de Staatshoofden en Regeringsleiders van de CVSE op 5 en 6.12.1994 in Boedapest geen overeenstemming over de situatie in het voormalige Joegoslavië werd bereikt. Hij verwelkomt met nadruk de op initiatief van de Voorzitter van de Europese Raad tot stand gekomen oproep tot het verlenen van humanitaire hulp, in het bijzonder voor de regio van Bihac.

De Europese Raad spreekt voor het overige zijn waardering uit over de resultaten van de CVSE-Top. Met name het voornemen om onder passende voorwaarden een multinationale vredesmacht voor Nagorno-Karabach overeenkomstig de geplande resolutie van de VN-Veiligheidsraad ter beschikking te stellen en het besluit om alle aspecten van een toekomstig Europees veiligheidsmodel te bespreken, bevestigen de belangrijke rol van de toekomstige OVSE als onderdeel van een paneuropese veiligheidsstructuur.

Voorts bevestigt de Europese Raad het grote belang dat hij hecht aan het succes van het gemeenschappelijk optreden in verband met het afsluiten van het Stabiliteitspact voor Europa. Hij verwelkomt de tot dusver bij de realisering van dit initiatief bereikte resultaten.

6. Azië

De Europese Raad onderstreept het economische en politieke belang van de Staten in de regio Azië/Stille Oceaan en bevestigt dat de Europese Unie en haar Lid-Staten de samenwerking en de dialoog met de landen en de regionale organisaties in die regio, met name de ASEAN, op alle niveaus wensen te versterken.

Hij verwelkomt het verslag van de Raad over de Azië-strategie van de Europese Unie, en roept de Raad en de Commissie op, hem zo spoedig mogelijk verslag uit te brengen over de concrete maatregelen die daartoe zijn genomen.

7. Latijns-Amerika

De Europese Raad bevestigt de in het Basisdocument van de Europese Unie inzake de betrekkingen van de Europese Unie met Latijns-Amerika en het Caribisch gebied tot uitdrukking gebrachte wil om een nieuw, breed opgezet partnerschap tussen beide regio's tot stand te brengen. Hij verzoekt de Raad en de Commissie om aan de hand van het verslag van de Raad zo spoedig mogelijk de basis te leggen voor het aanknopen, op korte

termijn, van onderhandelingen met de Mercosur-Staten over een "interregionale kaderovereenkomst", met inbegrip van een memorandum van overeenstemming, en snel concrete stappen te nemen voor zowel het overleg over de vorm die in de toekomst in het kader van overeenkomsten aan de betrekkingen met Mexico kan worden gegeven, als over de verdere ontwikkeling van de betrekkingen met Chili.

8. Afrika

De Europese Raad bevestigt de verbondenheid van de Europese Unie met de ACS-Staten, zoals die in de Verdragen van Lomé tot uitdrukking komt. Hij bevestigt dat ook in de toekomst voorrang gegeven wordt aan de verdere ontwikkeling van de betrekkingen. In dit verband wordt bijzondere betekenis toegekend aan de in 1994 begonnen onderhandelingen over de evaluatie halverwege van de vierde Overeenkomst van Lomé.

De Europese Raad juicht de recente ondertekening van een Angolees vredesakkoord in Lusaka toe en roept de parijen met klem op dit akkoord onverkort na te leven.

De Europese Raad verheugt zich over de intensivering van de samenwerking met de landen van zuidelijk Afrika ingevolge de eerste bijeenkomst van de Ministers van Buitenlandse Zaken van de Europese Unie en de Southern African Development Community (SADC), en spreekt zich uit voor voortzetting van deze samenwerking op alle gebieden. Hij spreekt zich tevens uit voor een intensieve politieke dialoog tussen de Europese Unie en de Organisatie voor Afrikaanse Eenheid, vooral met het oog op conflictpreventie in Afrika.

De Europese Raad is verontrust over de verslechtering van de situatie van de vluchtelingen aan de grenzen met Rwanda en het daarmee verbonden risico van regionale destabilisering. Hij toont zich ingenomen met en onderstreept het dringend belang van de huidige initiatieven van de internationale gemeenschap, die ten doel hebben de terugkeer van de vluchtelingen te vergemakkelijken, de regering van Rwanda hulp te verlenen bij het herstel van de rechtsstaat en nationale verzoening te bevorderen.

9. Non-proliferatieverdrag

De Europese Raad bevestigt de reeds tijdens de Europese Raad te Korfoe tot uitdrukking gebrachte krachtige en onvoorwaardelijke inzet van de Europese Unie ten behoeve van de universaliteit en de onvoorwaardelijke verlenging voor onbepaalde tijd van het Verdrag inzake de niet-verspreiding van kernwapens (NPV). De Europese Unie zal in het kader van haar gemeenschappelijk optreden betreffende de voorbereiding van de NPV-conferentie van 1995 haar inspanningen voortzetten om dit doel te bereiken.

10. Smokkel van nucleair materiaal

De Europese Raad heeft zijn bezorgdheid uitgesproken over de smokkel van nucleair materiaal en zijn goedkeuring gehecht aan maatregelen en richtsnoeren ter bestrijding van deze smokkel. Hij doet een beroep op de Commissie en de Lid-Staten om hun samenwerking op dit gebied op te voeren en de landen van herkomst en doorvoer bij de bestrijding ter plaatse effectief te steunen. Voorts doet hij op alle Staten die zulks nog niet gedaan hebben, een beroep om hun civiel gevoelig materiaal (plutonium en hoogverrijkt uranium) aan internationale beveiligingsmaatregelen te onderwerpen.

11. Wereldtop voor sociale ontwikkeling

De Europese Raad volgt de voorbereidingen voor de Wereldtop voor sociale ontwikkeling, die van 6 tot en met 12 maart 1995 te Kopenhagen wordt gehouden, met bijzondere aandacht. De Europese Unie is actief bij het proces van voorbereiding betrokken en zet zich vastberaden in voor een succesvolle afloop van deze conferentie.

12. Conferentie over het raamverdrag betreffende het klimaat in Berlijn

De Europese Raad bekrachtigt het voornemen om in maart 1995 tijdens de eerste conferentie van de verdragstaten van het raamverdrag inzake klimaatsverandering in Berlijn, die zal zijn gewijd aan de bescherming van het klimaat tegen schadelijke veranderingen, voor de industriestaten tot 2000 een stabilisering van de CO2-emissies op het niveau van 1990 te bereiken en na te gaan hoe een soortgelijke verplichting voor de tijd na 2000 bewerkstelligd kan worden.

Samenwerking op het gebied van Justitie en Binnenlandse Zaken

De Europese Raad juicht de vorderingen toe die tot nu toe gemaakt zijn met de tenuitvoerlegging van het actieplan van december 1993.

Dit geldt vooral voor de harmonisatie van het formele asielrecht en van de toelatingsvoorwaarden voor studenten en personen die een zelfstandige activiteit willen uitoefenen en voor de harmonisatie van het visumbeleid. Hij stelt met tevredenheid vast dat het, naar aanleiding van een Duits initiatief, gelukt is om het reizen in het kader van een schoolreis te vergemakkelijken.

Hij verzoekt de Raad het werk aan de verordeningen inzake de lijst van visumplichtige derde Staten en het uniform visummodel zo mogelijk vóór de volgende Europese Raad af te sluiten.

Europol

De Europese Raad heeft het buitengewoon belang van de gemeenschappelijke bestrijding van de internationale georganiseerde criminaliteit, het terrorisme en de gevaren van drugs onderstreept en derhalve beslist dat de overeenkomst tot oprichting van EUROPOL vóór de bijeenkomst van de Europese Raad in Cannes gesloten moet worden.

Hij verheugt zich over de vorderingen die tijdens het Duitse Voorzitterschap met de opstelling van de EUROPOL-overeenkomst zijn geboekt. Hij betreurt het echter dat het overleg ondanks deze vooruitgang tot dusver niet kon worden afgerond.

Hij heeft de Raad (Justitie en Binnenlandse Zaken) opgedragen om, voortbouwend op de reeds bereikte resultaten en op basis van het huidige ontwerp, te streven naar een evenwichtige oplossing voor de opbouw van het systeem, de rol van de verbindingsofficieren en de opneming van het terrorisme in de bevoegdheden van Europol, alsmede voor de institutionele aspecten.

De Europese Raad heeft er met voldoening kennis van genomen dat de Europol-Drugseenheid, als voorloper van EUROPOL, reeds haar eerst resultaten heeft bereikt in de strijd tegen de drugscriminaliteit en het daaraan gerelateerde illegale witwassen van geld. Hij is overeengekomen het mandaat van dit orgaan uit te breiden tot de bestrijding van de handel in radio-nucleair materiaal, mensensmokkel, autodiefstal en het daarmee gerelateerde witwassen van geld. Hij verzoekt de Raad opdracht dit zo spoedig mogelijk om te zetten in een passend rechtsinstrument.

