Overlegprocedure (artikel 96)
De Overeenkomst van Cotonou is het overkoepelende kader voor de betrekkingen van de EU met de staten in Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan (ACS-landen). De overeenkomst werd in 2000 aangenomen en vervangt de Overeenkomst van Lomé van 1975.
De EU en de ACS-landen verklaren in de Overeenkomst van Cotonou dat de mensenrechten, de democratische beginselen en de rechtsstaat essentiële elementen van het partnerschap en belangrijke pijlers voor langetermijnontwikkeling zijn. Zij zeggen toe zich te zullen inzetten voor de bescherming en bevordering van deze aspecten, met name via politieke dialoog.
Ook wordt voorzien in een procedure die kan worden gebruikt wanneer een van de partijen bovengenoemde fundamentele beginselen niet naleeft. Daarbij wordt de EU als een partij beschouwd, en elk specifiek ACS-land als een andere partij. De regels voor deze procedure staan in artikel 96 van de overeenkomst.
Dat artikel is sinds 2000 zowat 15 keer toegepast, naar aanleiding van gewelddadige staatsgrepen, escalaties van geweld, of schendingen van de mensenrechten. Voorbeelden uit het verleden zijn onder meer:
- Fiji (2000, 2007)
- Zimbabwe (2002)
- de Centraal-Afrikaanse Republiek (2003)
- Guinee-Bissau (2004, 2011)
- Togo (2004)
- Madagaskar (2010)
Van 26 oktober tot en met 8 december 2015 liep een overlegprocedure met Burundi.
- Burundi: EU verzoekt om overleg in het kader van artikel 96 van de Overeenkomst van Cotonou
- Overleg EU-Republiek Burundi krachtens artikel 96 van de Overeenkomst van Cotonou - conclusies van de Europese Unie
Voorwaarden voor starten van overleg op grond van artikel 96
Indien een van de partijen bij de overeenkomst van oordeel is dat een andere partij haar verplichtingen met betrekking tot de mensenrechten, de democratische beginselen of de rechtsstaat niet nakomt, probeert zij eerst een oplossing te vinden via een versterkte politieke dialoog (artikel 9 van de overeenkomst). Wanneer alle mogelijkheden van de dialoog benut zijn en de bezorgdheid omtrent de mensenrechten, de democratische beginselen of de rechtsstaat blijft bestaan, kunnen de partijen een overlegprocedure starten.
In een aantal uitzonderlijke gevallen kan een overlegprocedure worden gestart zonder voorafgaande politieke dialoog:
- in bijzonder dringende gevallen die een onmiddellijke reactie vereisen
- bij aanhoudende niet-nakoming van tijdens een voorgaande dialoog gedane toezeggingen
- wanneer geen dialoog in goed vertrouwen kan worden aangegaan
Instellen van een overlegprocedure op grond van artikel 96
Werden alle mogelijkheden tot dialoog benut, maar is een partij haar verplichtingen nog steeds niet nagekomen, dan kan de andere partij een overlegprocedure instellen om tot een oplossing te komen.
Wil de Europese Unie een overlegprocedure instellen, dan moet de Raad de regering van het betrokken land formeel uitnodigen voor "overleg". Dat gebeurt via een schriftelijk verzoek dat door de Raad is goedgekeurd. Het overleg dient dan binnen 30 dagen te beginnen.
Het overlegproces
Het overleg op grond van artikel 96 vindt in de praktijk op regeringsniveau plaats. De partijen dienen te streven naar een gelijk niveau van vertegenwoordiging tijdens het overleg. De EU wordt in overlegprocedures vertegenwoordigd door het voorzitterschap van de Raad en door de Europese Commissie.
De duur van de overlegperiode hangt af van de aard en de ernst van de schending en het verloop van de besprekingen. De duur van het overleg wordt met wederzijdse instemming van de partijen bepaald en kan niet langer zijn dan 120 dagen.
Resultaten van het overleg
Tijdens het overleg streeft de EU naar een oplossing die voor beide partijen aanvaardbaar is. In dat geval stellen de deelnemers een stappenplan op, met de stappen die door beide partijen moeten worden gedaan om terug te keren naar een normale relatie. Dat stappenplan wordt opgenomen in een besluit dat door de Raad van de EU wordt aangenomen.
