Procedure bij buitensporige tekorten
Alle lidstaten moeten hun overheidsschuld laag houden of hun hoge schuld tot een houdbaar niveau terugbrengen.
Wat is de buitensporigtekortprocedure?
De buitensporigtekortprocedure (BTP) is een mechanisme om ervoor te zorgen dat de EU-lidstaten hun begroting op orde houden of weer op orde brengen.
Economisch en begrotingsbeleid zijn zeer belangrijk voor de lidstaten. Ze zien het als een zaak van gemeenschappelijk belang. Om het overheidstekort en de overheidsschuld te beperken, hebben de lidstaten referentiewaarden afgesproken en in de EU-verdragen vastgelegd: een tekortquote van 3% en een schuldquote van 60%. De quota worden altijd berekend ten opzichte van het bruto binnenlands product (bbp) van een lidstaat.
De referentiewaarden zijn:
Alle lidstaten moeten vermijden dat ze deze referentiewaarden overschrijden. Ze moeten buitensporige overheidstekorten voorkomen en buitensporige schulden terugdringen.
Het doel van de procedure is buitensporige overheidstekorten te ontmoedigen en indien nodig te doen corrigeren. De regels ervan staan in het correctieve deel van het stabiliteits- en groeipact (SGP), dat onlangs is herzien.
Stappen van de buitensporigtekortprocedure
Het nieuwe EU-kader voor economische governance is sinds 30 april 2024 van kracht en heeft de manier waarop de BTP wordt uitgevoerd, veranderd.
Het proces bestaat uit verschillende belangrijke stappen.
Als een lidstaat de referentiewaarden voor tekort of schuld overschrijdt of in de toekomst dreigt te overschrijden, bepaalt de Commissie in een verslag of die lidstaat een buitensporig tekort heeft.
Als de Commissie, alle factoren in aanmerking genomen, meent dat een buitensporigtekortprocedure op zijn plaats is, stelt zij de Raad voor in een besluit te bepalen dat die lidstaat een buitensporig tekort heeft.
Na dat voorstel bekijkt de Raad de eventuele opmerkingen van de lidstaat. Dan beoordeelt hij in een besluit of er sprake is van een buitensporig tekort.
Als dat zo is, richt de Raad op aanbeveling van de Commissie een aanbeveling tot de lidstaat om de situatie te verhelpen. Deze aanbeveling kan een in cijfers uitgedrukt correctief begrotingspad en een deadline bevatten.
Daarna moet de betrokken lidstaat binnen de 6 maanden de nodige maatregelen nemen.
Blijven die maatregelen uit of geeft de lidstaat geen gevolg aan de aanbeveling, dan kan de Raad sancties opleggen. Voor lidstaten van de eurozone kan de boete oplopen tot 0,05% van het bbp van het voorgaande jaar.
De boete wordt halfjaarlijks betaald tot de Raad van mening is dat de lidstaat effectieve maatregelen heeft genomen. Blijft de lidstaat in gebreke, dan kan de Raad de sancties opvoeren.
Stemregels
Voor besluiten en aanbevelingen van de Raad gelden specifieke stemregels.
De betrokken lidstaat kan geen stem uitbrengen.
Wanneer minstens 55% van de leden van de Raad die deelnemende lidstaten vertegenwoordigen vóór stemt en deze groep minstens 65% van de bevolking van de deelnemende lidstaten vertegenwoordigt, is er sprake van een gekwalificeerde meerderheid.
Een blokkerende minderheid moet minstens uit het minimumaantal van de leden van de Raad bestaan (die meer dan 35% van de bevolking van de deelnemende lidstaten vertegenwoordigen), plus één lid.
Lopende buitensporigtekortprocedures
Op een tekort gebaseerde buitensporigtekortprocedure
Door corona schortte de EU haar begrotingsregels voor alle lidstaten tussen 2020 en 2023 op door middel van de algemene ontsnappingsclausule. De algemene ontsnappingsclausule is sinds 2024 niet langer van toepassing. Daarom heeft de EU de op een tekort gebaseerde BTP opnieuw ingevoerd volgens de nieuwe regels van het herziene kader voor economische governance.
Oostenrijk
Op 8 juli 2025 besloot de Raad een buitensporigtekortprocedure te openen voor Oostenrijk, omdat het in 2024 een begrotingstekort van 4,7% had. De Raad keurde een aanbeveling aan Oostenrijk goed met daarin het netto-uitgavenpad en het tijdschema dat moet worden gevolgd om uiterlijk in 2028 een einde te maken aan zijn buitensporig tekort.