Drugs

De Europese Raad herinnert aan het belang dat hij hecht aan de voortzetting van het overleg van de betrokken ministers over het door de Commissie ingediende actieplan van de Unie betreffende de drugsbestrijding. Hij constateert dat in de bevoegde instanties een begin is gemaakt met de werkzaamheden en verzoekt derhalve dat deze op een zodanig tijdstip worden afgerond dat voor de volgende bijeenkomst van de Europese Raad in juni 1995 conclusies kunnen worden ingediend.

Wegrijdblokkeerinrichting voor motorvoertuigen

De Europese Raad juicht de ontwikkeling toe van strategieën ter bestrijding van de internationale georganiseerde motorvoertuigencriminaliteit, en is met name verheugd over het voornemen van de Commissie te onderzoeken of voor alle nieuwe voertuigen elektronische wegrijdblokkeerinrichtingen ingevoerd kunnen worden.

Fraudebestrijding

De burgers van Europa verwachten als belastingbetalers terecht, dat bedrog, verspilling en wanbeheer zo streng mogelijk worden aangepakt. Daarom zijn in het Verdrag betreffende de Europese Unie nieuwe bevoegdheden aan de Raad, de Commissie en de Europese Rekenkamer toegekend waarvan ruim gebruik gemaakt moet worden. De Europese Raad roept derhalve op tot een gecoördineerde actie van de organen en van de Lid-Staten.

De Europese Raad heeft in dit verband kennis genomen van het verslag over de bescherming van de financiële belangen van de Gemeenschappen en van de resolutie over de strafrechtelijke sancties waarover de Raad (Justitie en Binnenlandse Zaken) het op 1 december 1994 eens is geworden. De Europese Raad doet een beroep op de Raad (Justitie en Binnenlandse Zaken) zijn beraadslagingen actief voort te zetten, opdat er in de eerste helft van 1995 overeenstemming kan worden bereikt over een gemeenschappelijke maatregel of een overeenkomst op dit gebied. Voorts verzoekt hij de Raad (Economische en Financiële Vraagstukken) de verordening over de bescherming van de financiële belangen van de Gemeenschap zo spoedig mogelijk aan te nemen.

De Europese Raad verzoek de Lid-Staten, verslagen voor te leggen over de nationale maatregelen die zij nemen om verspilling en misbruik van communautaire middelen tegen te gaan ; deze verslagen zullen op de zitting van de Raad (Economische en Financiële vraagstukken) in juni 1995 bestudeerd worden opdat ze in december 1995 aan de Europese Raad kunnen worden voorgelegd. Daarnaast zouden de Raad, de andere organen en de Lid-Staten ingrijpende maatregelen naar aanleiding van de speciale verslagen van de Europese Rekenkamer moeten nemen.

Opneming van oorlogs- en burgeroorlogsvluchtelingen

De Europese Raad heeft waardering voor de door sommige Lid-Staten getoonde bereidheid tijdelijk een groot aantal vluchtelingen uit oorlogs- en burgeroorlogsgebieden op te nemen en verzoekt de Raad (Justitie en Binnenlandse Zaken) de uit de vluchtelingenstroom voortvloeiende problemen te onderzoeken teneinde zo spoedig mogelijk een doeltreffende regeling voor de toekomstige lastenverdeling op het gebied van de humanitaire hulp tot stand te brengen.

Europa en zijn burgers

De Europese Raad is van mening dat er een concrete inhoud moet worden gegeven aan het Europese burgerschap met inachtneming van de nationale kenmerken en de constitutionele beginselen van de Lid-Staten van de Europese Unie. Hij verheugt zich daarom over de politieke overeenstemming over de modaliteiten van het actief en passief kiesrecht bij gemeenteraadsverkiezingen, waarmee het reeds bestaande kiesrecht van de burgers van de Unie bij de verkiezingen voor het Europees Parlement zal worden aangevuld. Hij gaat er vanuit dat de richtlijn nog voor eind van het jaar door de Raad aangenomen wordt.

De Europese Raad is het erover eens dat de Unie dichter bij de burger moet komen te staan en doorzichtiger moet worden. De toetreding van nieuwe Lid-Staten moet een gelegenheid zijn om op die weg voort te gaan.

Vrij verkeer in Europa

De Europese Raad is verontrust over het feit dat de overeenkomst betreffende de controle op personen bij overschrijding van de buitengrenzen met het oog op de totstandbrenging van een ruimte zonder binnengrenzen overeenkomstig de bepalingen van het Verdrag, met inbegrip van het vrije verkeer van personen, nog steeds niet is gesloten. Hij roept de Raad Justitie en Binnenlandse Zaken op om te bewerkstelligen dat deze ontwerp-overeenkomst vóór de volgende bijeenkomst van de Europese Raad zal zijn ondertekend, onder voorbehoud dat de laatste resterende problemen zijn opgelost.

In dit verband heeft de Europese Raad er met tevredenheid kennis van genomen dat vanaf maart 1995 de controle op personen aan de binnengrenzen van de Schengen-Staten zal worden afgeschaft en dat de veiligheid van de burgers in de Schengen-ruimte door toepassing van de compenserende maatregelen van de Overeenkomst van Schengen zal worden gewaarborgd.

Bevordering van verdraagzaamheid en wederzijds begrip

De Europese Raad onderstreept het grote belang van de bestrijding in de gehele Unie van racisme en vreemdelingenhaat voor de menselijke waardigheid en het vreedzaam samenleven van alle burgers in de Europese Unie.

Hij hecht zijn goedkeuring aan de in het tussenrapport van de Adviescommissie vervatte richtsnoeren en verzoekt de Adviescommissie met name het werk op de verschillende terreinen van onderwijs en opleiding, informatie en media alsmede op het gebied van politie en justitie te verdiepen.

Het tussenrapport van de Ministers van Justitie en Binnenlandse Zaken alsmede de bijdragen van de Raad Onderwijs en Jeugdzaken over dit vraagstuk vormen een goede basis voor verdere stappen met het oog op het uitstippelen van een gezamenlijke strategie van de Unie tegen racisme en vreemdelingenhaat.

Deze arbeid zal actief worden begeleid door de werkzaamheden in het kader van de Raad van Europa.

De Europese Raad verzoekt de Adviescommissie en de Raad Justitie en Binnenlandse Zaken alsmede de Raad Onderwijs en Jeugdzaken hun werkzaamheden tegen deze achtergrond voort te zetten. Op die basis zal de Europese Raad in juni 1995 te Cannes een besluit nemen over de gezamenlijke strategie.

Scheepsramp met de "Estonia" en natuurrampen

De Europese Raad geeft uitdrukking aan zijn solidariteit met de nabestaanden van de slachtoffers van de "Estonia" en met de bevolking van de gebieden in Italië, Frankrijk en Griekenland die de laatste tijd door natuurrampen getroffen zijn.

 

BIJLAGE I

Lijst van prioritaire vervoer- en energieprojecten

 

A. Vervoerprojecten

Reeds aangevangen of vóór eind 1996 aan te vangen werkzaamheden

1. Hogesnelheidstrein/gecombineerd vervoer Noord-Zuid I/A/D

Neurenberg - Erfurt - Halle/Leipzig - Berlijn

Brenner-as : Verona - München

2. Hogesnelheidstrein (Parijs -) Brussel - Keulen - Amsterdan - Londen

België : grens F/B - Brussel - Luik - grens B/D B

Brussel - grens B/NL

Verenigd Koninkrijk : Londen - toegang Kanaaltunnel UK

Nederland : grens B/NL - Rotterdam - Amsterdam NL

Duitsland : (Aken -) () Keulen - Rijn/Maingebied D

3. Hogesnelheidstrein Zuid

Madrid - Barcelona - Perpignan - Montpellier E/F

Madrid - Vitoria - Dax

4. Hogesnelheidstrein Oost

Parijs - Metz - Straatsburg - Appenweier (- Karlsruhe) F/D

met zijtakken Metz - Saarbrücken - Mannheim F/D

en Metz - Luxemburg F/L

5. Conventioneel spoor/Gecombineerd vervoer : Betuwelijn NL/D

Rotterdam - grens NL/D (- Rijn/Roergebied)

6. Hogesnelheidstrein/gecombineerd vervoer Frankrijk - Italië F/I

Lyon - Turijn

Turijn - Milaan - Venetië - Triëst

7. Autwegen Griekenland Pathe : Rio Antirio, Patras - Athene - EL

Thessaloniki - Prohamon (grens Griekenland/Bulgarije)

en Via Egnatia : Igoumenitsa - Thessaloniki - Alexandroupolis -

Ormenio (grens Griekenland/Bulgarije) - Kipi (grens Griekenland/

Turkije)