Indien bij afloop van het overleg geen overeenstemming wordt bereikt, kan de partij die de overlegprocedure heeft gestart passende maatregelen nemen. Die maatregelen moeten in verhouding staan tot de betrokken schending en gericht zijn tegen degenen die verantwoordelijk zijn voor het schenden van de wezenlijke elementen van het partnerschap, terwijl de negatieve gevolgen ervan voor de bevolking zo gering mogelijk moeten zijn. De maatregelen kunnen voorzorgsmaatregelen voor lopende samenwerkingsprojecten en -programma's omvatten, of de schorsing van projecten, programma's en andere vormen van bijstand. Als uiterste middel kan de volledige uitvoering van de ontwikkelingssamenwerking in het kader van de overeenkomst worden geschorst.
Deze maatregelen worden in de EU aangenomen bij een besluit van de Raad, waarbij tevens een brief wordt toegezonden aan de autoriteiten van de betrokken partij. Passende maatregelen gelden voor een bepaalde termijn en hangen af van de ontwikkeling van de situatie. Na het verstrijken van de termijn kunnen zij worden ingetrokken of, indien de situatie niet is verbeterd, worden verlengd.
Artikel 96 in de praktijk - het voorbeeld van Guinee-Bissau (2011)
Op 1 april 2010 gaf de adjunct-chef-staf van de strijdkrachten van Guinee-Bissau de aanzet voor een muiterij, waarbij de chef-staf van de strijdkrachten en de premier gevangen werden genomen. Hij werd de facto chef-staf en werd vervolgens officieel in die functie benoemd op 25 juni 2010.
De EU veroordeelde de muiterij en riep de autoriteiten ertoe op de normale democratische orde te herstellen. De Groep Afrika van de Raad verzocht de EU-missiehoofden in Bissau op 14 april om een versterkte politieke dialoog met de autoriteiten aan te gaan over de volgende punten:
- de vrijlating van de chef-staf en andere gevangen gehouden personen
- de juridische verantwoordelijkheid van en disciplinaire sancties tegen de betrokkenen
- de vereiste gehoorzaamheid aan de legitieme democratische autoriteiten
In mei 2010 reisde een gezamenlijke missie van de Commissie, de Raad en het voorzitterschap van de Groep Afrika naar Guinee-Bissau. De missie kwam tot de conclusie dat de autoriteiten niet bij machte waren te voldoen aan het EU-verzoek om terug te keren naar het constitutioneel bestel.
De Raad kwam op 31 januari 2011 overeen om het overleg met de autoriteiten van Guinee-Bissau te openen. De Afrikaanse Unie, de Economische Gemeenschap van West-Afrikaanse Staten en de Gemeenschap van Portugeestalige landen werd verzocht als waarnemers deel te nemen aan het overleg. In afwachting van de resultaten van het overleg werd de ontwikkelingssamenwerking geschorst.
De openingsvergadering van de overlegprocedure vond plaats in Brussel op 29 maart 2011. Op 18 juli 2011 besloot de Raad het overleg met Guinee-Bissau af te sluiten en een reeks maatregelen te nemen om de ontwikkelingssamenwerking met het land geleidelijk te hervatten. De Raad bepaalde dat het besluit regelmatig en ten minste om de 6 maanden opnieuw zou worden bekeken, en stelde de einddatum vast op 19 juli 2012. Vorderingen van Guinee-Bissau bij het hervormingsproces zouden leiden tot een geleidelijke hervatting van de EU-ontwikkelingshulp.
Op 10 juli 2012 werden de maatregelen met een jaar verlengd naar aanleiding van een verslechtering van de situatie in Guinee-Bissau, met onder meer een staatsgreep in april. Zij werden nogmaals verlengd in juli 2013.
In 2014, na vrije verkiezingen in Guinee-Bissau, schorste de Raad de maatregelen ter beperking van samenwerking met het land. Het oorspronkelijke besluit werd uiteindelijk ingetrokken in maart 2015.
Laatst bijgewerkt: 11 januari 2024