In de aanbeveling werden aan het nominale groeipercentage van de netto-uitgaven van Oostenrijk de volgende grenzen gesteld: 2,6% in 2025, 2,2% in 2026, 2,2% in 2027 en 2,0% in 2028.
België
Op 26 juli 2024 opende de Raad naar aanleiding van een voorstel van de Commissie een buitensporigtekortprocedure voor België, omdat het land in 2023 een begrotingstekort van 4,4% had.
Op 21 januari 2025 beval de Raad België aan om uiterlijk in 2027 een einde te maken aan zijn buitensporigtekortsituatie. In de aanbeveling werden aan het nominale groeipercentage van de netto-uitgaven van België de volgende grenzen gesteld: 2,4% in 2025, 1,9% in 2026 en 2,0% in 2027.
Op 20 juni 2025 nam de Raad een herziene aanbeveling aan, waarin België werd verzocht uiterlijk in 2029 een einde te maken aan zijn buitensporig tekort. In die aanbeveling werden de limieten voor het nominale groeipercentage van de netto-uitgaven van België als volgt gewijzigd: 3,6% in 2025, 2,5% in 2026, 2,5% in 2027, 2,1% in 2028 en 2,1% in 2029.
Finland
Op 20 januari 2026 besloot de Raad een buitensporigtekortprocedure te openen ten aanzien van Finland. Dat besluit was gerechtvaardigd gezien Finlands begrotingstekort van 4,4% in 2024 en geplande begrotingstekort van 4,3% in 2025.
In zijn aanbeveling stelt de Raad dat Finland doeltreffende actie moet ondernemen en uiterlijk op 30 april 2026 de nodige maatregelen moet voorstellen om zijn tekort terug te dringen.
In de aanbeveling worden aan de nominale cumulatieve groei van de netto-uitgaven van Finland de volgende grenzen gesteld: 2,5% in 2026, 4,1% in 2027 en 5,9% in 2028.
Frankrijk
Op 26 juli 2024 opende de Raad naar aanleiding van een voorstel van de Commissie een buitensporigtekortprocedure voor Frankrijk, omdat het in 2023 een begrotingstekort van 5,5% had.
Op 21 januari 2025 beval de Raad aan dat Frankrijk uiterlijk in 2029 een einde maakt aan zijn buitensporigtekortsituatie. In de aanbeveling werden aan het nominale groeipercentage van de netto-uitgaven van Frankrijk de volgende grenzen gesteld: 0,8% in 2025, 1,2% in 2026, 1,2% in 2027, 1,2% in 2028 en 1,1% in 2029.
Italië
Op 26 juli 2024 opende de Raad naar aanleiding van een voorstel van de Commissie een buitensporigtekortprocedure voor Italië, omdat het in 2023 een begrotingstekort van 7,4% had.
Op 21 januari 2025 nam de Raad een aanbeveling aan waarin werd gesteld Italië uiterlijk in 2026 een einde zou moeten maken aan zijn buitensporigtekortsituatie.
In de aanbeveling werden aan het nominale groeipercentage van de netto-uitgaven van Italië de volgende grenzen gesteld: 1,3% in 2025 en 1,6% in 2026.
Hongarije
Op 26 juli 2024 startte de Raad een buitensporigtekortprocedure op voor Hongarije vanwege zijn overheidstekort van 6,7% in 2023.
Op 18 februari beval de Raad Hongarije aan uiterlijk in 2026 een einde te maken aan zijn buitensporigtekortsituatie. In de aanbeveling werden aan het nominale groeipercentage van de netto-uitgaven van Hongarije de volgende grenzen gesteld: 4,3% in 2025 en 4,0% in 2026.
Polen
Op 26 juli 2024 opende de Raad naar aanleiding van een voorstel van de Commissie een buitensporigtekortprocedure voor Polen, omdat het land in 2023 een begrotingstekort van 5,1% had.
Op 21 januari 2025 beval de Raad Polen aan uiterlijk in 2028 een einde te maken aan zijn buitensporigtekortsituatie. In de aanbeveling werden aan het nominale groeipercentage van de netto-uitgaven van Polen de volgende grenzen gesteld: 6,3% in 2025, 4,4% in 2026, 4,0% in 2027 en 3,5% in 2028.
Slowakije
Op 26 juli 2024 opende de Raad naar aanleiding van een voorstel van de Commissie een buitensporigtekortprocedure voor Slowakije, omdat het land in 2023 een begrotingstekort van 4,9% had.