8. Autoweg Lissabon - Valladolid P/E

9. Conventionele spoorverbinding Cork - Dublin - Belfast - IRL/UK

Larne - Stranraer

10. Vliegveld Malpensa (Milaan) I

11. Vaste spoor- en wegverbinding tussen Denemarken en Zweden

(vaste verbinding Øresund) DK/S

inclusief de toegangsroutes voor het weg-, spoor- en luchtvervoer

12. Noordse driehoek (spoor/wegen) FIN,S

13. Wegverbinding Ierland/ UK/(IRL)

Verenigd Koninkrijk/Benelux

14. Hoofdverbinding westkust (spoor) UK

 

B. ENERGIEPROJECTEN

(Projecten waarvoor de uitvoering op korte termijn, uiterlijk in 1997, kan beginnen en die op middellange termijn, uiterlijk in 1999, kunnen worden voltooid)

 

Projecten in de Europese Unie :

 

1. Italië-Griekenland koppeling elektriciteitsnetten (zeekabel)

2. Frankrijk-Italië koppeling elektriciteitsnetten

3. Frankrijk-Spanje koppeling elektriciteitsnetten

4. Spanje-Portugal koppeling elektriciteitsnetten

5. Denemarken koppeling van het Oost- en het Westdeense elektriciteitsnet (zeekabel)

6. Griekenland aardgasnet

7. Portugal aardgasnet

8. Spanje-Portugal koppeling gasnetten

 

Projecten in samenwerking met naburige landen :

 

9. Algerije-Marokko-Europese Unie gaspijpleiding

10. Rusland-Wit-Rusland-Polen-Europese Unie gaspijpleiding

 

BIJLAGE II

Verslag van de Groep Christophersen

 

BELANGRIJKSTE AANBEVELINGEN

De Groep van persoonlijke vertegenwoordigers van de Staatshoofden en Regeringsleiders nodigt de Europese Raad uit zijn goedkeuring te hechten aan de aanbevelingen die de Groep in haar verslag heeft opgenomen. Deze aanbevelingen kunnen als volgt worden samengevat :

De Europese Raad wordt verzocht :

a) het prioritaire karakter van de in bijlage 1, deel I, en bijlage 2, lijst A, genoemde projecten te bevestigen en :

- de Raad en het Europees Parlement te verzoeken om bij het opstellen van de richtsnoeren waarin de projecten van gemeenschappelijk belang worden geïdentificeerd, deze prioritaire projecten daarin op te nemen ;

- de Lid-Staten en de Gemeenschap te verzoeken om de nodige steun te verlenen aan deze projecten en deze zo spoedig mogelijk te implementeren ;

b) er bij het Europees Parlement en de Raad op aan te dringen de richtsnoeren en de bijbehorende financiële regelingen zo spoedig mogelijk goed te keuren ;

c) nota te nemen van de potentiële relevantie van een netwerkbenadering op specifieke gebieden van het milieubeleid en de Commissie, de Raad en de Lid-Staten te verzoeken de mogelijkheid te bestuderen om richtsnoeren op te stellen voor de infrastructuur voor een milieunetwerk en om de belemmeringen voor de totstandbrenging van infrastructuren op milieugebied te onderzoeken, en daarbij het gebruik van de bestaande financiële instrumenten ten behoeve van mogelijke toekomstige richtsnoeren en prioritaire projecten te benadrukken ;

d) te erkennen dat belemmeringen van bestuursrechtelijke en wettelijke aard belangrijke remmende factoren zijn bij de implementatie van prioritaire projecten, en de Lid-Staten en de Commissie te verzoeken alle nodige initiatieven te nemen om dergelijke belemmeringen weg te nemen ;

e) de doelstelling van een hechtere samenwerking met naburige landen met het oog op de verbinding van de transeuropese netwerken met netwerken buiten de Unie, met name in Midden- en Oost-Europa en het Middellandse-Zeegebied, te bevestigen ;

f) de doelstelling van het bevorderen van particuliere/openbare partnerschappen te bevestigen en de Lid-Staten, de Commissie, de EIB en het EIF te verzoeken hiertoe de nodige maatrgelen te treffen ;

g) te bevestigen dat - indien nodig - maatregelen zullen worden genomen ten einde te voorkomen dat prioritaire projecten op financiële of andersoortige belemmeringen stuiten die hun implementatie in gevaar brengt ;

h) te erkennen dat de specifieke benadering van de Groep Christophersen, die bestaat in het identificeren en het bespoedigen van geselecteerde prioritaire projecten, een extra waarde toevoegt aan de implementatie van transeuropese netwerken en dat deze inspanningen in de toekomst moeten worden voortgezet, met het oog daarop de door de Groep aanbevolen follow-up procedure goed te keuren, die behelst dat :

i) de Europese Raad doorlopend de nodige impulsen geeft voor de implementatie van prioritaire projecten op basis van een jaarlijks verslag dat door de Commissie overeenkomstig het door de Europese Raad in december 1993 goedgekeurde actieplan van het Witboek wordt ingediend bij de Europese Raad ;

ii) wanneer de verwezenlijking van afzonderlijke prioritaire projecten in gevaar komt, de Commissie dit ter kennis brengt van de Raad, die onverwijld de nodige maatregelen in overweging zal nemen, eventueel in samenwerking met de Commissie en de EIB ;

iii) de Lid-Staten en de Unie wordt verzocht de vorming van passende instrumenten ("projectinstanties") in overweging te nemen, die eventueel openstaan voor openbare en particuliere participanten, met het oog op de bevordering van prioritaire projecten ; de Commissie, de EIB en het EIF moeten de coördinatie tussen partijen die mogelijk belangstelling hebben voor prioritaire projecten actief ondersteunen, onder andere door middel van door de Commissie georganiseerde project seminars ; de Commissie onderzoekt hoe de vorming van voornoemde instrumenten in het kader van de communautaire wetgeving kan worden bevorderd ;

iv) de Commissie en de EIB, in overleg met de Lid-Staten, toezicht houden op de voortgang van de financiering van afzonderlijke prioritaire projecten ; wanneer blijkt dat meerdere prioritaire projecten worden geconfronteerd met financiële belemmeringen van algemene aard, nemen zij passende maatregelen in overweging.

 

BIJLAGE III

Financieringen van de Europese Investeringsbank

voor de transeuropese netwerken

De Raad verzoekt de Bank haar reeds vergevorderde activiteiten ter ondersteuning van de financiering van prioritaire projecten voort te zetten en in de toekomst, met inachtneming van haar normale controle- en leningscriteria, haar inspanningen ter zake nog te verhogen. Bij deze inspanningen zou er nauw contact dienen te zijn met de betrokken Lid-Staten en projectbeheerders, terwijl voor zover mogelijk ook de particuliere sector zou moeten worden betrokken bij de financiering van de projecten en het aanvaarden van risico.

Met het oog daarop richt de EIB een speciaal instrument op voor de financiering van infrastructuurprojecten van gemeenschappelijk belang voor de Gemeenschap, en met name voor die welke op de lijst van de prioritaire TEN-projecten voorkomen. Hierdoor zou het in het kader van de Edinburgh-faciliteit bereikte tempo van de EIB-financieringen worden gehandhaafd respectievelijk versterkt. Het speciale loket is bestemd voor projecten op het gebied van vervoer, telecommunicatie en energie in de openbare en de particuliere sector en voor in beide sectoren gemeenschappelijk uitgevoerde projecten, alsmede voor de financiering van maatregelen op het gebied van de milieubescherming bij projecten met een transeuropees karakter. Deze financieringen staan niet alleen ter beschikking in de Unie, maar ook in Midden- en Oost-Europa, Scandinavië, Het Middellandse-Zeegebied en de transalpine verbindingen.

Onder passende voorwaarden zouden de voornaamste kenmerken zijn :

a) voor zover er een gezonde financiële basis bestaat, beschikbaarstelling van langere looptijden en langere aflossingsvrije perioden om aldus de vereiste terugbetaling beter af

te stemmen op de te verwachten cashflow van de projecten ;

b) beschikbaarstelling aan de banken van herfinancieringsfaciliteiten bij de aanvang van een project, zodat zij ervan verzekerd zijn dat hun leningen overeenkomstig de normale looptijden kunnen worden geherfinancierd ;

c) inschakeling van de EIB in een zo vroeg mogelijk stadium bij de besprekingen over de financiële en contractuele opzet van een project, in samenwerking met de Lid-Staten en de Commissie, zodat dank zij de betrokkenheid van de Bank en van het EIF gemakkelijker passende financiële regelingen kunnen worden opgesteld ;

d) verruiming van de normaliter gehanteerde criteria voor inschakeling van de Bank, om ervoor te zorgen dat infrastructuurprojecten op het gebied van vervoers-, energie- en telecommunicatienetwerken systematischer in aanmerking worden genomen, ongeacht of deze in of buiten de ondersteunde gebieden gesitueerd zijn.

