"We gebruiken cookies om uw browse-ervaring te verbeteren. Noodzakelijke cookies zijn nodig om essentiële functies van de website van de Raad te ondersteunen. Optionele cookies helpen ons om anonieme en geaggregeerde statistische overzichten op te stellen, om beter aan uw behoeften te voldoen.
Met uw toestemming gebruiken we cookies voor het genereren van geaggregeerde, anonieme gegevens over het browsegedrag van de gebruikers van onze website. We gebruiken deze gegevens om uw ervaring te verbeteren.
De Raad Buitenlandse Zaken besprak de Russische agressie tegen Oekraïne.
Dit werd voorafgegaan door een korte toespraak – via videoconferentie – van Dmytro Koeleba, de minister van Buitenlandse Zaken van Oekraïne, die de EU-ministers bijpraatte over de ontwikkelingen en prioriteiten van Oekraïne. De ministers verzekerden hem ervan dat de EU zich zo lang voor Oekraïne zal blijven inzetten als nodig is.
De Raad stipte de top EU-Oekraïne aan, die op 3 februari zal plaatsvinden. Dit zal de eerste top zijn sinds het begin van de Russische aanvalsoorlog, met Oekraïne als kandidaat-lidstaat. Vervolgens spraken de ministers over aanvullende militaire steun van de EU aan Oekraïne.
We bereikten een politiek akkoord over de 7e tranche van de militaire steun, met een extra bedrag van € 500 miljoen, en over een aanvullende steunmaatregel ter waarde van € 45 miljoen voor de Oekraïense strijdkrachten die worden opgeleid door onze militaire opleidingsmissie EUMAM Ukraine. In totaal komt de militaire steun in het kader van de Europese Vredesfaciliteit daarmee uit op € 3,6 miljard.
Josep Borrell, hoge vertegenwoordiger voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid
De ministers spraken hun steun uit voor het initiatief van Oekraïne voor een rechtvaardige vrede. Daarbij benadrukten zij het belang van een zo breed mogelijke wereldwijde steun voor het initiatief en onderstreepten zij de belangrijkste elementen ervan: de onafhankelijkheid, soevereiniteit en territoriale integriteit van Oekraïne binnen zijn internationaal erkende grenzen, en het inherente recht van Oekraïne op zelfverdediging tegen de agressie van Rusland.
Tot slot bespraken de ministers de mogelijkheden van een verantwoordingsmechanisme. De EU steunt de werkzaamheden van de Verenigde Naties op dit gebied, ook in het kader van de Algemene Vergadering van de VN. Ook benadrukt zij dat het belangrijk is om de cruciale rol van het Internationaal Strafhof in de internationale strafrechtspleging te behouden.
De ministers spraken hun grote steun uit voor de oprichting van een internationaal openbaar ministerie in Den Haag als eerste stap.
Informele gedachtewisseling met de Palestijnse premier Mohammad Shtayyeh
De ministers van Buitenlandse Zaken van de EU hielden tijdens de lunch een informele gedachtewisseling met de Palestijnse premier Mohammad Shtayyeh over de stand van zaken van de bilaterale betrekkingen en mogelijke manieren om deze verder te versterken. Er werd daarbij op ministerieel niveau gewerkt.
Premier Shtayyeh informeerde de ministers over de situatie ter plaatse en de aanhoudende spanningen. De ministers bevestigden de EU-steun voor het beschermen van de levensvatbaarheid van de tweestatenoplossing en bespraken het belang van een duidelijk tijdschema voor het houden van nationale Palestijnse verkiezingen en het boeken van vooruitgang met het Palestijnse hervormingsplan.
Sahel en West-Afrikaanse kuststaten
De ministers bespraken de Sahel en de West-Afrikaanse kuststaten en bevestigden dat deze regio ondanks de verslechterende veiligheids- en politieke situatie een prioriteit voor de EU blijft.
Naar aanleiding van het besluit om een nieuwe militaire partnerschapsmissie in Niger op te richten, die in februari 2023 van start moet gaan, is de Raad overeengekomen een crisisbeheersingsconcept te ontwikkelen om zich concreet in te kunnen zetten voor de kuststaten in de Golf van Guinee en hen gerichte opleiding en ondersteuning te kunnen bieden. De EU zal ook militaire adviseurs in EU-delegaties inzetten om hierbij te helpen.
De ministers veroordeelden de executies in Iran en de wrede onderdrukking van de protesten. Ook spraken zij hun blijvende steun uit voor het recht van de Iraniërs om te protesteren en hun grondrechten te verdedigen. De Raad voegde vervolgens 18 personen en 19 entiteiten toe aan de lijst van personen en entiteiten die onderworpen zijn aan beperkende maatregelen in het kader van de bestaande sanctieregeling vanwege de mensenrechtensituatie in Iran. Het gaat onder andere om hooggeplaatste leden van de Islamitische Revolutionaire Garde, mediafiguren en politiek personeel.
De Raad zette een nieuwe volwaardige civiele missie in Armenië (EUMA Armenia) op, die tot 100 personeelsleden zal hebben om de situatie ter plaatse te observeren en daarover verslag uit te brengen. Zo wordt er bijgedragen tot de menselijke veiligheid en het opbouwen van vertrouwen tussen de Armeense en Azerbeidzjaanse autoriteiten.
Daarna bespraken de ministers de ontstellende ontwikkelingen in Afghanistan en de extra beperkingen die zijn opgelegd aan Afghaanse vrouwen en meisjes. De Raad beoordeelt momenteel de implicaties van deze ontwikkelingen, onder meer via bestaande of aanvullende mechanismen om de Taliban ter verantwoording te roepen voor hun mensenrechtenschendingen.
Tot slot informeerde de hoge vertegenwoordiger de Raad over de dialoog over de normalisering van de betrekkingen tussen Kosovo* en Servië. Hij sprak met name over de missie naar Kosovo* en Servië van Miroslav Lajčák (de speciale vertegenwoordiger van de EU voor de dialoog tussen Belgrado en Pristina en andere regionale kwesties in verband met de Westelijke Balkan), de plaatsvervangend onderminister van de VS, en de adviseurs Buitenlandse Zaken van de leiders van Frankrijk, Duitsland en Italië. Het doel van deze missie was de besprekingen over het voorstel voor normalisering van de betrekkingen voort te zetten.
De Raad wisselde ook van gedachten over Venezuela, Montenegro en Ethiopië.
Voorts nam de Raad de A‑punten van niet‑wetgevende aard zonder debat aan.
*Deze benaming laat de standpunten over de status van Kosovo onverlet, en is in overeenstemming met Resolutie 1244/1999 van de VN-Veiligheidsraad en het advies van het Internationaal Gerechtshof over de onafhankelijkheidsverklaring van Kosovo.