Skip to content

EU-meerjarenbegroting 2014-2020

Uitbraak van COVID‑19

Meerjarig financieel kader 2014-2020

De Raad nam de verordening over het huidige meerjarig financieel kader (MFK), de langetermijnbegroting van de EU, op 2 december 2013 aan. Ze is sinds 1 januari 2014 van toepassing.

De verordening bevat de limieten, of "maxima", voor de EU-uitgaven, zowel in totaal als voor specifieke gebieden.

Herziening van het MFK voor 2014‑2020

Door het huidige MFK te herzien, kunnen in 2020 extra uitgaven worden gedaan om de COVID-19-crisis te bestrijden.

De MFK-verordening is al twee keer eerder herzien, in 2015 en 2017.

In 2015 is ze gewijzigd omdat de programma's die gezamenlijk door de Europese Commissie en de lidstaten worden beheerd, met vertraging waren aangenomen. Daarom werd € 21,1 miljard aan ongebruikte toegezegde bedragen ("vastleggingen") voor 2014 overgedragen naar de jaren daarna.

In 2017 werd een reeks wijzigingen doorgevoerd in het kader van de verplichte tussentijdse evaluatie van het MFK. Doel daarvan was onder meer ervoor te zorgen dat de EU-begroting onvoorziene gebeurtenissen beter kon ondervangen. Ook moest de begroting meer op groei en banen worden georiënteerd en oplossingen bieden voor de migratiecrisis, en dat zonder aan de MFK-maxima te raken.

Totale uitgavenlimieten

Volgens het MFK voor 2014‑2020 mag de Europese Unie tijdens die jaren tot € 959,51 miljard uitgeven aan vastleggingen en € 908,40 miljard aan betalingen (voor alle bedragen op deze pagina gelden prijzen van 2011, met uitzondering van de technische aanpassingen).


Deze bedragen liggen lager dan de bedragen in het MFK voor 2007‑2013. Dat kwam omdat de Raad er rekening mee wilde houden dat de begrotingen van de lidstaten al behoorlijk onder druk stonden na de financiële crisis.

Maxima voor belangrijkste uitgavengebieden

De EU-uitgaven voor 2014‑2020 zijn gesplitst in 6 brede categorieën, of "rubrieken".

Dit zijn de verschillende uitgavencategorieën en de respectieve maxima voor de EU-uitgaven (vastleggingen):

1. Slimme en inclusieve groei

1a. Concurrentievermogen voor groei en werkgelegenheid

Uitgavenmaximum: € 125,61 miljard (ruim 37% meer dan in het vorige MFK)

De EU-financiering in deze subrubriek omvat:

  • steun voor onderzoek en innovatie
  • investeringen in trans-Europese netwerken
  • de ontwikkeling van kleine en middelgrote ondernemingen (kmo's)

1b. Economische, sociale en territoriale samenhang

Uitgavenmaximum: € 324,94 miljard.

De uitgaven in deze rubriek moeten de dispariteiten in de ontwikkelings­niveaus van de EU-regio's terug­dringen en het EU-cohesie­beleid ondersteunen.

2. Duurzame groei: natuurlijke hulpbronnen

Uitgavenmaximum: € 372,93 miljard

De EU-financiering in deze subrubriek omvat:

  • het gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB)
  • het gemeenschappelijk visserijbeleid
  • milieumaatregelen

3. Veiligheid en burgerschap

Uitgavenmaximum: € 15,67 miljard

De financiering dient voor maatregelen in verband met:

  • asiel en migratie
  • buitengrenzen
  • interne veiligheid

4. Europa als wereldspeler

Uitgavenmaximum: € 58,70 miljard

De rubriek behelst het EU-optreden op internationaal niveau, onder meer humanitaire hulp en ontwikkelingsbijstand. De uitzondering daarop is het Europees Ontwikkelingsfonds, dat directe financiële steun van de lidstaten krijgt.

5. Administratie

Uitgavenmaximum: € 61,63 miljard

Dankzij de inspanningen van de EU om de overheidsfinanciën te consolideren ligt dit bedrag € 2,5 miljard lager dan in het vorige MFK.

6. Compensaties

In 2014 werd € 27 miljoen vrijgemaakt om ervoor te zorgen dat Kroatië tijdens het eerste jaar na zijn toetreding niet meer zou bijdragen aan de EU-begroting dan het ontving.

Speciale instrumenten

Reserve voor noodhulp

De reserve bedraagt jaarlijks € 280 miljoen.

Deze reserve wordt aangewend voor de financiering van operaties voor humanitaire hulp, civiele crisisbeheersing en bescherming in niet-EU-landen, om te kunnen reageren op onvoorziene gebeurtenissen.

Solidariteitsfonds van de EU

Maximum: € 500 miljoen

Dit fonds moet financiële bijstand verlenen bij grote rampen in een lidstaat of een lidstaat die toetredings­onder­handelingen met de EU voert.