De Bank zal haar Raad van Bewind regelmatig op de hoogte houden van de bereikte vooruitgang en haar Raad van Gouverneurs jaarlijks verslag uitbrengen.

 

 

BIJLAGE IV

Verslag van de Raad aan de Europese Raad van Essen

over de strategie ter voorbereiding van de toetreding

van de geassocieerde LMOE's

I. Inleiding

In juni 1993 heeft de Europese Raad te Kopenhagen ermee ingestemd dat de geassocieerde landen in Midden- en Oost-Europa, zo zij dat wensen, lid worden van de Europese Unie. De toetreding zal plaatsvinden zodra een geassocieerd land in staat is om de verplichtingen van het lidmaatschap na te komen door te voldoen aan de vereiste economische en politieke voorwaarden, zoals die in de conclusies van die Raad worden genoemd. Ook het vermogen van de Unie om met behoud van de dynamiek van de Europese integratie en zonder tekort te doen aan haar interne samenhang en grondbeginselen nieuwe leden op te nemen is in het algemeen belang van zowel de Unie als de kandidaat-landen een belangrijk punt van overweging.

De geassocieerde landen hebben opvallende vorderingen gemaakt op de weg naar politieke en economische hervormingen. Het consequent zijn bij dat hervormingsproces is de sleutel tot een succesvolle integratie in de EU.

De geassocieerde landen moeten zich op het lidmaatschap voorbereiden en hun vermogen versterken om de verantwoordelijkheden van een Lid-Staat op zich te nemen. Aan de kant van de Europese Unie moeten de institutionele voorwaarden voor de goede werking van de Unie worden gecreëerd tijdens de Intergouvernementele Conferentie in 1996, die derhalve moet plaatsvinden voordat de toetredingsonderhandelingen beginnen. Voorts wil de Raad de beschikking krijgen over een grondige analyse van de Commissie over de effecten van de uitbreiding in het kader van het huidige beleid van de Unie en de ontwikkeling daarvan.

De Europese Raad van Korfoe heeft het Voorzitterschap en de Commissie gevraagd hem tegen zijn volgende vergadering verslag uit te brengen over het sinds de Europese Raad van Kopenhagen tot stand gekomen toenaderingsproces, en de ter voorbereiding van de toetreding te volgen strategie.

De voornaamste instrumenten van deze strategie bestaan al. Het gaat om de gestructureerde betrekkingen met de Instellingen van de Unie conform de conclusies van Kopenhagen en om de Europa-Overeenkomsten. Deze overeenkomsten scheppen een flexibel en dynamisch kader voor diverse vormen van samenwerking. Wanneer bij besluit van de Raad Europa-Overeenkomsten met nieuwe staten worden gesloten, zullen deze staten in die strategie worden opgenomen.

De hier voorgestelde strategie moet voor de geassocieerde landen een route uitzetten voor hun voorbereiding op de toetreding. Het voornaamste onderdeel van de strategie is dat zij geleidelijk op integratie in de interne markt van de Europese Unie voorbereid worden via een gefaseerde overname van het acquis van die interne markt. Deze strategie zal ondersteund worden met beleidsmatige bevordering van de integratie door infrastructuurontwikkeling, samenwerking in het kader van de transeuropese netwerken, stimulering van intraregionale samenwerking, samenwerking op milieugebied en in zaken van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid, samenwerking in justitiële en binnenlandse zaken en op het gebied van cultuur, onderwijs en opleiding. Deze integratie zal geschraagd worden door het PHARE-programma van de Unie, dat op indicatieve basis zal uitgroeien tot een verbeterd financieel instrument op middellange termijn, met grotere mogelijkheden om infrastructuurontwikkeling en intraregionale samenwerking te bevorderen. Erkend wordt dat het communautaire acquis en het communautaire beleid zich zullen blijven ontwikkelen.

In politiek opzicht zal de strategie verwezenlijkt worden door de ontwikkeling van een gestructureerde relatie tussen de geassocieerde landen en de Unie. Dat zal een klimaat van wederzijds vertrouwen in de hand werken en de behandeling van aangelegenheden van gemeenschappelijk belang in een speciaal in het leven geroepen kader mogelijk maken.

Deze strategie zal met de volgende maatregelen uitgevoerd worden.

II. Gestructureerde relatie

Van centraal belang voor deze strategie is de vestiging van een "gestructureerde relatie" tussen de geassocieerde partnerlanden van Midden- en Oost-Europa en de Instellingen van de Europese Unie, zodat de geassocieerde landen een wezenlijke rol kunnen spelen bij besprekingen over aangelegenheden van gemeenschappelijk belang.

De totstandbrenging van een multilateraal kader voor intensivering van dialoog en overleg geschiedt conform de besluiten van de Raad van Kopenhagen, waarin sprake was van bijeenkomsten tussen de Raad van de Unie en de geassocieerde staten. Deze besluiten worden door deze strategie bekrachtigd.

De gestructureerde dialoog omvat communautaire sectoren, vooral die met een transeuropese dimensie (energie, milieu, vervoer, wetenschap en technologie, enz.), gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid, alsmede justitie en binnenlandse zaken. De dialoog zal een praktische samenwerking tussen de regeringen van de Lid-Staten en van de geassocieerde landen helpen uitgroeien en dient ook op parlementair niveau tussen de deelnemende landen en het Europees Parlement tot stand te komen. Als deze samenwerking voor de regeringen en parlementen tot de normale gang van zaken gaat behoren, zal dat een belangrijk stuk voorbereiding op de toetreding betekenen.

Er is overeenstemming om - naast de bijeenkomsten van de verschillende Associatieraden in het kader van de Europa-Overeenkomsten - vanaf 1995 in beginsel de volgende bijeenkomsten met de geassocieerde partners over kwesties van gemeenschappelijk belang te houden :

- Staatshoofden en Regeringsleiders :

Jaarlijkse bijeenkomst in de marge van de Europese Raad

- Ministers van Buitenlandse Zaken :

Halfjaarlijkse bijeenkomsten om het gehele terrein van de betrekkingen met de geassocieerde landen te bespreken, met name de stand en de vorderingen van het integratieproces

- Bijeenkomsten van de Ministers bevoegd voor de ontwikkeling van de interne markt, met name de Ministers van Financiën, Economische Zaken en Landbouw :

Jaarlijkse bijeenkomst

- Ministers van vervoer, telecommunicatie, onderzoek en milieu :

Jaarlijkse bijeenkomst

- Binnenlandse Zaken en/of Justitie :

Halfjaarlijkse bijeenkomsten

- Cultuur, Onderwijs :

Jaarlijkse bijeenkomst.

In het algemeen moeten de bijeenkomsten plaatsvinden in samenhang met de overeenkomstige Raadszitting. Indien nodig kunnen extra bijeenkomsten van de Raad en de geassocieerde landen worden belegd.

In de eerste helft van elk kalenderjaar dient de Lid-Staat die het Voorzitterschap overneemt, in overleg met het volgende Voorzitterschap de bijeenkomsten met de geassocieerde landen voor dat jaar volgens bovenstaand programma vast te leggen en in zijn werkprogramma op te nemen.

Een zorgvuldige voorbereiding van deze bijeenkomsten met de geassocieerde landen is uiterst belangrijk. Het COREPER zal belast worden met de organisatie en zal ook moeten zorgen voor de horizontale samenhang van de gestructureerde dialoog. Voor wat betreft de voorbereiding van de vergaderingen van de Raad (Algemene Zaken) met de Ministers van Buitenlandse Zaken van de landen van Midden- en Oost-Europa, voor zover die betrekking hebben op alle betrekkingen tussen de EU en de landen van Midden- en Oost-Europa en in andere bijzondere omstandigheden waarover per geval moet worden beslist, zou eraan kunnen worden gedacht de voorbereidende contacten te laten plaatsvinden in de vorm van gezamenlijke vergaderingen te Brussel, met name op ambassadeursniveau.

