Skip to content

Technische voorstellen

In een notendop

De zogenoemde "technische pijler" van het 4e spoorwegpakket omvat het actualiseren van 3 belangrijke bestaande wetteksten. Doel van de veranderingen is lagere administratieve kosten voor spoorwegexploitanten en gemakkelijker toegang tot de spoorwegmarkt voor nieuwe exploitanten. Een van de grootste veranderingen houdt verband met het Europees Spoorwegbureau (ERA). Dat vervult nu een centrale rol bij het stimuleren van interoperabiliteit en het harmoniseren van de technische normen voor de hele EU-markt. Maar naast de technische en veiligheidsregels van het EU-Spoorwegbureau blijven ook de nationale regels bestaan en dat maakt de zaken onnodig ingewikkeld voor de spoorwegexploitanten. De voorgestelde wijzigingen zouden van het ERA het enige orgaan maken dat verantwoordelijk is voor het afgeven van voertuigvergunningen en veiligheidscertificaten in de hele EU.

Naast de wijzigingen in de taken van het ERA wordt met het 4e spoorwegpakket ook bestaande wetgeving inzake interoperabiliteit en spoorwegveiligheid gemoderniseerd. Deze wijzigingen zijn bedoeld om de resterende administratieve en technische hindernissen voor het verwezenlijken van één Europese spoorwegruimte uit de weg te ruimen.

Details

1. Voorstel betreffende het Europees Spoorwegbureau - 2013/0014 (COD)

Vergunningsprocedures voor nieuwe spoorwegvoertuigen kunnen thans tot 2 jaar vergen en tot € 6 miljoen kosten. Daarnaast moeten spoorwegexploitanten ook de nationale veiligheidsinstantie betalen voor de kosten van het goedkeuringsproces.

Daardoor kunnen nieuwe exploitanten en nieuwe voertuigfabrikanten moeilijk op de markt komen.

Nu is het ERA verantwoordelijk voor het opstellen van technische EU-specificaties voor interoperabiliteit en voor het voorstellen van veiligheidsmethoden en doelstellingen voor de spoorwegveiligheid. Ondanks het bestaan van geharmoniseerde normen worden spoorwegvergunningen en veiligheidscertificaten echter nog steeds door de lidstaten afgegeven.

In de nieuwe situatie zou het ERA de exclusieve verantwoordelijkheid krijgen voor het afgeven van vergunningen voor spoorwegvoertuigen, veiligheidscertificaten voor spoorwegexploitanten, en vergunningen voor baansystemen voor besturing en seingeving. Het zou ook andere nieuwe taken krijgen, zoals:

  • toezicht houden op de nationale spoorwegregels en op het optreden van de nationale instanties op het gebied van spoorweginteroperabiliteit en spoorwegveiligheid
  • onafhankelijke en objectieve technische ondersteuning van, hoofdzakelijk, de Europese Commissie
  • een grotere inbreng bij de consistente ontwikkeling en snelle invoering van telematicatoepassingen
  • een belangrijkere inbreng bij de consistente ontwikkeling van het Europees beheersysteem voor het spoorverkeer (European Rail Traffic Management System - ERTMS)

Het voorstel bevat verder verbeteringen in de bestuursstructuur van het ERA en in de interne werkwijzen.

2. Voorstel betreffende de interoperabiliteit van het spoorwegsysteem in de EU - 2013/0015 (COD)

De huidige richtlijn (2008/57) is er gekomen om te zorgen voor technische standaardisering van spoorwegnetwerken en interoperabiliteit - dat is een cruciale factor bij het ontwikkelen van trans-Europese spoorwegnetwerken. De voorgenomen veranderingen houden een nieuwe gemeenschappelijke aanpak voor de interoperabiliteitsregels in, die de spoorwegexploitanten schaalvoordelen zou opleveren. Ook zouden die veranderingen snellere administratieve procedures en dus ook lagere administratieve kosten met zich meebrengen. Daarnaast zou de herziening de richtlijn uit 2008 in overeenstemming brengen met andere elementen van het 4e spoorwegpakket, met name het voorstel om de rol van het ERA te herzien.

In het bijzonder omvat het voorstel een nieuwe bepaling inzake de technische interoperabiliteitsnormen (technical standards for interoperability - TSI's) voor het regelen van de bestaande subsystemen. Aan de hand daarvan kunnen de spoorwegexploitanten ook nagaan of voertuigen compatibel zijn met de trajecten waarop ze zullen worden ingezet. Verdere wijzigingen:

  • verduidelijking van het gebruik van ERA-adviezen in afwachting van wijziging van de TSI's nadat er tekortkomingen zijn geconstateerd
  • beperking van het aantal gevallen waarin de TSI's niet hoeven te worden toegepast
  • nieuwe bepaling over de vergunning voor het in de handel brengen van een voertuig
  • verduidelijking van de rol van spoorwegexploitanten en infrastructuurbeheerders bij het controleren of een voertuig technisch compatibel is met een traject