In maart 2020 breidde de Raad het toepassings­gebied van het Solidariteits­fonds van de EU uit tot crisis­situaties op het gebied van de volks­gezondheid. Dit helpt de lidstaten en toetredings­landen om tegemoet komen aan de onmiddellijke behoeften van de bevolking tijden de corona­virus­pandemie.

Flexibiliteitsinstrument

Maximum: € 471 miljoen

Dit instrument wordt gebruikt voor welomschreven behoeften die niet binnen de MFK-maxima kunnen worden gefinancierd.

Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering

Het fonds kan jaarlijks een bedrag van € 150 miljoen vrijmaken.

Dit fonds moet werknemers die zijn ontslagen als gevolg van hetzij grote structurele veranderingen in de wereld­handels­patronen, hetzij de mondiale financiële en economische crisis helpen bij hun terugkeer op de arbeids­markt.

Marge voor onvoorziene uitgaven

Dit is een laatste redmiddel om op onvoorziene omstandigheden te reageren. De marge bedraagt 0,03% van het bruto nationaal inkomen van de EU, dus ongeveer € 4 miljard.

De beschikbaar gestelde middelen worden volledig verrekend via een verlaging met hetzelfde bedrag van de MFK-uitgaven­maxima voor het lopende jaar of de volgende jaren.

Specifieke flexibiliteit voor de aanpak van jongeren­werkloosheid en het versterken van onderzoek

Via een herziening van de prioriteiten kon daarnaast € 2,543 miljard extra worden besteed aan jongeren­werkloosheids­maatregelen en onderzoek.

Het geplande bedrag wordt volledig verrekend binnen en/of tussen de rubrieken, zodat de totale jaarlijkse maximum­bedragen en de totale toewijzing per rubriek ongewijzigd blijven.

EU-inkomsten: eigen middelen 2014-2020

De Raad nam het huidige eigenmiddelenbesluit op 26 mei 2014 aan.

Volgens de regels daarvan mag de EU eigen middelen innen voor betalingen van maximaal 1,20% van het bruto nationale inkomen (bni) van alle lidstaten samen.

Voor de huidige zevenjarige begrotingscyclus is voorzien in de volgende soorten eigen middelen:

  • traditionele eigen middelen: vooral douanerechten en suikerheffingen
  • eigen middelen uit de btw: er wordt op de heffings­grondslag van de btw van elke lidstaat een uniform tarief van 0,3% geheven. De belastbare btw-grondslag is wel begrensd tot 50% van het bni van elk land
  • eigen middelen op basis van het bni: een uniform percentage van het bruto nationaal inkomen van de lidstaten; dit percentage wordt jaarlijks aangepast om de inkomsten en de uitgaven met elkaar in evenwicht te brengen

Inningskosten

De verantwoordelijkheid voor de inning van de traditionele eigen middelen en de terbeschikkingstelling ervan aan de Commissie, berust bij de EU-lidstaten.

Tijdens de periode 2014-2020 houden zij 20% op de aan de Commissie overgedragen traditionele eigen middelen in om de kosten voor de inning te dekken.

Correcties

Sommige landen krijgen terugbetalingen – kortingen – die bedoeld zijn om het verschil te verkleinen tussen wat zij in de EU-begroting storten en wat ze eruit ontvangen. Welke correcties gelden er voor de periode 2014-2020?

De correctie voor het VK: € 5 miljard in 2018

Aan het VK wordt 66% terugbetaald van het verschil tussen zijn bijdrage aan de EU-begroting en het bedrag dat het uit die begroting terugkrijgt.

De overige EU-lidstaten delen de kosten van de correctie voor het VK in verhouding tot hun relatieve aandeel in het bni van de EU. 4 lidstaten krijgen evenwel een "korting op de korting", zoals die alom wordt genoemd:

  • Duitsland
  • Oostenrijk
  • Nederland
  • Zweden

Sinds 2002 betalen deze landen slechts 25% van hun normale aandeel in de financiering van de correctie voor het VK.

Forfaitaire correcties

Op de bijdragen van 4 lidstaten wordt tijdens de periode 2014-2020 een forfaitaire correctie – een vermindering van de jaarlijkse bijdrage op basis van het bni – toegepast (in prijzen van 2011):

  • Denemarken - € 130 miljoen
  • Nederland - € 695 miljoen
  • Zweden - € 185 miljoen
  • Oostenrijk - € 30 miljoen in 2014, € 20 miljoen in 2015 en € 10 miljoen in 2016

Verlaagd btw-tarief

Voor 3 lidstaten geldt een verlaagd tarief op de btw-grondslag, namelijk 0,15% in plaats van 0,3%:

  • Duitsland
  • Nederland
  • Zweden