III. Voorbereiding van de uitbreiding van de interne markt

Bij hun toetreding gaan de toetredende landen deel uitmaken van de interne markt. Derhalve dient de voorbereiding op de interne markt de kern te vormen van de pre-toetredingsstrategie. Deze moet de geassocieerde landen helpen bij het op zich nemen van de verplichtingen die het lidmaatschap van de Unie met zich meebrengt, alsook bij de ontwikkeling van hun vermogen om de concurrentiedruk en de marktkrachten binnen de Unie het hoofd te bieden. In de komende jaren zal de integratie in de interne markt met zich meebrengen dat een ingewikkeld proces van harmonisatie van de wetgevingen, normen en standaarden moet worden doorlopen. De vandaag aangenomen strategie is derhalve ontworpen voor de middellange termijn, doch gaat vergezeld van korte-termijnmaatregelen die onmiddellijk moeten ingaan.

Korte-termijnmaatregelen

a) Commerciële beschermingsinstrumenten

Onverminderd het standpunt van de Raad zal de Commissie bij de uitoefening van haar taken ten aanzien van anti-dumping- en vrijwaringsmaatregelen en in het kader van de individuele Europa-overeenkomsten, ieder geassocieerd land inlichtingen verstrekken voordat zij een procedure inleidt en zal zij in gevallen die zich daartoe lenen, duidelijk de voorkeur geven aan prijsverbintenissen boven rechten om anti-dumpinggevallen waarin inbreuken worden vastgesteld, af te sluiten.

b) De handel in textielprodukten

De EU zal de verdere toegang tot de markt van de Unie op textielgebied verbeteren door vrijstelling van rechten te verlenen voor produkten die betrokken zijn bij passief veredelingsverkeer dat valt onder Verordening nr. 636/82, zoals die tot dat doel zal zijn uitgebreid en gewijzigd.

c) Cumulatie van regels van oorsprong

De kern van de strategie met betrekking tot de cumulatie zal zijn gebaseerd op de versterking van de doeltreffendheid van de Europa-overeenkomsten. Doel is ervoor te zorgen dat de bestaande cumulatiebepalingen door de deelnemers aan het economische verkeer volledig kunnen worden benut. De bestaande diagonale cumulatie met de vier geassocieerde landen zal worden uitgebreid tot Roemenië en Bulgarije. De invoering van een dergelijk systeem kan alleen succes hebben wanneer de geassocieerde landen het eens worden over één systeem en onderling een overeenkomst sluiten. De structuur dient flexibel te zijn en moet de mogelijkheid bieden dat in de toekomst andere landen die geassocieerde landen worden, zoals de Baltische Staten en Slovenië, toetreden.

Daarnaast moet voor zover mogelijk gelijktijdig diagonale cumulatie worden ingevoerd tussen de EG/EVA-landen, die met betrekking tot de regels van oorsprong als één grondgebied worden behandeld, en de geassocieerde landen. Alle EG/LMOE/EVA-landen zouden dan betrokken zijn bij wat men zou kunnen noemen Europese cumulatie. Overwogen moet worden of het eventueel nodig is in alle overeenkomsten specifieke bepalingen op te nemen om ontduiking te voorkomen.

Alvorens in alle Europa-overeenkomsten volledige cumulatie wordt ingevoerd als derde fase ter afronding van dit proces, waarvan de moeilijkheden niet mogen worden onderschat, zal de Raad zijn besluit nemen op basis van een grondige evaluatie van de sectoriële en de regionale gevolgen van de invoering van volledige cumulatie voor de Europese industrie, rekening houdend met de gevolgen van de eerste twee fasen. Wanneer wij ons concentreren op de harmonisatie van de regels van oorsprong en de uitbreiding van de cumulatiemogelijkheden zou de doeltreffendheid van de Europa-overeenkomsten worden versterkt, de toegang tot de markt voor produkten van oorsprong worden verbeterd en de economische samenwerking in heel Europa worden gestimuleerd.

d) Afstemming Bulgarije/Roemenië

De tijdschema's met betrekking tot de rechten en tariefcontingenten voor industrieprodukten, textielprodukten, EGKS-produkten en verwerkte en niet-verwerkte landbouwprodukten voor Bulgarije en Roemenië worden afgestemd op die van de andere geassocieerde landen, in overeenstemming met de regelingen die door de Raad (Algemene Zaken) van 31 oktober zijn overeengekomen.

e) Aanpassing van de Associatie-overeenkomsten

De Associatie-overeenkomsten worden begin 1995 aangepast in verband met de uitbreiding van de Unie, zodat de traditionele handelsstromen niet worden verstoord, alsook in het licht van de afsluiting van de Uruguay-Ronde en ten einde de handel verder te ontwikkelen.

Maatregelen voor de middellange termijn

Interne markt

Om bij de toetreding aan de Interne Markt te kunnen deelnemen, moeten de geassocieerde landen hun wetgeving afstemmen op die van de Unie. Ter ondersteuning van dat proces zal de Commissie, na raadpleging van de geassocieerde landen, bij de Raad een Witboek over de Interne Markt indienen waarin in grote lijnen de maatregelen worden aangegeven die de geassocieerde landen moeten nemen.

Het Witboek bevat het relevante acquis in de verschillende sectoren, dat ertoe zal bijdragen dat wordt voldaan aan de voorwaarden voor de totstandbrenging van een eengemaakte markt.

Het meeste werk zal moeten worden verzet door de geassocieerde landen, die wetgevende en regelgevende systemen, normen en certificatiemethoden moeten invoeren die verenigbaar zijn met die van de EU.

De EU verbindt zich ertoe de geassocieerde landen in hun taak bij te staan. In het Witboek zullen concrete methoden voor samenwerking worden voorgesteld, waarbij een optimaal gebruik wordt gemaakt van de associatie-overeenkomsten. De Commissie zal de noodzakelijke organisatorische maatregelen treffen om de benodigde gespecialiseerde technische bijstand te verstrekken, de Lid-Staten waar mogelijk bij deze inspanningen te betrekken en voor de coördinatie zorg te dragen.

De inspanningen zullen zowel middelen als technische en juridische assistentie vereisen, die veelal via het PHARE-programma zullen worden verstrekt.

Het Witboek zal een belangrijke gids voor onze partners zijn bij hun voorbereiding op de toetreding en zal door de volgende vergadering van de Europese Raad in juni 1995 worden behandeld.

Concurrentiebeleid en de controle op staatssteun

In het kader van de toekomstige toetreding is de bevredigende tenuitvoerlegging van een concurrentiebeleid en de controle op staatssteun in de geassocieerde landen van bijzonder belang. De werkzaamheden op dit gebied bevinden zich in de meeste geassocieerde landen in een vergevorderd stadium wat de aanneming betreft van wetgeving inzake het concurrentiebeleid en de oprichting van bureaus voor de uitvoering van het concurrentiebeleid.

Op het gebied van de staatssteun zal de Commissie de geassocieerde landen bijstand verlenen bij de opstelling en vervolgens de bijwerking van een inventaris van hun staatssteun, die op dezelfde basis als in de Unie wordt opgesteld. De Commissie wordt verzocht jaarlijks verslag aan de Raad uit te brengen over deze inventarislijsten. Naast de soorten steun die in de Unie zijn toegestaan, kan de Commissie ook richtsnoeren verstrekken inzake de verenigbaarheid van steun ter bestrijding van de specifieke problemen van de geassocieerde landen zolang zij zich in het hervormingsproces bevinden. De Commissie zal een opleidingsprogramma opstellen met betrekking tot het concurrentiebeleid, waarbij gebruik zal worden gemaakt van de expertise en ervaring van de autoriteiten van de Commissie en de Lid-Staten op concurrentiegebied.

Elk geassocieerd land kan één enkele autoriteit de bevoegdheid geven toezicht en controle uit te oefenen op alle staatssteun. Doel is ervoor te zorgen dat de met de controle op de staatssteun belaste autoriteit zijn taak op onafhankelijke wijze, op basis van een transparante wetgeving en zo eenvormig mogelijk uitoefent.

Wanneer het concurrentiebeleid en de controle op de staatssteun, tezamen met de toepassing van die gedeelten van het Gemeenschapsrecht die betrekking hebben op de interne markt, op bevredigende wijze ten uitvoer worden gelegd en zo een garantie tegen oneerlijke concurrentie bieden die vergelijkbaar is met de binnen de interne markt bestaande garantie, zou de Unie bereid moeten zijn af te zien van het gebruik van commerciële beschermingsinstrumenten voor industrieprodukten.

IV. Landbouw

De landbouwsector en de daarmee verbonden levensmiddelenindustrie in de geassocieerde landen leveren een aanzienlijke bijdrage tot de economische ontwikkeling van deze landen. De Commissie zal derhalve de effecten van alle exportsubsidies op de landbouw in deze landen onderzoeken. Zij zal hierbij uitgaan van de respectieve prijsniveaus in de EU en in de geassocieerde landen en bij de vaststelling van restituties rekening houden met die verschillen. De Raad neemt nota van het Commissievoorstel om de associatie-overeenkomsten aan te passen in het licht van onder andere de resultaten van de Uruguay-Ronde en de uitbreiding van de Unie. Ten einde de periode tussen de toetreding op 1 januari 1995 en de formele aanneming van de associatie-overeenkomsten te overbruggen, moeten op een puur technische basis autonome maatregelen worden genomen om de traditionele handelsstromen niet te verstoren.

