Skip to content

Hoe worden EU-landen lid van de eurozone?

De lidstaten moeten aan bepaalde voorwaarden ("convergentiecriteria") voldoen om de euro te kunnen invoeren. De Raad besluit of een land de euro mag invoeren.

Toetreden tot de eurozone

Toetreding tot de eurozone betekent toetreding tot de op één na grootste reservemunt ter wereld en de op één na meest verhandelde valuta.

Om de euro te kunnen invoeren moeten de landen voldoen aan de criteria van het Verdrag van Maastricht van 1992, gewoonlijk de criteria van Maastricht genoemd.

Die economische en wettelijke vereisten zorgen ervoor dat de lidstaten klaar zijn voor de invoering van de euro en goed functioneren binnen de eurozone.

Bulgarije is het laatste land dat tot de eurozone is toegetreden, met de invoering van de gemeenschappelijke munt op 1 januari 2026.

Niet-deelnemingsclausules

In principe zijn alle EU-lidstaten verplicht de euro in te voeren zodra ze aan de convergentie­criteria voldoen. De enige uitzondering is Denemarken, dat in de EU-verdragen een niet-deelnemings­clausule heeft bedongen die het land van die verplichting vrijstelt.

Denemarken kan echter wel verzoeken om lid te worden van de eurozone als het dat ooit wenst te doen.

Voorwaarden voor toetreding

Om tot de eurozone te kunnen toetreden, moeten de EU-landen aan specifieke voorwaarden voldoen:

  • economische convergentie­criteria
  • juridische convergentie

Economische convergentie­criteria

Prijsstabiliteit

Houdbare rentetarieven

Houdbare overheidsfinanciën

Stabiele wisselkoersen

Prijsstabiliteit

Het land moet naast een houdbare prijs­ontwikkeling een gemiddelde inflatie (over een periode van één jaar) van maximaal 1,5 procentpunt boven het percentage van de 3 best presterende lidstaten kunnen voorleggen.

Gezonde en houdbare overheidsfinanciën

  • het voorziene of feitelijke overheidstekort mag niet meer bedragen dan 3% van het bbp
  • de overheidsschuldquote mag niet hoger zijn dan 60% van het bbp

Langetermijnrente om de duurzaamheid van de convergentie te beoordelen

De gemiddelde nominale langetermijnrente van het land mag niet meer dan 2 procentpunten hoger liggen dan die van de 3 best presterende lidstaten.

Wisselkoersstabiliteit om aan te tonen dat de economie bestand is tegen wisselkoers­schommelingen

Het land moet ten minste 2 jaar deelnemen aan het wisselkoers­mechanisme (WKM II):

  • zonder sterke afwijkingen van de spilkoers van het WKM II
  • zonder de bilaterale spilkoers van zijn munt t.o.v. de euro te devalueren

Het wisselkoers­mechanisme (WKM II) dient om aan te tonen dat de economie van een land vlot kan functioneren zonder buitensporige valuta­schommelingen.

Wanneer een land van buiten de eurozone toetreedt tot het WKM II, wordt zijn nationale munt aan de euro vastgeklonken tegen een spilkoers die is overeengekomen met de lidstaten van de eurozone, de landen buiten de eurozone die al aan het WKM II deelnemen, en de ECB, met betrokkenheid van de Commissie. De munt mag dan fluctueren binnen de standaardmarge van 15% boven of onder die spilkoers.

Aangezien het WKM II een voorwaarde is voor de invoering van de euro, wordt verwacht dat alle lidstaten buiten de eurozone, met uitzondering van Denemarken, in een bepaald stadium tot het mechanisme zullen toetreden.

Sinds 2018 wordt van de landen die tot het WKM II willen toetreden, ook verwacht dat zij nauwer gaan samenwerken met het gemeenschappelijk toezicht­mechanisme van de Europese Centrale Bank en specifieke beleids­verbintenissen uitvoeren.

Juridische convergentie

Kandidaten die willen toetreden tot de eurozone moeten er ook voor zorgen dat hun nationale wetgeving verenigbaar is met het Verdrag en de statuten van het Europees Stelsel van centrale banken (ESCB) en de ECB.

Het Verdrag en de statuten voorzien in de onafhankelijkheid van de centrale banken.

Beoordelen of een land klaar is: convergentie­verslagen

Ten minste om de 2 jaar bekijken de Europese Centrale Bank (ECB) en de Europese Commissie of de lidstaten buiten de eurozone (de zogenaamde "lidstaten met een derogatie") aan de convergentie­criteria voldoen en dus gereed zijn om de euro in te voeren. Ze stellen elk een convergentie­verslag met hun bevindingen op.

De verslagen worden aan de Raad van de EU voorgelegd, die ze bespreekt en op basis ervan een besluit neemt.

De ECB en de Commissie kunnen zo'n verslag ook opstellen wanneer een land van buiten de eurozone dat wil toetreden, daarom vraagt.

Besluit over de invoering van de euro

De Raad van de EU besluit of een land de euro mag invoeren.

De Raad neemt dat besluit nadat:

  • hij een voorstel van de Commissie heeft ontvangen
  • hij een aanbeveling van de lidstaten van de eurozone heeft ontvangen
  • hij het Europees Parlement heeft geraadpleegd
  • de zaak is besproken in de Europese Raad

Het definitieve besluit wordt genomen door alle EU-lidstaten samen. In de EU-wetgeving wordt dit de "intrekking van de derogatie" genoemd.

Wisselkoers bepalen

De Raad van de EU bepaalt ook onherroepelijk de koers waartegen de euro de munt van de lidstaat vervangt.

De Raad neemt dat besluit op basis van een voorstel van de Commissie, na overleg met de Europese Centrale Bank.

Het besluit wordt met eenparigheid van stemmen in de Raad genomen door de lidstaten van de eurozone en het land dat de euro invoert.

Rol van de lidstaten van de eurozone

De landen van de eurozone doen een aanbeveling aan de Raad van de EU over de vraag of een bepaald land gereed is om de euro in te voeren.

De leden van de eurozone moeten de aanbeveling indienen binnen 6 maanden nadat de Raad het voorstel van de Commissie over de invoering van de euro in een lidstaat heeft ontvangen.

Die aanbeveling moet worden aangenomen door een gekwalificeerde meerderheid van de lidstaten van de eurozone.

Verantwoordelijkheden bij toetreding

Invoering van de euro houdt het volgende in:

  • permanente vaste omrekenings­koers tussen de nationale munt en de euro
  • verantwoordelijkheid voor het monetair beleid overdragen aan de Europese Centrale Bank
  • van de lidstaten wordt verwacht dat zij deelnemen aan gecoördineerde crisisbeheersing, onder meer door waar nodig financiële bijstand te verlenen aan andere landen van de eurozone, om de stabiliteit te waarborgen.
  • regeringen moeten hun burgers informeren en voorlichten over de veranderingen bij toetreding tot de eurozone, waaronder de gevolgen voor het dagelijks leven, de voordelen en de uitdagingen die ermee gepaard gaan.
  • nauwere coördinatie van het nationale begrotingsbeleid. Elk jaar in oktober dienen de eurozonelanden hun ontwerpbegrotings­plannen voor het volgende jaar ter beoordeling in bij de Commissie. Eurozonelanden kunnen sancties opgelegd krijgen als ze niet voldoen aan de criteria voor gezonde en houdbare overheidsfinanciën.

Laatst bijgewerkt: 1 januari 2026