3. Voorstel tot wijziging van de richtlijn inzake spoorwegveiligheid - 2013/0016 (COD)

Met de huidige richtlijn (2004/49) werd een kader voor de spoorwegveiligheid ingevoerd, maar één gemeenschappelijk veiligheidscertificaat kwam er niet. Met het 4e spoorwegpakket wordt voorgesteld dat de EU stappen zet om één veiligheidscertificaat in te voeren, dat wordt afgegeven door het Europees Spoorwegbureau (ERA). Dat betekent dat de richtlijn van 2004 moet worden geactualiseerd, om de rol van de nationale veiligheidsinstanties te herzien en tot een nieuwe verdeling van de verantwoordelijkheden tussen hen en het ERA te komen. De voorgestelde veranderingen houden ook rekening met recente ontwikkelingen in de spoorwegmarkt en zorgen ervoor dat veiligheidsmonitoring- en risicobeheersingsmaatregelen correct worden toegepast.

Zie hier meer in detail de doelstellingen van de herziene richtlijn:

  • bevorderen van het instellen en invoeren van één veiligheidscertificaat op EU-niveau, en de toegang tot de spoorweginfrastructuur beperken tot spoorwegexploitanten met een veiligheidscertificaat
  • inspelen op ontwikkelingen op de spoorwegmarkt, zoals een toegenomen uitbesteding van diensten en afnemende interne controles
  • aanpassing van de werkingssfeer en de definities in overeenstemming met de herziene interoperabiliteitsrichtlijn
  • verduidelijking van de samenwerking tussen de nationale onderzoeksorganen en de justitiële autoriteiten bij een onderzoek na een ongeval

In de Raad

De Raad heeft op 10 december 2015 zijn standpunt in eerste lezing betreffende alle drie ontwerprichtlijnen vastgesteld. Het Europees Parlement moet deze nu officieel in tweede lezing goedkeuren.

De Raad heeft tijdens zittingen van de Raad Vervoer, Telecommunicatie en Energie (TTE) in juni 2013, oktober 2013 en maart 2014 afzonderlijke algemene oriëntaties met betrekking tot elk van de voorstellen aangenomen. Op 5 juni 2014 is een politiek akkoord over de 3 ontwerpteksten bereikt. Na een reeks informele besprekingen in een zogenaamde trialoog hebben de Raad en het Europees Parlement op 17 juni 2015 een voorlopig akkoord over de 3 technische voorstellen bereikt. Dit akkoord is op 30 juni 2015 in het Coreper bevestigd door de lidstaten.

1. Voorstel betreffende het Europees Spoorwegbureau

De Raad heeft op 14 maart 2014 een algemene oriëntatie vastgesteld, met diverse wijzigingen ten opzichte van het oorspronkelijke voorstel, waaronder:

  • een andere rol voor het ERA bij het toetsen van de nationale regels aan de spoorwegveiligheid en interoperabiliteit
  • verdere verduidelijking van de vraag wanneer de Commissie een besluit over nationale regels kan uitbrengen

In de Raadstekst wordt ook ingegaan op de behandeling van tekortkomingen in het kader van de veiligheids- en interoperabiliteitstaken van de nationale veiligheidsinstanties, op de door het ERA in rekening te brengen kosten voor de diensten die het zal verrichten, en op de instelling van een mogelijkheid om beroep aan te tekenen.

Het Europees Parlement heeft op 26 februari 2014 over alle 6 wetsteksten van het 4e spoorwegpakket zijn standpunt in eerste lezing vastgesteld.

2. Voorstel betreffende de interoperabiliteit van het spoorwegsysteem in de EU

De Raad heeft op 10 juni 2013 een algemene oriëntatie vastgesteld, met diverse wijzigingen ten opzichte van het oorspronkelijke voorstel, waaronder: De Raad stelt wijzigingen voor in de rol van de nationale veiligheidsinstanties en het ERA bij het verlenen van voertuigvergunningen. De Raadstekst voorziet in een tweeledig vergunningenstelsel, met een duidelijke scheiding tussen de taken en verantwoordelijkheden van het ERA en die van de nationale veiligheidsinstanties. Voor voertuigen die voor grensoverschrijdende activiteiten worden ingezet, zouden vergunningen worden afgegeven door het ERA op basis van beoordelingen door de nationale instanties.

3. Voorstel inzake spoorwegveiligheid

De Raad heeft op 10 oktober 2013 een algemene oriëntatie vastgesteld, met diverse wijzigingen ten opzichte van het oorspronkelijke voorstel, waaronder: De overeengekomen tekst van de Raad voorziet in een tweeledig systeem voor veiligheidscertificatie waarbij één veiligheidscertificaat wordt ingevoerd. Met dit tweeledige systeem zou het ERA het enige loket worden voor spoorwegmaatschappijen die in meerdere lidstaten actief zijn. Wel zouden de nationale instanties een centrale rol behouden bij het verrichten van beoordelingen voor de afgifte van het veiligheidscertificaat. Gaat het om een spoorwegmaatschappij die in slechts één lidstaat actief is, dan zou die, volgens het voorstel van de Raad, het certificatieverzoek hetzij bij het ERA hetzij bij de nationale veiligheidsinstantie moeten kunnen indienen.