Bovendien wordt de Commissie verzocht om verslag uit te brengen over de redenen waarom slechts een paar van de door de Unie geopende tariefcontingenten volledig zijn gebruikt, en om in de eerste helft van 1995 aan te geven hoe het gebruik van de bestaande contingenten kan worden verbeterd.

Aangezien de landbouw een sleutelelement van deze strategie is, wordt de Commissie verzocht in de tweede helft van 1995 een studie in te dienen over alternatieve strategieën voor de ontwikkeling van betrekkingen op landbouwgebied tussen de EU en de geassocieerde landen met het oog op de toekomstige toetreding van deze landen.

V. Bevordering van de investeringen

Een snelle groei in de geassocieerde landen en voortzetting van de structurele hervorming in die landen zijn essentiële factoren voor het uiteindelijke welslagen van het proces van economische verandering in de geassocieerde landen. Hoewel de toenemende spaargelden de binnenlandse investeringen zullen financieren, is er ook behoefte aan meer buitenlandse investeringen. Daarom heeft de Europese Unie een programma aangenomen om de investeringen vanuit de Unie te stimuleren, waarbij zij evenwel erkent dat de grootste inspanning toch door de geassocieerde landen zelf geleverd zal moeten worden.

Overeenkomstig de afspraken van de Raad Algemene Zaken van 31 oktober zal dit programma omvatten : voortgezette steun voor organisaties voor de bevordering van investeringen, de instelling van een Adviserende Handelsraad, evenals voortgezette steun via PHARE aan initiatieven zoals de herstructurering en modernisering van de produktiecapaciteit en de ontwikkeling van kleine ondernemingen, en om infrastructuurinvesteringen te helpen financieren.

VI. Het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid

De gestructureerde relatie die het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid omvat, is van bijzonder belang om het wijdverbreide gevoel van onveiligheid in Midden- en Oost-Europa te overwinnen. Het kan de inspanningen in het kader van de West-Europese Unie, de NAVO en het Partnerschap voor de vrede, de Conferentie inzake Veiligheid en Samenwerking in Europa en het Stabiliteitspact versterken, om de veiligheid en de stabiliteit in geheel Europa te vergroten. De Unie en de geassocieerde landen hebben een gemeenschappelijk belang bij het voorkomen van conflicten over zaken zoals grenzen en grensgebieden, en zouden veelvuldig overleg moeten plegen over onderwerpen van wederzijds belang op het terrein van het buitenlands en veiligheidsbeleid.

Er is op dit samenwerkingsgebied reeds zeer veel bereikt. De multilaterale politieke dialoog met de geassocieerde landen is geïntensiveerd vanaf de conclusies van de Europese Raad van Kopenhagen in juni 1993 en is er nu op gericht de geassocieerde landen vertrouwd te maken met de procedures die in de EU worden gebruikt, terwijl hun tevens de gelegenheid wordt gegeven betrokken te worden bij maatregelen van de Unie.

De Raad Algemene Zaken heeft tijdens zijn zitting van 7 maart 1994 besloten niet alleen de dialoog op alle niveaus verder te intensiveren en te verbreden, maar ook de mogelijkheid voor de geassocieerde landen te openen om zich aan te sluiten bij bepaalde GBVB-activiteiten van de Unie : verklaringen, demarches en gemeenschappelijk optreden. Praktische richtsnoeren voor de tenuitvoerlegging hiervan zijn in oktober 1994 in overleg met de geassocieerde landen opgesteld.

Dit proces kan worden uitgebouwd, en de samenwerking kan meer gericht en inhoudelijk worden gemaakt, door bij het begin van ieder Voorzitterschap prioritaire thema's te bepalen.

VII. Justitie en Binnenlandse Zaken

In de Verklaring van Berlijn die is goedgekeurd door de Ministers van Justitie en Binnenlandse Zaken die hebben deelgenomen aan de Conferentie van Berlijn van 8 september 1994, wordt benadrukt dat in het vooruitzicht van de toetreding van de geassocieerde staten tot de EU de samenwerking bij de bestrijding van alle vormen van georganiseerde misdaad van bijzondere betekenis is. De EU overweegt conform de Verklaring van Berlijn een samenwerking met de geassocieerde staten aan te gaan op onder andere de volgende gebieden :

- illegale handel in drugs

- diefstal van en illegale handel in radioactieve en nucleaire stoffen

- illegale immigratienetwerken

- illegale handel in motorvoertuigen.

De EU zal bepalen op welke terreinen de samenwerking met de geassocieerde landen bijzonder dringend of veelbelovend is, hetzij vanuit hun standpunt, hetzij vanuit het standpunt van de Unie. Een veelomvattend maatregelenpakket met voorstellen over de wijze waarop de samenwerking op de individuele terreinen genoemd in de Verklaring van Berlijn moet worden uitgevoerd, zou onder Frans Voorzitterschap aan de Europese Raad moeten worden voorgelegd. Er moet ook een samenwerking komen op asiel- en immigratiegebied, in het bijzonder door het leggen van contacten tussen de geassocieerde landen en het CIBGA en het CIBGI (de "clearing houses" voor asiel en immigratie).

VIII. Milieu

Milieu-aangelegenheden zijn van levensbelang voor de geassocieerde landen en voor de Unie. Veel van deze problemen kunnen alleen op continentaal niveau worden opgelost en daarvoor is nauwe samenwerking vereist.

Daartoe onderstreept de EU het belang dat erin is gelegen om de doelstellingen te bereiken die zijn vastgelegd tijdens de bijeenkomst van de Raad (Milieu) met de Milieuministers van de geassocieerde landen op 5 oktober 1994 in Luxemburg.

De EU beklemtoont het belang van het "Milieu voor Europa-proces" en zal nauw samenwerken bij de voorbereiding van de conferentie die in 1995 in Sofia zal worden gehouden.

Binnen een adequaat kader moet een intensieve informatie-uitwisseling worden ingesteld over milieubeleid, strategieën voor duurzame ontwikkeling, het opnemen van milieu-eisen in andere beleidssectoren, de wetgeving op Unieniveau en op nationaal niveau en initiatieven in andere internationale fora. Geëvalueerd moet worden welke prioriteiten moeten worden gesteld voor een programma dat gericht is op de convergentie van milieubeleid en de aanpassing van de milieuwetgeving van de geassocieerde landen.

Als de geassocieerde landen nauw samenwerken met het Europees Milieu-agentschap, in overeenstemming met artikel 19 van de verordening over dit agentschap, en in de toekomst tot dat agentschap toetreden, zal dat bijdragen tot het bereiken van de in Luxemburg bepaalde doelstellingen.

Het is in het bijzonder belangrijk om het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering zo spoedig mogelijk te bekrachtigen en ten uitvoer te leggen, met name ten einde overeenkomstig dat Verdrag de CO2-emissies te stabiliseren, te beperken of te verminderen, en om nauw samen te werken ten einde de weg te banen voor een mogelijke uitbreiding van de verbintenissen die uit hoofde van de Overeenkomst zijn aangegaan tijdens de eerste Conferentie van de Partijen bij de Overeenkomst in 1995 in Berlijn.

Daarnaast onderstreept de EU hoe belangrijk het is om milieu-eisen te integreren in het nationale en het Europese transportbeleid, zulks in het licht van de aanbevelingen en doelen die de ministeriële bijeenkomst van 5 oktober in Luxemburg zijn gedaan, c.q. gesteld. De EU is het erover eens dat nauw moet worden samengewerkt in het kader van de lopende voorbereidingen voor de in 1996 te houden VN-ECE-Conferentie over vervoer en milieu, om daar een bevredigend resultaat te kunnen behalen in de zin van de conclusies van de ministeriële bijeenkomst van 5 oktober.

Met het PHARE-programma kan steun worden verleend om een bijdrage te leveren tot het bereiken van de doelstellingen die de Europese Unie en haar partners gezamenlijk hebben vastgesteld. De Europese Unie zal andere donors en de internationale financiële instellingen aanmoedigen om dit programma te ondersteunen en hun samenwerking te verbeteren ten einde synergetische effecten te bereiken.

IX. Vervoer/TEN

De integratie van de geassocieerde landen in de Transeuropese Netwerken is van centraal belang voor de versterking van hun economische en politieke banden met de Unie.