Op 21 januari beval de Raad Slowakije aan om uiterlijk in 2027 een einde te maken aan zijn buitensporigtekortsituatie.
In de aanbeveling werden aan het nominale groeipercentage van de netto-uitgaven van Slowakije de volgende grenzen gesteld: 3,8% in 2025, 0,9% in 2026 en 1,6% in 2027.
Roemenië
De Raad opende op 3 april 2020 een buitensporigtekortprocedure voor Roemenië om een einde te maken aan zijn buitensporig tekort.
Op 26 juli 2024 besloot de Raad de procedure aan te houden, omdat het land nog geen doeltreffende maatregelen had genomen om zijn tekort te verhelpen.
Aangezien Roemenië nog steeds een groot overheidstekort had dat de in de Verdragen vastgelegde referentiewaarde van 3% overschreed, concludeerde de Raad op 20 juni 2025 dat Roemenië geen effectief gevolg had gegeven aan de aanbevelingen van de Raad.
Op 8 juli 2025 wijzigde de Raad zijn aanbeveling aan Roemenië voor de buitensporigtekortprocedure. Roemenië moest nu vóór 15 oktober 2025 doeltreffende actie ondernemen en met de nodige maatregelen komen om zijn tekort terug te dringen, en mocht uiterlijk in 2030 geen buitensporig tekort meer hebben.
In de aanbeveling werden aan het nominale groeipercentage van de netto-uitgaven van Roemenië de volgende grenzen gesteld: 2,8% in 2025, 2,6% in 2026, 4,6% in 2027, 4,4% in 2028, 4,2% in 2029 en 4,0% in 2030.
Op schulden gebaseerde buitensporigtekortprocedure
Volgens de nieuwe regels moet elke lidstaat een nationaal budgettair-structurele plan voor de middellange termijn opstellen. Dat moet een netto-uitgavenpad bevatten.
Zolang landen met een zware schuldenlast hun door de Raad uitgestippelde netto-uitgavenpad volgen en het aannemelijk is dat ze zo hun schuld tijdig omlaag en in de buurt van de referentiewaarde van het Verdrag krijgen, wordt er geen BTP tegen hen geopend. De naleving wordt regelmatig beoordeeld.
Begrotingstrends
Alle EU-lidstaten moeten begrotingsdiscipline toepassen, op basis van de criteria en referentiewaarden die in de EU-Verdragen staan. Hun overheidstekort mag niet meer dan 3% van hun bruto binnenlands product (bbp) bedragen, en hun schuld niet meer dan 60% van het bbp.
Onderstaande grafieken illustreren hoe de lidstaten ervoor staan voor deze 2 referentiewaarden.
Ontwikkeling van het tekort per lidstaat (2013-2024)
Onderstaande grafieken laten zien hoe de overheidstekorten van de EU-lidstaten zich hebben ontwikkeld ten opzichte van de referentiewaarde van 3%.
Lidstaten die momenteel onder de referentiewaarde blijven: Denemarken en Zweden.
Lidstaten met een tekort dat op een bepaald moment onder de referentiewaarde lag en sindsdien erboven ligt: België, Spanje, Frankrijk, Italië, Hongarije, Malta, Oostenrijk, Polen, Portugal, Roemenië, Slowakije, Slovenië en Finland.
Lidstaten met een tekort dat op een bepaald moment boven de referentiewaarde lag en sindsdien eronder ligt: Bulgarije, Tsjechië, Duitsland, Estland, Ierland, Griekenland, Kroatië, Cyprus, Letland, Litouwen, Luxemburg en Nederland.
Ontwikkeling van de schuld per lidstaat (2013-2024)
Onderstaande grafieken laten zien hoe de overheidsschuld van de EU-lidstaten zich heeft ontwikkeld ten opzichte van de referentiewaarde van 60%.
Lidstaten die in de hele periode onder de referentiewaarde bleven: Bulgarije, Tsjechië, Denemarken, Estland, Letland, Litouwen, Luxemburg, Polen, Roemenië en Zweden.
Lidstaten die in de hele periode boven de referentiewaarde bleven: België, Duitsland, Griekenland, Spanje, Frankrijk, Italië, Cyprus, Hongarije, Oostenrijk, Portugal, Slovenië en Finland.
Lidstaten die hun schuld in deze periode onder de referentiewaarde hebben gekregen: Ierland, Kroatië, Malta, Nederland en Slowakije.
Laatst bijgewerkt: 12 juni 2026