In het licht hiervan heeft de groep persoonlijke vertegenwoordigers van de staatshoofden en regeringsleiders voor de sectoren vervoer en energie zich gebogen over de kwestie van de uitbreiding van de TEN's tot aangrenzende staten, en daarbij rekening gehouden met de relevante richtsnoeren voor het communautaire grondgebied en de prioriteiten van de aangrenzende staten. Hun aanbeveling om de coördinatieprocedures te intensiveren is een belangrijke stap naar uitbreiding van de Transeuropese Netwerken over de Uniegrenzen heen.

Door de groep werden verdere werkzaamheden aan de volgende projecten aanbevolen :

- Berlijn-Warschau-Minsk-Moskou (spoor en weg)

- Dresden-Praag (spoor en weg)

- Nürnberg-Praag (weg)

- vaste oeververbinding over de Donau tussen Bulgarije en Roemenië (spoor en weg)

- Helsinki-St. Petersburg-Moskou (spoor en weg)

- Trieste-Ljubljana-Boedapest-Lvov-Kiev (spoor en weg)

- Rusland-Wit-Rusland-Polen-EU (aardgasleiding)

- telematicaplatform in de Oostzee en Baltisch ringnet (elektriciteit).

De Commissie en de Lid-Staten zullen in overeenstemming met de conclusies van de groep met aandacht blijven onderzoeken aan welke routes en projecten voorrang zal worden gegeven en hoe deze voltooid kunnen worden. Daartoe moeten de beschikbare financiële instrumenten zo efficiënt mogelijk worden benut. Dit geldt voor de leningen van de Europese Investeringsbank, het PHARE-programma en de grensoverschrijdende samenwerking in samenhang met het communautaire initiatief INTERREG II.

Bijzondere aandacht moet uitgaan naar het door de EIB aangekondigde speciale TEN-loket, dat ook van belang is voor projecten in de geassocieerde landen. Plannen op het gebied van vervoer, telecommunicatie en energie, alsmede transeuropese milieuprojecten, zouden onder deze faciliteit vallen.

X. Cultuur, onderwijs en opleiding

1. Algemeen

Het centrale doel, namelijk de samenwerking met de geassocieerde landen niet alleen in economisch en politiek opzicht, maar ook met betrekking tot onderwijs, jongeren en cultuur uit te breiden, wordt door de Lid-Staten van de Gemeenschap, het Europees Parlement en de Commissie gesteund. Hoewel van de Gemeenschap een passende bijdrage verwacht wordt, is het aan de Lid-Staten te besluiten om overeenkomstig hun doelstellingen en hun inzichten in de mogelijkheden daartoe, de banden met de geassocieerde landen verder aan te halen. Bij alle activiteiten moet ten volle rekening worden gehouden met de taalkundige en culturele verscheidenheid van de Unie.

2. Cultuur

De Commissie is verzocht een overzicht te maken van alle lopende en geplande programma's die de Gemeenschap, haar Lid-Staten, alsmede de internationale organisaties met de geassocieerde landen op cultureel gebied hebben opgezet, ten einde tot meer transparantie en coördinatie te komen.

De door de Commissie voorgestelde nieuwe culturele programma's die nog in behandeling zijn, zouden voor derde landen kunnen worden opengesteld en overeenkomstig het besluit van de Raad van 27 juli 1994 zouden de geassocieerde landen daaraan op passende wijze moeten kunnen deelnemen.

De Europa-overeenkomsten voorzien evenals de bilaterale overeenkomsten in een lange reeks van mogelijkheden om de culturele samenwerking te intensiveren, zoals instandhouding van het culturele en architectonische erfgoed, opleiding, vertaling van literaire werken, uitwisseling van niet-commerciële kunstwerken, filmproduktie, samenwerking in de audiovisuele sector en samenwerking om de sluikhandel in cultuurgoederen te verhinderen.

3. Onderwijs

De communautaire programma's Leonardo, Socrates en Jeugd voor Europa moeten op basis van het besluit van de Raad van 27 juli 1994 worden opengesteld voor de geassocieerde landen. Eveneens van belang is het TEMPUS-programma om de herstructurering van het hoger onderwijs en de beroepsopleiding te steunen.

Europese universitaire instellingen zouden de geassocieerde landen stap voor stap bij hun werk moeten betrekken, en er zou moeten worden overwogen de samenwerking met op Europa gerichte instellingen in de geassocieerde landen op te voeren.

Bilaterale samenwerking op bepaalde gebieden - bijvoorbeeld de structurele hervorming van de beroepsopleiding en de ontwikkeling van de nieuwe kwalificaties die voor de hervorming van het economische stelsel vereist zijn - is van bijzonder belang. Bovendien zouden bilaterale inspanningen ter bevordering van de uitwisseling van studenten en professoren en van de gezamenlijke ontwikkeling van studieprogramma's kunnen worden geïntensiveerd, evenals de totstandbrenging van partnerschappen tussen scholen en de bevordering van het onderwijs in Europese talen.

4. Opleiding van bestuursambtenaren

De opleidingsactiviteiten van de Commissie en relevante nationale inspanningen om diplomaten en andere regeringsambtenaren uit de geassocieerde landen de nodige politieke, juridische en aanverwante opleiding in Europese aangelegenheden te geven, zouden moeten worden geïntensiveerd en uitgebreid.

5. Informatie

Er bestaat in de Lid-Staten van de EU en in de geassocieerde landen behoefte aan meer kennis over elkaars samenleving. Daarom is een uitbreiding en intensivering van de informatieverstrekking noodzakelijk, evenals uiteraard een volledige eerbiediging van een vrije omroep, de persvrijheid en de vrijheid van meningsuiting.

XI. Financiële samenwerking

De voornaamste rol van de financiële bijstand van de EU in het kader van het PHARE-programma zal zijn :

- de geassocieerde landen te helpen zich het "acquis communautaire" eigen te maken ;

- de markthervormingen en de herstructurering op middellange termijn van hun economie en hun samenleving te voltooien om de voorwaarden voor een toekomstig lidmaatschap te scheppen.

PHARE moet passende financiële middelen toegewezen krijgen, rekening houdend met de herschikking van de prioriteiten krachtens deze strategie. Zowel in het algemeen als per land zal er een flexibele en indicatieve meerjarenplanning worden ingevoerd. De nadruk zal liggen op een algemeen kader voor de komende vijf jaar. De financiële vooruitzichten van Edinburgh, met inbegrip van de geplande stijgingspercentages en de verhogingen ten gevolge van de uitbreiding van de EU, blijven voor het PHARE-programma van toepassing.

De begrotingsramingen voor het PHARE-programma voor 1995 zullen ook voor de daaropvolgende jaren tot en met 1999 als minimumniveau dienen. Na de Europese Raad van Essen zal de Raad de stijgingspercentages - die hij in principe wenselijk acht - herzien. Dat zal de doeltreffendheid van het PHARE-programma verhogen om het tot toetreding leidende integratieproces te ondersteunen met inachtneming van de zienswijzen van de geassocieerde landen. Het PHARE-programma zal maatregelen ondersteunen ter bevordering van de aanpassing van wetten en normen en van het economische hervormingsproces en de ontwikkeling van een adequate infrastructuur. Om de infrastructuurontwikkeling te ondersteunen, zal de Europese Unie de in Kopenhagen overeengekomen beperking van de financiering door PHARE van 15 % optrekken tot 25 %.

De EIB wordt verzocht zijn leningstransacties binnen haar huidige plafond voor gegarandeerde leningen te ontwikkelen, met name op het gebied van infrastructuurinvesteringen, als een bijdrage tot de voorbereiding op de toetreding. Zij zou overal waar dat doenlijk is de mogelijkheden van nauwe samenwerking met PHARE en de internationale financiële instellingen moeten onderzoeken.

XII. Intraregionale samenwerking en bevordering van goed nabuurschap

Voor het welslagen van deze strategie is intraregionale samenwerking tussen de geassocieerde landen onderling en met hun onmiddellijke buurlanden van bijzonder belang. Het Stabiliteitspact legt de nadruk op deze aspecten vanuit een politiek en veiligheidsoogpunt, en er worden vele praktische voorbeelden van samenwerking tussen buurlanden gefinancierd uit het PHARE-programma. Zo'n samenwerking is ook van belang om de regionale economische ontwikkeling te bevorderen.

De EU moedigt de geassocieerde landen aan de bilaterale vrijhandelsbetrekkingen die zij elk met de Unie hebben, uit te breiden tot hun betrekkingen met elkaar. In dit verband wijzen de stappen om een Middeneuropese Vrijhandelszone tot stand te brengen in de goede richting.

Om de intraregionale samenwerking, die zal bijdragen tot de verwezenlijking van het Stabiliteitspact, verder te bevorderen, zal de EU :

- een nieuw initiatief lanceren om de handel in de regio te bevorderen. Dit initiatief omvat : waar nodig, steun voor de invoering van moderne handelswetgeving  ; overdracht van know-how van de Europese Unie op het gebied van exportbevordering en afzet ; steun voor de verbreiding van normen van de Europese Unie, en technische bijstand voor de ontwikkeling van exportverzekerings- en exportgarantiesystemen ;

- een programma van regionale samenwerking en goed nabuurschap opstellen, overeenkomstig de door de Raad Algemene Zaken van 31 oktober overeengekomen regelingen, om meerjarige multilaterale samenwerking te bevorderen in grensregio's rond landgrenzen en zeegrenzen tussen EU-landen/LMOE's, LMOE's/LMOE's en LMOE's/GOS-landen, op gebieden zoals vervoer, nutsbedrijven, milieu, economische samenwerking, menselijke hulpbronnen en landbouw. Dit programma zal worden gebruikt voor de medefinanciering van maatregelen met Inter-Reg aan EU/LMOE-grenzen. In de toewijzing aan de in aanmerking komende landen zal naar behoren rekening worden gehouden met de noodzaak om de inspanningen die reeds voor aan de huidige Gemeenschap grenzende gebieden worden overwogen, niet te verlagen. In passende omstandigheden kunnen schenkingen uit dit fonds op een samenhangende en doeltreffende manier worden gecombineerd met middelen van de EIB, de EBRD en de Wereldbank om te komen tot aanzienlijke en gecoördineerde steun met snelle uitbetaling voor projecten op het gebied van regionale samenwerking en goed nabuurschap. De Raad verzoekt de Commissie tijdig voor de bijeenkomst in het kader van het Stabiliteitspact een verslag over deze kwestie in te dienen ;

- een programma ontwikkelen om vertragingen aan de grenzen op te heffen.

°

 

° °

Bij de vaststelling van deze strategie legt de Europese Unie er opnieuw de nadruk op dat de Unie toetreding van de geassocieerde landen nastreeft, hoewel zij de omvang onderkent van de inspanningen die vereist zijn voor de nodige aanpassingen aan de zich ontwikkelende beleidsmaatregelen van de Unie. Deze strategie heeft ten doel de betrokken landen te helpen deze uitdaging aan te kunnen en de uitgezette route naar de toetreding af te leggen.

 

BIJLAGE V

Verslag van de Raad aan de Europese Raad in Essen

over het toekomstige Middellandse-Zeebeleid

 

 

1. De Raad heeft de mededeling aan de Raad en het Europees Parlement over de versterking van het Middellandse-Zeebeleid van de Europese Unie door de instelling van een Euro-Mediterraan partnerschap besproken ; de Europese Commissie had deze mededeling op verzoek van de Europese Raad van Korfoe op 25 oktober 1994 ingediend. De Raad heeft tijdens zijn zitting van 31 oktober 1994 met grote belangstelling nota genomen van de mededeling van de Commissie.

2. De Raad schaart zich volledig achter de mening van de Europese Commissie dat het Middellandse-Zeegebied voor de Gemeenschap een strategisch belangrijk gebied is. Europa heeft het grootste belang bij vrede, stabiliteit en welvaart in deze regio.

3. Daarom onderschrijft de Raad de algemene opzet en de doelstellingen van een Euro-Mediterraan partnerschap, gebaseerd op uitbreiding van de samenwerking op een breed scala aan terreinen, zoals dat in de mededeling van de Commissie is uitgewerkt. Dat partnerschap moet worden gefundeerd op de reeds nauwe betrekkingen met de landen in de regio en de structuren van het bestaande algemene Middellandse-Zeebeleid van de Europese Unie. Daarbij moet tevens rekening worden gehouden met de specifieke behoeften en mogelijkheden van elk van de betrokken landen ().

4. De Raad steunt de oprichting van een Euro-Mediterraan gebied van politieke stabiliteit en veiligheid. De versterking van de politieke dialoog moet gebaseerd zijn op de eerbiediging van democratie, behoorlijk bestuur en mensenrechten.

5. De Raad is het ermee eens dat een belangrijke factor voor een toekomstig Euro-Mediterraan partnerschap gelegen is in een proces van geleidelijke invoering van vrijhandel tussen de mediterrane landen onderling en tussen de regio als geheel en de Europese Unie, zoals door de Commissie in haar mededeling wordt voorgesteld. Bij het bevorderen van zo'n zone vervult regionale samenwerking een sleutelpositie.

6. De Raad is het erover eens dat zo'n geleidelijke ontwikkeling steun moet blijven genieten in de vorm van aanzienlijke financiële bijstand.

De Raad zal dit onderwerp spoedig na de Europese Raad in Essen bespreken en hierbij rekening houden met de volgende elementen :

- basis van deze werkzaamheden zijn de besluiten van de Europese Raad van Edinburgh inzake de eigen middelen, met inbegrip van de financiële vooruitzichten voor de categorie externe beleidsmaatregelen ;

- in overeenstemming met de Europese Raad van Edinburgh en rekening houdend met de wisselende prioriteiten van de Gemeenschap, moet bij de geografische verdeling van de communautaire verbintenissen een billijk evenwicht bewaard worden ;

- wat de toekomstige structuur van de financiële bijstand aan het Middellandse-Zeegebied betreft, is de Raad van mening dat deze kwestie door de Commissie verder moet worden uitgewerkt en grondig moet worden besproken binnen de Raad.

7. De Raad steunt de opvatting van de Commissie dat de Europese Unie de samenwerking moet gaan ontwikkelen op een aantal andere gebieden die samen met de mediterrane partners moeten worden vastgesteld. Daarbij kan worden gedacht aan : industriële en ontwikkelingssamenwerking, sociale en culturele samenwerking, energie, milieu, informatie- en communicatietechnologie, diensten, kapitaal, wetenschap en technologie, illegale drugshandel, illegale immigratie, toerisme, alsook vervoer en netwerken.

8. De Raad merkt op dat de bijstand van de Europese Unie aan de mediterrane regio niet kan dienen ter vervanging van grote inspanningen van de betrokken landen zelf om hun eigen situatie en hun economische en sociale ontwikkeling te verbeteren.

9. De Raad legt derhalve de volgende lijst van maatregelen ter goedkeuring voor aan de Europese Raad in Essen :

- herhalen dat de Europese Unie bereid is om door de instelling van een Euro-Mediterraan partnerschap de mediterrane landen te steunen bij hun pogingen hun regio geleidelijk tot een gebied van vrede, stabiliteit en welvaart te maken, en om de handelsbetrekkingen tussen de partijen geleidelijk te versterken, onder andere op basis van de resultaten van de Uruguay-Ronde ;

- tegen het eind van dit jaar de onderhandelingen met Marokko, Tunesië en Israël afronden, zoals door de Europese Raad in Korfoe is verzocht ;

- in de nabije toekomst soortgelijke onderhandelingen openen met Egypte en andere in aanmerking komende mediterrane landen die dat wensen ;

- economische steun aan Algerije blijven verlenen, zoals de Europese Raad te Korfoe voor ogen had, en tevens al degenen die geweld afwijzen, oproepen tot een dialoog ;

- de Commissie en de Raad verzoeken de onder punt 6 vermelde uitgangspunten ten uitvoer te leggen ;

- de onderhandelingen met Turkije over de voltooiing en de volledige invoering van de Douane-Unie spoedig afronden en de betrekkingen met die partner verstevigen ;

- bevestigen dat Cyprus en Malta in de volgende fase van de uitbreiding van de Unie aan de beurt zullen zijn, en de Raad verzoeken begin 1995 nieuwe verslagen van de Commissie en een verslag van de Europese waarnemer voor Cyprus te bespreken.

10. De Raad beveelt de Europese Raad aan ermee in te stemmen dat de Europese Unie in de tweede helft van 1995 een Euro-Mediterrane Ministerconferentie bijeenroept waarvoor alle betrokken mediterrane landen worden uitgenodigd. Die conferentie, die een grondige voorbereiding in samenwerking met de betrokken landen vereist, moet de gelegenheid bieden om de toekomstige Euro-Mediterrane betrekkingen diepgaand door te spreken, waarbij alle relevante politieke, economische, sociale en culturele kwesties aan de orde komen.

De conferentie moet overeenstemming bereiken over een reeks economische en politieke richtsnoeren voor de Euro-Mediterrane samenwerking tot in de volgende eeuw. De conferentie zal een permanente, reguliere dialoog over alle onderwerpen van gemeenschappelijk belang tot stand brengen.

11. De Raad verzoekt de Commissie om begin 1995 precieze voorstellen voor de tenuitvoerlegging van alle aspecten van haar mededeling in te dienen teneinde de Raad in staat te stellen de nodige besluiten te nemen en de Conferentie voor te bereiden.